4. Geschilperiode 1
Termijn om te voldoen aan een verzoek om gedeelde toegang
Het hof heeft in rov 4.26 van het tussenarrest geoordeeld dat KPN niet heeft voldaan aan het redelijk verzoek van Tele2 om gedeelde toegang. Verder heeft het hof in het tussenarrest overwogen dat Tele2 niet kan verlangen dat een verzoek om de gedeelde toegang op stel en sprong wordt gehonoreerd. Het hof heeft in het tussenarrest in het midden gelaten welke termijn KPN redelijkerwijs gegund moet worden om aan een verzoek te voldoen.
Tele2 heeft naar aanleiding van deze overwegingen van het hof aangevoerd dat uit onder meer de side letter van 29 juni 2000 volgt dat zij al ruimschoots voor 1 juli 2000 heeft verzocht om gedeelde toegang. KPN moet weliswaar een redelijke termijn worden gegund om aan het verzoek te voldoen, maar op 1 juli 2000 was die termijn in ieder geval al verstreken. KPN had dus al op 1 juli 2000 moeten voldoen aan het verzoek van Tele2 om haar gedeelde toegang te verlenen.
KPN heeft aangevoerd dat deze kwestie niet meer relevant is, nu het hof heeft geoordeeld dat gedurende de eerste geschilperiode vanaf 1 juli 2000 discriminatoir heeft gehandeld en dat zij daarom jegens Tele2 aansprakelijk is op grond van onrechtmatig handelen. Zij is dan ook van mening dat het niet langer relevant is om vast te stellen wanneer de aansprakelijkheid op de eerste grondslag is aangevangen en evenmin hoe lang de ‘redelijke voldoeningstermijn’ is geweest.
Het hof stelt vast dat uit de side letter van 29 juni 2000 inderdaad volgt dat Tele2 al ruim voor 1 juli 2000 heeft verzocht om gedeelde toegang. Met KPN is het hof evenwel van oordeel dat in het midden kan blijven wanneer de ‘redelijke voldoeningstermijn’ is verstreken, omdat KPN hoe dan ook vanaf 1 juli 2000 jegens Tele2 aansprakelijk is op grond van discriminatoir handelen. In dit verband is ook van belang dat de eerste normschending (niet voldoen aan een verzoek om gedeelde toegang) niet tot meer of andere schade heeft geleid dan de tweede normschending (discriminatoir handelen), zoals hieronder in rov. 4.2 zal worden toegelicht.
Schadebegroting wegens niet tijdig honoreren van een verzoek om gedeelde toegang versus schadebegroting wegens discriminatoir handelen
In rov. 4.43 van het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat KPN onrechtmatig handelde (1) door niet binnen een redelijke termijn aan Tele2’s redelijke verzoek om gedeelde toegang te voldoen en (2) door discriminatoir te handelen. De vraag rijst of de schade wegens het niet voldoen aan een redelijk verzoek om gedeelde toegang op andere wijze moet worden begroot dan de schade wegens discriminatoir handelen. Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten.
Tele2 heeft hierover het volgende aangevoerd. De beide normschendingen hangen nauw met elkaar samen, maar moeten volgens Tele2 tot op zekere hoogte van elkaar worden onderscheiden. Beide normschendingen hebben tot gevolg gehad dat Tele2 marktaandeel heeft gemist. Deze schade moet worden berekend op de in het tussenarrest in rov. 4.44-4.57 geschetste wijze. Daarnaast geldt echter dat Tele2 schade heeft geleden omdat zij als gevolg van het discriminatoir handelen van KPN inbelklanten heeft verloren. Deze klanten hebben gekozen voor het ADSL-aanbod van KPN in plaats van inbellen via Tele2. KPN kon hierdoor een aanzienlijke winst maken ten koste van Tele2. De schade die Tele2 heeft geleden als gevolg het verlies van inbelklanten moet weliswaar óók op de voet van art. 6:97 BW worden begroot, maar daarbij moet gewicht worden toegekend aan het bepaalde in art. 6:104 BW (afdracht onrechtmatig verkregen winst).
KPN heeft zich op het standpunt gesteld dat de schade uit hoofde van beide normschendingen op dezelfde wijze kan worden berekend. KPN verzet zich tegen de stelling van Tele2 dat zij door de tweede normschending (discriminatie) aanzienlijke winsten heeft gegenereerd die ten koste zijn gegaan van de inbelklanten van Tele2. Volgens KPN heeft zij in de periode 2000-2003 geen winst gemaakt op MxStream. Verder betwist KPN dat de omvang van de gestelde schade met behulp van art. 6:104 BW kan worden berekend. KPN voert aan dat art. 6:104 BW geen hulpmiddel is bij het vaststellen van de schade op de voet van art. 6:97 BW, maar een zelfstandige grondslag voor het toekennen van schadevergoeding.
Naar het hof begrijpt zijn beide partijen van mening dat de schade over de periode juli 2000 tot 1 september 2001 in beginsel dient te worden berekend op de wijze die in het tussenarrest is geschetst, ongeacht de normschending. (Met dien verstande dat – zoals hieronder (rov. 4.4.8 e.v.) zal blijken – bij het bepalen van de schade ook de gemiddelde verblijfsduur in aanmerking moet worden genomen.)
Tele2 is daarnaast van mening dat zij als gevolg van het discriminatoir handelen van KPN ‘extra schade’ heeft geleden omdat KPN winst heeft kunnen genereren als gevolg van het feit dat inbelklanten van Tele2 zijn overgestapt naar MxStream van KPN. Het hof is van oordeel dat – anders dan Tele2 betoogt – deze schade niet zonder meer gelijk gesteld kan worden met de winst die KPN dankzij deze overstappers heeft behaald (nog daargelaten dat niet vast staat of KPN daarmee winst heeft behaald). Het is evenwel denkbaar dat Tele2 op dit punt wel enige ‘extra schade’ heeft geleden, omdat zij als gevolg van de overstap inkomsten (en daarmee marge) is misgelopen.
Het komt er op neer dat aan de nog te benoemen deskundige(n) zal moeten worden voorgelegd wat de omvang van deze ‘extra schade’ is. Vooruitlopend op rov. 4.5.1 e.v. merkt het hof op dat het denkbaar is dat deze schade geheel of gedeeltelijk wegvalt als gevolg van ‘voordeelstoerekening’.
De marge van Zon
In rov. 5.54 van het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat Tele2 alleen de schade kan vorderen die zij zelf heeft geleden. In relatie tot Zon houdt dit in dat Tele2 alleen de misgelopen marges kan vorderen die zij bij Zon in rekening kon brengen. In rov. 5.56 heeft het hof overwogen dat het vooralsnog niet duidelijk is in hoeverre de eigen marge van Zon een rol heeft gespeeld bij de door Tele2 opgestelde schadebegroting. Tele2 is in de gelegenheid gesteld om hierover nadere informatie te verstrekken.
Tele2 heeft hierover het volgende aangevoerd.
Zon opereerde feitelijk niet of nauwelijks als een zelfstandige rechtspersoon. Zij was in wezen een ‘brand’ van Versatel. Zon verkocht op de breedbandmarkt retaildiensten aan eindgebruikers en kocht daartoe wholesale-diensten in bij Tele2. Zon maakte echter nauwelijks eigen marge op de breedbanddienstverlening en hoefde dat ook niet: op de DSL-dienstverlening heeft Zon in 2001 een bescheiden winst gemaakt en in 2002 een verlies.
Zon heeft aan Tele2 intercompany vergoedingen afgedragen voor zowel het inbelverkeer als voor de ADSL-dienstverlening; uit de jaarverslagen is af te leiden om welke bedragen het gaat. Wat precies voor ADSL werd afgedragen volgt uit de interne spreadsheets die ten grondslag hebben gelegen aan het item Cost of Goods Sold in de jaarverslagen van Zon. Tele2 heeft ter nadere onderbouwing van de cijfers productie 90 overgelegd.
Bij de berekening van de intercompany vergoedingen werd rekening gehouden met de kosten voor klantenservice en dubieuze debiteuren. Deze kosten werden gedragen binnen Zon. Dit zijn variabele klantgedreven kosten die Tele2 bij de berekening van de misgelopen marge heeft afgetrokken van de abonnementsinkomsten. Tele2 heeft zich dus niet rijk gerekend.
KPN voert aan dat het betoog van Tele2 er in de kern op neerkomt dat Zon inkomsten genereerde bij consumenten met een ADSL-abonnement en dat Tele2 al die inkomsten naar zich toetrok door middel van een ‘intercompany fee’. Zij is echter van mening dat Tele2 deze stellingen niet heeft onderbouwd.
Zoals hiervoor overwogen kan Tele2 niet de door Zon misgelopen marge van KPN vorderen. Naar het hof begrijpt bracht Tele2 bij Zon een intercompany fee in rekening, waarin ook een vergoeding was verdisconteerd voor door Tele2 aan Zon geleverde wholesale-diensten. De hoogte van deze fee was – volgens Tele2 – zodanig dat daarmee feitelijk (vrijwel) de gehele marge van Zon aan Tele2 toekwam. Op basis van de overgelegde stukken is die stelling voor het hof echter niet goed controleerbaar. Daarbij is van belang dat de intercompany fee, naar Tele2 zelf stelt, niet uitsluitend betrekking had op de ADSL-dienstverlening.
Wat betreft de schadeberekening ter zake van de Zon-klanten komt het hof tot het volgende oordeel. Tele2 kan over de periode 1 juli 2000 tot 1 september 2001 jegens KPN aanspraak maken op misgelopen ‘intercompany fee’ van Zon. Dat wil zeggen: de fee die Tele2 bij Zon in rekening had kunnen brengen als KPN niet onrechtmatig had gehandeld. Daarop moet evenwel in mindering worden gebracht het bedrag dat Tele2 aan kosten heeft bespaard die zij voor haar dienstverlening aan Zon had moeten maken. Het ligt op de weg van Tele2 om aannemelijk te maken hoe hoog deze fee per misgelopen klant zou zijn geweest, welk deel van de fee daadwerkelijk als marge kan worden beschouwd en met welk deel van de fee de kosten voor de dienstverlening aan Zon werd gedekt. Gezien de feitelijke verwevenheid tussen Tele2 en Zon en het gebrek aan een schriftelijke vastlegging van de tussen Tele2 en Zon op dit punt gemaakte afspraken, is het kennelijk niet eenvoudig vast te stellen. Tele2 – op wie ter zake de bewijslast rust – heeft daar tot op heden in ieder geval onvoldoende informatie over verstrekt. Het ligt op de weg van de deskundige om aan de hand van het beschikbare (cijfer)materiaal, voor zover mogelijk, vast te stellen hoe hoog de fee per ADSL-klant was en welk deel van de fee kan worden aangemerkt als bespaarde kosten.
Tot slot merkt het hof nog op dat KPN in haar antwoordmemorie na tussenarrest (nrs. 5.38-5.41) heeft aangevoerd dat uit de cijfers die Tele2 na het tussenarrest heeft verstrekt blijkt dat Zons omzet (dat wil zeggen: de abonnementsprijs) per lijn per maand in 2001 € 11,72 bedroeg en in 2002 € 13,16 (exclusief btw). Tele2 heeft nog niet op die stelling kunnen reageren, maar – indien juist – is niet geheel duidelijk hoe deze abonnementsprijs zich verhoudt tot de eerder genoemde abonnementsprijs van € 29,41 (exclusief) per lijn per maand, genoemd in productie 74. Ook dat punt zal moeten worden opgehelderd, voordat de deskundige aan de slag kan.
Het komt er dus op neer dat de deskundige gevraagd zal worden aan de hand van het beschikbare cijfermateriaal vast te stellen (1) welke fee Zon in geschilperiode 1 ter zake van de ADSL-dienstverlening aan Tele2 betaald zou hebben, indien KPN niet onrechtmatig zou hebben gehandeld en (2) wat de kosten ter zake van de dienstverlening aan Zon voor Tele2 zouden zijn geweest.
Nadere informatie over de misgelopen marge
Het hof heeft in rov. 4.52 van het tussenarrest geoordeeld dat de misgelopen marge gelijk is aan de omzet per lijn minus de variabele (periodieke) klantgedreven kosten. Eenmalige kosten die Tele2 op een later moment toch nog heeft gemaakt zijn in beginsel geen bespaarde kosten, maar uitgestelde kosten. Het hof heeft aan Tele2 gevraagd om meer inzichtelijk te maken hoe zij de door haar gestelde marge heeft berekend. Meer in het bijzonder gaat het om de hoogte van het abonnementsprijs en de omvang van de kosten.
Abonnementsprijs
Volgens Tele2 loopt de geschatte abonnementsprijs per lijn op van € 29,41 (exclusief btw) / € 35,- (inclusief btw) in de jaren 2000-2004, tot € 35,29 (exclusief btw) / € 42,- (inclusief btw) in 2006. Tele2 heeft deze schatting gedaan aan de hand van door KPN in eerste aanleg overgelegde producties, waaruit blijkt dat KPN in 2002 prijzen hanteerde tussen € 34,- en € 50,- per maand.
Volgens KPN is de schatting van Tele2 met betrekking tot de abonnementsprijs te hoog. KPN heeft de producties waarop Tele2 zich beroept, in het geding gebracht om te onderbouwen dat de (destijds door Tele2 gestelde) marge van € 48,- per lijn niet kan kloppen. KPN acht het aannemelijk dat de abonnementsprijzen van Tele2 lager liggen, omdat Tele2 een prijsvechter is, die ernaar streeft goedkoper dan KPN te zijn. Ook overigens betwist KPN de juistheid van de door Tele2 gepresenteerde cijfers.
Het hof overweegt als volgt. Tele2 stelt dat haar abonnementsprijzen in de periode 2000-2006 tussen de € 35,- en € 42,- (inclusief btw) zouden hebben gelegen. Het hof is het met KPN eens dat Tele2 deze stelling niet met stukken heeft onderbouwd, maar enkel lijkt te relateren aan de door KPN in het geding gebrachte stukken. Dit neemt niet weg dat gestelde abonnementsprijzen reëel zouden kunnen zijn, maar of dit het geval is, valt met de huidige gegevens niet vast te stellen. Tele2 had op dit punt meer duidelijkheid kunnen verschaffen door bijvoorbeeld (het gewogen gemiddelde van) de door haar vanaf 2002 daadwerkelijk gehanteerde abonnementsprijzen in het geding te brengen. Mede op basis van die prijzen zou een beredeneerde inschatting kunnen worden gemaakt van de abonnementsprijzen die Tele2 in 2000 en 2001 zou hebben gehanteerd, als zij haar klanten ADSL had kunnen aanbieden. Tele2 dient deze informatie alsnog ten behoeve van de deskundige in het geding te brengen. Het is vervolgens aan de deskundige om vast te stellen in hoeverre de door Tele2 gestelde prijzen voor 2000 en 2001 in lijn liggen met de door haar in werkelijkheid berekende abonnementsprijzen in de periode vanaf 2002.
Bespaarde kosten
Tele2 heeft aangevoerd dat de in mindering gebrachte bespaarde kosten voldoende zijn toegelicht in eerdere processtukken, meer in het bijzonder in productie 74. Het komt erop neer dat de misgelopen marge per maand per lijn gestaag is gestegen in de jaren 2000-2006: van € 20,52 in 2000 tot € 25,08 in 2006. Dat komt vooral doordat de kosten die KPN aan lijnhuur in rekening bracht daalden van € 6,30 per lijn per maand naar € 1,91 per lijn per maand.
KPN heeft in haar antwoordmemorie aangevoerd dat Tele2 onvoldoende inzicht heeft gegeven in de bespaarde kosten. Tele2 rekent volgens KPN ten onrechte uitsluitend met de volgende klantgedreven kosten: (1) lijnkosten (huur), (2) klantenservice en (3) dubieuze debiteuren. KPN is van mening dat ook de volgende klantgedreven operationele kosten moeten worden meegerekend: (4) arbeidskosten voor processen, systemen en onderhoud, (5) onderhoudskosten voor poorten en (6) kosten voor IP-voorzieningen. Verder moeten volgens KPN ook een aantal klantgedreven netwerkkosten worden meegenomen: (7) de kosten voor collocatieruimte en (8) de kosten van stroomverbruik.
De stellingen van KPN vormen grotendeels een herhaling van de stellingen die zij reeds in nr. 8.121 van haar memorie van grieven heeft aangevoerd. In nr. 457 van haar memorie van antwoord heeft Tele2 wat betreft de arbeidskosten (post (4)) en de onderhoudskosten voor poorten (post (5)) aangevoerd dat dit vaste kosten zijn die Tele2 in de geschilperiode sowieso heeft moeten maken. Tele2 heeft niet betwist dat de kosten voor IP-voorzieningen (post (6)) moeten worden meegerekend, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat het om verwaarloosbare kosten gaat van slechts enkele eurocenten per jaar. Het hof verwerpt deze stellingen van Tele2. Tele2 heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in geschilperiode 1 de door KPN genoemde klantgedreven operationele kosten sowieso heeft moeten maken ook al verstrekte KPN in deze geschilperiode geen gedeelde toegang aan Tele2. Verder lijkt het aannemelijk dat deze kosten hoger worden naarmate het aantal ADSL-klanten toeneemt. Het ligt op de weg van de deskundige om een inschatting van de omvang van deze kosten te maken.
Hetzelfde heeft te gelden voor de klantgedreven netwerkkosten. Ook die kosten heeft Tele2 niet hoeven te maken in de periode dat KPN haar geen gedeelde toegang verstrekte, maar had zij wel moeten maken als KPN haar verplichtingen was nagekomen. Ook ter zake van deze kosten lijkt het aannemelijk dat deze toenemen naar mate het aantal klanten stijgt. Het ligt op de weg van de deskundige om ook ter zake van deze kosten een inschatting te maken van de omvang daarvan.
Verblijftijd en eenmalige kosten
Tele2 heeft in haar memorie na tussenarrest aangevoerd dat het voor haar oorspronkelijke schadeberekening niet relevant was om te weten wat de gemiddelde levensduur van een klantrelatie is, omdat zij haar schadeberekening had gebaseerd op het aantal klanten dat zij uiteindelijk daadwerkelijk heeft behaald, maar zonder de normschending eerder zou hebben behaald. De oordelen in het tussenarrest impliceren dat zij niet voor de gehele periode (1 juli 2000 – 1 september 2003) schade kan vorderen en dat er voor iedere periode een afzonderlijke schatting moet worden gemaakt van de schade. Tele2 heeft daarom haar schadebegrotingsmethodiek aangepast door alsnog rekening te houden met de gemiddelde levensduur van een klantrelatie. Zij voert aan dat het redelijk is om aan te nemen dat de klanten die zij zonder normschending had geworven gemiddeld zeven jaar klant zouden zijn gebleven.
KPN heeft zich op hetzelfde standpunt gesteld: volgens haar is het inderdaad zo dat de duur van de klantrelatie een relevante factor is bij de berekening van de schade. Volgens KPN is de gemiddelde duur van een klantrelatie iets meer dan twee jaar.
Het hof stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat de gemiddelde klantrelatie een factor is die van belang is voor het bepalen van de schade in de eerste geschilperiode. Kort gezegd komt het erop neer dat de schade volgens de volgende formule zou kunnen worden berekend: schade = aantal misgelopen klanten x misgelopen marge per maand x gemiddelde duur van de klantrelatie.
Partijen verschillen van mening wat de gemiddelde duur van de klantrelatie is.
Tele2 heeft zich gebaseerd op eigen cijfers (die zij vanaf 2004 heeft bijgehouden) over de levensduur van haar klantrelaties. In de jaren 2004-2006 was de gemiddelde levensduur volgens Tele2 (iets meer dan) zes jaar. Omdat in de beginjaren de overstap naar een nieuwe provider moeilijker was dan later, is het volgens Tele2 redelijk om ervan uit te gaan dat de gemiddelde klantrelatie in de jaren 2000-2002 zeven jaar was. Tele2 heeft zich verder beroepen een de melding van KPN in 2009 aan OPTA dat bij haar sprake was van een gemiddelde contractduur van zeven jaar en op het feit dat Ziggo in 2014 uitging van een gemiddelde duur van de kabelaansluiting van veertien jaar.
Volgens Tele2 is het door KPN genoemde rapport van Heliview, waaruit een gemiddelde duur van ongeveer twee jaar zou blijken, niet doorslaggevend. Volgens Tele2 blijkt uit het rapport van Heliview slechts dat in Q4 van 2004 huishoudens met breedband gemiddeld gedurende 27 maanden gebruik maakten van hun huidige aansluiting. Dat zegt echter niets over de totale verblijfsduur van een klant, aldus Tele2. Tele2 is verder van mening dat het beroep van KPN op het ULL-besluit van ACM uit 2011 niet juist is. Dat besluit gaat immers slechts over de boekhoudkundige terugverdientijd, die ACM op drie jaar zet, maar zegt niets over de daadwerkelijke verblijfstijd van een klant.
KPN is van mening dat de gestelde gemiddelde verblijftijd van zes à zeven jaar niet is onderbouwd. KPN betwist de juistheid van de cijfers die Tele2 noemt bij gebrek aan onderbouwing. Zij is van mening dat aan de te benoemen deskundige(n) moet worden voorgelegd wat de meest realistische gemiddelde levensduur van een klantrelatie van Tele2 is.
Het hof is van oordeel dat op basis van de stellingen over en weer en de overgelegde stukken niet kan worden vastgesteld wat in geschilperiode 1 een realistische inschatting is van de gemiddelde duur van een (hypothetische) klantrelatie van Tele2. Het hof is verder van oordeel dat bij het bepalen van de levensduur zo veel mogelijk moet worden aangesloten bij de feitelijke situatie van Tele2 in de jaren daarna, waarop een correctie kan worden gemaakt omdat de gemiddelde levensduur van een klantrelatie in de beginjaren van ADSL wellicht afwijkt van de levensduur in de jaren daarna. Of dit een correctie naar boven of naar beneden zou moeten zijn, valt op grond van de overgelegde stukken voor het hof niet vast te stellen. Het ligt op de weg van de deskundige om over een en ander een deskundig oordeel te geven.
KPN heeft verder nog naar voren gebracht dat in rov. 4.52 van het tussenarrest is overwogen dat de eenmalige kosten (zoals wervingskosten) geen bespaarde kosten zijn, maar hooguit uitgestelde kosten. KPN merkt daarover op dat nu Tele2 erkent dat voor de schadeberekening ook de verblijftijd van belang is, de eenmalige kosten wél moeten worden meegenomen en moeten worden afgetrokken van de marge.
Het hof overweegt hierover als volgt. De stelling van KPN dat de eenmalige kosten wel moeten worden afgetrokken van de marge als de schade wordt berekend aan de hand van de gemiddelde levensduur van een klantrelatie, komt het hof niet direct als onjuist voor. Tele2 is echter nog niet in de gelegenheid gesteld hierop te reageren, zodat het hof op dit punt nog geen eindbeslissing kan nemen. Tele2 zal hierop nog mogen reageren. Het komt het hof het meest praktisch voor indien Tele2 dat doet nadat de zaak weer bij de rechtbank aanhangig is gemaakt.
Ter zake van de misgelopen marge komt het vorenstaande op het volgende neer:
Tele2 dient informatie over haar abonnementsprijzen in de jaren 2002 en volgende in het geding te brengen. Aan de deskundige kan vervolgens worden gevraagd om vast te stellen in hoeverre de door Tele2 gestelde prijzen voor 2000 en 2001 in lijn liggen met de door haar in werkelijkheid berekende abonnementsprijzen in de periode vanaf 2002 (rov. 4.4.3).
De volgende bespaarde kosten moeten in aftrek komen op de omzet: (1) lijnkosten (huur), (2) klantenservice, (3) dubieuze debiteuren, (4) arbeidskosten voor processen, systemen en onderhoud, (5) onderhoudskosten voor poorten, (6) kosten voor IP-voorzieningen, (7) de kosten voor collocatieruimte en (8) de kosten van stroomverbruik. De deskundige zal moeten worden gevraagd om een inschatting van de omvang van deze kosten te maken (rov. 4.4.6 en 4.4.7).
Bij het bepalen van de schade moet worden gerekend met de gemiddelde levensduur van een klantrelatie. Het ligt op de weg van de deskundige om hierover een deskundig oordeel te geven, mede aan de hand van de feitelijke situatie van Tele2 in de jaren vanaf 2002 (rov. 4.4.15).
Tele2 moet nog in de gelegenheid worden gesteld te reageren op de stellingen van KPN over de eenmalige kosten (rov. 4.4.17), waarna beslist moet worden of de eenmalige kosten ook in aftrek moeten worden gebracht op de omzet.
Schadebeperking / voordeelstoerekening
Het hof heeft in 4.57 van het tussenarrest aan partijen gevraagd of het dienstig is om aan de deskundige vragen voor te leggen over kort gezegd de voordelen die Tele2 heeft genoten (1) ter zake van haar Mxstream-agentschap van Tele2 en (2) omdat zij marge heeft genoten doordat haar inbelklanten als gevolg van de normschending niet zijn overgestapt.
Tele2 heeft aangevoerd dat het MxStream-agentschap alleen maar nadelen heeft gehad. Er viel volgens haar nauwelijks marge te maken op deze internettoegangsdienst. Het was een noodverband om de klanten van Tele2 toch breedband te bieden in de hoop dat deze klanten op den duur konden worden overgezet naar het eigen netwerk van Tele2. Maar dat bleek een illusie, omdat KPN de desbetreffende klanten wel naar haarzelf kon toe lokken, maar contractueel had vastgelegd dat Tele2 de klanten niet mocht benaderen voor een overstap naar haarzelf. Tele2 stelt zichzelf tekort te hebben gedaan door de MxStreamklanten te beschouwen als eigen klanten en dus buiten beschouwing te laten bij de berekening van het margeverlies door de normschending.
Het hof is – met KPN – van oordeel dat Tele2 haar stelling dat zij geen (direct) financieel voordeel heeft gehad van de MxStream-klanten, onvoldoende heeft onderbouwd. Financiële stukken die dat zouden kunnen onderbouwen, zijn niet in het geding gebracht. Dat geldt ook voor stukken met betrekking tot de stelling van Tele2 dat zij geen klanten uit haar MxStream-agentschap mocht benaderen om over te stappen naar Tele2. Het is voor het hof niet duidelijk hoe ver dit ‘verbod’ strekte en wat de financiële implicaties daarvan waren voor Tele2. Het hof is dan ook van oordeel dat nader onderzoek moet plaatsvinden naar het financiële voordeel dat Tele2 heeft genoten. De te benoemen deskundige zal de omvang van het financieel voordeel moeten vaststellen.
Verder is Tele2 van mening dat zij geen substantieel voordeel heeft genoten aan de inbelklanten waaraan zij langer geld heeft verdiend omdat deze niet overstapten naar breedband. De beweging van inbellen naar breedband was een autonome ontwikkeling en zij heeft daardoor klanten verloren. Inbelklanten die in geschilperiode 1 breedband wilden, zijn overgestapt naar KPN of een kabelexploitant, aldus Tele2.
Het hof is – met KPN – van oordeel dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat Tele2 geen voordeel heeft genoten van de inbelklanten die zij in geschilperiode 1 is blijven bedienen. Het valt niet uit te sluiten dat een deel van deze inbelklanten in geschilperiode 1 was overgestapt naar ADSL van Tele2 (of een andere ADSL-aanbieder dan KPN) als Tele2 in die geschilperiode in de gelegenheid was geweest ADSL aan te bieden. Anders gezegd: het is denkbaar dat Tele2 zonder de normschending van KPN minder inbelklanten had gehad omdat meer mensen zouden hebben gekozen voor ADSL in plaats van voor inbellen. Het ligt op de weg van de deskundige om te bepalen in hoeverre hiervan sprake is geweest.
Tele2 heeft verder aangevoerd dat het in dit geval niet redelijk (in de zin van art. 6:100 BW) is om de door haar genoten voordelen in aftrek op de schadevergoeding te brengen. Tele2 neemt het standpunt in dat (a) toerekening van voordeel minder aangewezen is indien de aangesproken partij verwijtbaar heeft gehandeld, zoals bij KPN het geval is; (b) KPN door de normschending aanzienlijke voordelen heeft genoten en; (c) de eigen inspanningen van de bevoordeelde (Tele2) in dit geval moeten leiden tot afwijzing van beroep op voordeelstoerekening.
Waar het bij art. 6:100 BW op aankomt is om (1) vast te stellen of er een condicio sine que non verband bestaat tussen de normschending en het genoten voordeel en, zo ja, (2) of het redelijk is het door Tele2 genoten voordeel toe te rekenen aan de normschending van KPN. Het gaat hier vooral om de vraag in hoeverre een (mogelijk) door Tele2 genoten voordeel kan worden toegerekend aan de normschending. KPN heeft daarover gesteld dat de voordelen zodanig rechtstreeks uit de normschending voortvloeien, dat het onredelijk zou zijn deze niet mee te nemen in de schadeberekening. Het hof houdt de beslissing hierover aan, mede omdat er nog onvoldoende bekend is over de aard en omvang van de voordelen die Tele2 heeft genoten. De rechtbank zal te zijner tijd een oordeel moeten vellen over de vraag in hoeverre toerekening van de voordelen redelijk is.
Ter zake van de schadebeperking/voordeelstoerekening komt het vorenstaande op het volgende neer:
- Het hof is oordeel dat nader onderzoek door een deskundige moet plaatsvinden naar het financiële voordeel dat Tele2 ter zake van de van de Mxstreaminkomsten heeft genoten (rov. 4.5.2).
- Aan de deskundige moet worden voorgelegd in hoeverre Tele2 voordeel heeft genoten van de inbelklanten die zij in geschilperiode 1 is blijven bedienen (rov. 4.5.4)
- De rechtbank zal te zijner tijd een oordeel moeten vellen over de vraag in hoeverre toerekening van de door Tele2 genoten voordelen redelijk is (rov. 4.5.6).
5. Geschilperiode 2
Het hof heeft in rov. 5.22 van het tussenarrest overwogen dat het in de periode vanaf 1 september 2001 geregeld is voorgekomen dat KPN orders van Tele2 lang heeft laten liggen. In de periode 1 september 2001 - 1 april 2002 golden er evenwel geen contractuele termijnen voor het afhandelen van orders. Het is dan ook niet zonder meer gegeven dat het hanteren van lange(re) termijnen dan Tele2 zou wensen, wanprestatie oplevert. Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. Verder heeft het hof in het tussenarrest geoordeeld dat KPN onrechtmatig heeft gehandeld door te verzuimen tijdig een referentieaanbod te publiceren. Hiervoor in rov. 3.7.7 heeft het hof nader gespecificeerd dat het onrechtmatig handelen er niet in zit dat KPN in het geheel geen referentieaanbod heeft gepubliceerd, maar dat het referentieaanbod geen normen bevatte ter zake van termijnen, niveaus van dienstverlening en boetes voor laattijdigheid. In rov. 5.27 van het tussenarrest is het hof tot de slotsom gekomen dat KPN onrechtmatig heeft gehandeld jegens Tele2, tegen welke achtergrond het onvoldoende voortvarend afhandelen van de orders van Tele2 mogelijk onrechtmatig is en mogelijk ook een toerekenbare tekortkoming vormt. Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich ook hierover uit te laten.
In het verlengde hiervan heeft het hof in rov. 5.47 en 5.48 van het tussenarrest het volgende overwogen. Tele2 heeft haar vordering ter zake van geschilperiode 2 gebaseerd op het ‘brede verwijt’ dat door de vele gebreken in het leverproces feitelijk geen afneembaar aanbod voor gedeelde toegang bestond. Het hof heeft dit brede verwijt echter verworpen en heeft geoordeeld dat Tele2 ter zake van geschilperiode 2 alleen aanspraak kan maken op schadevergoeding met betrekking tot deelverwijt (b) over de periode 1 september 2001 tot 1 april 2002. Het hof heeft Tele2 de gelegenheid gegeven nader toe te lichten en te onderbouwen (i) dat zij als gevolg van het niet voortvarend afhandelen van orders schade heeft geleden en (ii) wat de omvang van die schade is. Het hof heeft partijen verder in overweging gegeven om op dit punt aansluiting te zoeken bij de in de SLA ordering & levering overeengekomen (boete)regeling.
Tele2 heeft naar aanleiding van het oordeel van het hof in rov. 5.24 van het tussenarrest dat in de periode vanaf september 2001 aan Tele2 geen gedeelde toegang is verstrekt op transparante, billijke en niet discriminerende voorwaarden, het volgende aangevoerd. Tele2 moest het vanaf september 2001 doen met de dienst die KPN feitelijk verkoos te leveren, zonder dat Tele2 bepaalde minimum prestatieniveaus kon afdwingen. Het gevolg hiervan is geweest dat de levering door KPN zodanig gebrekkig was dat Tele2 niet kon overgaan tot een grootschalige uitrol van een eigen breedbanddienst op retailniveau. Zij kon immers haar klanten niet beloven dat aansluitingen snel geleverd zouden worden of dat problemen voortvarend zouden worden opgelost. KPN kon in deze periode echter zonder enige belemmering klanten blijven werven; voor haar bestonden deze onzekerheden niet.
Tele2 heeft verder aangevoerd dat het in de rede ligt om voor de inhoud van de (ongeschreven) contractuele verplichtingen in de periode september 2000 – april 2001 aansluiting te zoeken bij andere overeenkomsten. Dat er in deze periode geen contractuele termijnen, niveaus van dienstverlening en vergoedingen voor laattijdigheid bestonden, kan niet aan Tele2 worden tegen geworpen. KPN heeft lange tijd niet voldaan aan haar verplichting om een referentieaanbod te publiceren waarin deze punten zouden zijn vastgelegd. Meer in het bijzonder is Tele2 van mening dat voor de inhoud van de contractuele verplichtingen in de periode 1 september 2001 – 1 april 2002 aansluiting wordt gezocht bij de SLA ordening & levering.
Volgens Tele2 is hier sprake van een zekere vervlechting van wettelijke en contractuele normen: omdat KPN niet voldeed aan haar verplichting om referentieaanbod te publiceren (dat aan alle eisen voldeed), vond de levering van gedeelde toegang per 1 september 2001 plaats op basis van een “uitgeklede” overeenkomst, waarin termijnen, niveaus en boetes ontbraken. Het is aan KPN te wijten dat die voorwaarden niet tijdig konden worden vastgelegd en dat het contract op dit punt een leemte bevat. Met de totstandkoming van de SLA ordering & levering is aan deze situatie een einde gekomen en moest KPN haar eigen prestaties gaan herijken. Vóór 1 april 2002 is KPN echter ernstig en structureel tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen. Zo heeft Tele2 met cijfers gedocumenteerd dat in de periode tussen 1 september 2001 en 1 september 2002 44% van de geplaatste orders niet hebben geleid tot een werkende aansluiting.
KPN heeft aangevoerd dat de Verordening geen antwoord geeft op de vraag of de orders op een voldoende voortvarende wijze zijn afgehandeld. De Verordening bevat immers geen kwantificering van de in het referentieaanbod op te nemen normen en biedt daarom geen grondslag voor een oordeel over de vraag of KPN de orders van Tele2 genoegzaam heeft afgehandeld. KPN bestrijdt verder dat de wijze waarop zij de orders van Tele2 heeft afgehandeld, feitelijk is bepaald of beïnvloed door het feit dat er pas in 2002 overeenstemming is bereikt over de exacte normen en boetes.
KPN bestrijdt ook de visie van Tele2 dat er sprake is van een vervlechting van wettelijke en contractuele verplichtingen, waardoor moet worden aangenomen dat KPN is tekortgeschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen door het niet tijdig publiceren van een referentieaanbod. De enige wettelijke normen waaraan kan worden getoetst zijn de eis van non-discriminatie en de eis van billijkheid. KPN is van mening dat Tele2 niet heeft hard gemaakt dat aan deze eisen niet is voldaan.
KPN is het eens met het standpunt van Tele2 dat in de periode 1 september 2001 tot 1 april 2002 sprake is van een contractuele relatie. De contractuele verplichtingen over en weer moeten volgens KPN worden ingevuld aan de hand van de beschikbare feiten, de bedoelingen van partijen en de redelijke verwachtingen over en weer. KPN is het ook met Tele2 eens dat de inhoud van de contractuele relatie op indirecte wijze moet worden vastgesteld en dat het in de rede ligt om daarvoor aansluiting te zoeken bij de inhoud van belendende contracten. KPN is van mening dat dit meebrengt dat de exoneratieclausule die is opgenomen in de Raamovereenkomst van 2000, de Pilotovereenkomst van 27 april en de Raamovereenkomst van 2002 ook in de periode 1 september 2001 tot 1 april 2001 zou moeten gelden. Voor de in de SLA ordering & levering opgenomen prestatieniveaus en -termijnen en bijbehorende boetes geldt dit volgens KPN niet. Over dergelijke zaken kon op 1 september 2001 nog geen overeenstemming bestaan, omdat KPN nu eenmaal tijd nodig had om een organisatie met de benodigde capaciteit op te bouwen om tijdig aan die normen te doen; het gaat hier (kort gezegd) om complexe materie. KPN was daarbij bovendien mede afhankelijk van de kwaliteit van de prestaties van Tele2.
Het hof overweegt als volgt. In de periode 1 september 2001 – 1 april 2002 bestond er tussen partijen een contractuele relatie die inhield dat KPN tegen betaling door Tele2 gedeelde toegang aan Tele2 verstrekte. De precieze verplichtingen over en weer zijn naderhand neergelegd in de SLA ordering & levering. Daarin staat, onder meer en voor zover hier van belang, dat KPN op straffe van een boete binnen bepaalde termijnen de door Tele2 verstrekte orders moest afhandelen. Voor zover Tele2 erover klaagt dat KPN in de periode ná 1 april 2002 de orders te traag afhandelde, bestaat er dus een contractueel kader waarbinnen een dergelijke klacht kan worden beoordeeld en afgehandeld. Voor de periode 1 september 2001 – 1 april 2002 ontbreekt echter een dergelijk contractueel kader.
Het feit dat partijen geen specifieke afspraken hebben gemaakt over door de KPN na te leven termijnen en serviceniveaus, betekent nog niet dat op dit punt voor KPN geen verplichtingen gelden. De contractuele verhouding tussen KPN en Tele2 wordt gekenmerkt door een tamelijk strak wettelijk kader waarbinnen KPN verplicht was is te contracteren met iedere aanbieder die een redelijk verzoek om gedeelde toegang deed. Met het oog daarop was KPN verplicht een referentieaanbod te publiceren waarin zij onder meer moest neerleggen tegen welke voorwaarden zij de gedeelde toegang kon leveren, daaronder begrepen de termijnen, serviceniveaus een bijbehorende boetes. KPN had dit referentieaanbod uiterlijk op 31 december 2000 moeten publiceren, maar heeft dit, als gezegd, nagelaten. Het hof heeft vastgesteld dat dit onrechtmatig is.
Als gevolg van het onrechtmatig handelen van KPN bestond er op 1 september 2001 geen referentieaanbod waarin de termijnen, serviceniveaus en bijbehorende boetes waren gepubliceerd. Dit heeft ertoe geleid dat Tele2 met KPN heeft gecontracteerd zonder dat er op dit punt duidelijke en afdwingbare afspraken waren gemaakt. Tele2 heeft noodgedwongen genoegen moeten nemen met een contract zonder termijnen, serviceniveaus en bijbehorende boetes. De omstandigheid dat – naar KPN stelt – het uiterst complex was om haar organisatie klaar te stomen voor het leveren van gedeelde toegang van andere marktpartijen, maakt dat niet anders. Het komt – gezien de wettelijke verplichting van KPN op dit punt – voor haar rekening dat er per 1 september 2001 een contract moest worden gesloten zonder dat daarin de precieze verplichtingen van KPN waren vastgelegd.
Het hof is om die reden van oordeel dat het contract gedurende de periode 1 september 2001 – 1 april 2002 een leemte bevatte, omdat het contract als gevolg van het ontbreken van een adequaat referentieaanbod geen afdwingbare verplichtingen voor KPN kende om te voldoen aan bepaalde service levels. Uit de eisen van redelijkheid en billijkheid vloeit voort dat deze leemte moet worden opgevuld door aansluiting te zoeken bij de desbetreffende KPI’s uit de SLA ordening & levering en het bijbehorende boeteregime. Daarbij betrekt het hof nog het volgende. KPN heeft weliswaar aangevoerd dat zij niet bereid zou zijn geweest om zich al op 1 september 2001 te committeren aan de service niveaus uit de SLA ordering & levering, maar het hof gaat aan die stelling voorbij. Op KPN rustte al sinds 1999 (na de inwerkingtreding van de Telecommunicatiewet) de verplichting om te voldoen aan een redelijk verzoek om gedeelde toegang en zij was er in ieder geval al sinds medio 2000 van op de hoogte dat Tele2 gedeelde toegang wenste. Tegen die achtergrond heeft KPN onvoldoende concreet toegelicht waarom het voor haar niet mogelijk zou zijn geweest om per 1 september 2001 te voldoen aan concrete service levels, zoals op in 2002 vastgelegd in de SLA ordering & levering.
Tot slot heeft KPN nog aangevoerd dat Tele2 onvoldoende concreet heeft toegelicht dat KPN in de periode 1 september 2001 tot 1 april 2002 niet heeft voldaan aan de KPI’s uit de SLA ordering & levering. Tele2 voert wel aan dat orders wekenlang bleven liggen, maar daarmee is nog niet gezegd dat, en hoe vaak, de termijnen uit de SLA ordering & levering werden overschreden, aldus KPN.
De inhoud van de verplichtingen van KPN moet – zoveel als redelijkerwijs mogelijk – worden vastgesteld aan de hand van de in de SLA opgenomen service levels. Ook de omvang van de door KPN te betalen boetes moet – zoveel als redelijkerwijs mogelijk – worden vastgesteld aan de hand van de SLA ordering & levering. Echter, er zal ook moeten worden nagegaan in hoeverre Tele2 de orders op een voor KPN bruikbare wijze heeft aangeleverd. Op dit moment valt niet te zeggen in hoeverre Tele2 aan die verplichting heeft voldaan. Denkbaar is dat ook op het punt van de wijze van aanlevering van orders aansluiting wordt gezocht bij de SLA ordering & levering, maar uitsluitend voor zover Tele2 redelijkerwijs daarop bedacht kon zijn.
Het hof is van oordeel het op de weg van Tele2 ligt om te concretiseren welke overtredingen van de KPI’s in de periode 1 september 2001 tot 1 april 2002 hebben plaatsgevonden en welke boete op grond daarvan is verschuldigd. Hierop kan KPN vervolgens reageren. Denkbaar is dat ook over deze kwestie vragen aan de deskundige moeten worden gesteld.
De vraag of KPN naast de boetes nog (meer) schadevergoeding verschuldigd is, beantwoord het hof vooralsnog ontkennend, reeds omdat Tele2 onvoldoende concreet heeft aangevoerd waarom zij verwacht dat haar schade hoger is dan het (nog vast te stellen) bedrag aan boetes.
6. Slotsom
Het hof komt tot de volgende slotsom. In het dictum van het tussenvonnis van 1 februari 2017 is bepaald dat de zaak naar de rol zal worden verwezen met het oog op het voornemen van de rechtbank om deskundigen te benoemen. Omdat ook het hof van oordeel is dat deskundige voorlichting over de hoogte van de schade noodzakelijk is, zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd.
Echter, het hof heeft op een aantal punten andere beslissingen genomen dan de rechtbank. Dit heeft tot gevolg dat partijen (met name Tele2) nog aanvullende informatie moeten verstrekken en dat de vraagstelling aan de deskundige moet worden aangepast. De door de rechtbank in rov. 4.41 geformuleerde vragen zijn niet langer zonder meer bruikbaar.
Wat betreft de vraagstelling heeft het hof in rov. 4.59 vragen geformuleerd ter zake van de periode 1 juli 2000 – 1 september 2001 (geschilperiode 1). Ook in dit arrest zijn vraagpunten geformuleerd (rov. 4.2.5, 4.3.6, 4.4.17, 4.5.7) Een en ander komt erop neer dat aan de deskundige (in ieder geval) de volgende vragen zouden moeten worden voorgelegd (waarbij geldt dat over de precieze formulering uiteraard nog van gedachten gewisseld kan worden):
De markt
a. In hoeverre zou er sprake zijn geweest van een versnelde groeimarkt indien KPN niet onrechtmatig zou hebben gehandeld?
b. In hoeverre zou het aandeel van de ADSL-markt zijn gestegen ten opzichte van het aandeel in de kabelmarkt indien KPN niet onrechtmatig zou hebben gehandeld?
Misgelopen marktaandeel van Tele2
c. Welk marktaandeel zou Tele2 op aldus vastgestelde ADSL markt hebben gehad, indien KPN niet onrechtmatig zou hebben gehandeld?
d. Heeft Tele2 ‘extra schade’ geleden door het discriminatoir handelen van KPN omdat KPN winst heeft kunnen genereren als gevolg van het feit dat inbelklanten van Tele2 zijn overgestapt naar MxStream van KPN?
Misgelopen marge / bespaarde kosten / levensduur klantrelatie
e. In hoeverre liggen de door Tele2 gestelde abonnementsprijzen voor 2000 en 2001 in lijn met de door haar in werkelijkheid berekende abonnementsprijzen in de periode vanaf 2002?
f. Wat is de omvang per klant van de volgende kostenposten: (1) lijnkosten (huur), (2) klantenservice, (3) dubieuze debiteuren; (4) arbeidskosten voor processen, systemen en onderhoud, (5) onderhoudskosten voor poorten, (6) kosten voor IP-voorzieningen, (7) de kosten voor collocatieruimte, (8) de kosten van stroomverbruik en – mogelijk (afhankelijk van de uitkomst van het debat daarover) (9) de eenmalige kosten.
g. Wat zou in de jaren 2000-2002 de gemiddelde levensduur van een klantrelatie van Tele2 zijn geweest?
Met het oog op de beantwoording van vraag e, dient Tele2 dient informatie over haar abonnementsprijzen in de jaren 2002 en volgende in het geding te brengen. Ter zake van de eenmalige kosten (vraag f, onderdeel (9)), wordt Tele2 in de gelegenheid gesteld te reageren op de stellingen van KPN, waarna beslist moet worden of de (bespaarde) eenmalige kosten in aftrek moeten komen op de marge.
Schade met betrekking tot de inkomsten van Tele2 uit Zon
h. Welke fee Zon zou in geschilperiode 1 ter zake van de ADSL-dienstverlening aan Tele2 hebben betaald, indien KPN niet onrechtmatig zou hebben gehandeld?
i. Welke kosten zou Tele2 ter zake van haar dienstverlening aan Zon voor Tele2 hebben gemaakt, indien KPN niet onrechtmatig zou hebben gehandeld?
Met het oog op de beantwoording van vraag i dient Tele2 nog te reageren op de stelling van KPN dat uit de cijfers die Tele2 na het tussenarrest heeft verstrekt blijkt dat Zons omzet (dat wil zeggen: de abonnementsprijs) per lijn per maand in 2001 € 11,72 bedroeg en in 2002 € 13,16 (exclusief btw) en hoe deze abonnementsprijzen zich verhouden tot de eerder genoemde abonnementsprijs van € 29,41 (exclusief) per lijn per maand, genoemd in productie 74.
Genoten voordelen
j. Welk financieel voordeel heeft Tele2 ter zake van de van de Mxstreaminkomsten genoten?
k. In hoeverre Tele2 voordeel heeft genoten van de inbelklanten die zij in geschilperiode 1 is blijven bedienen?
Wat betreft geschilperiode 2 is het hof van oordeel het op de weg van Tele2 ligt om te concretiseren welke overtredingen van de KPI’s in de periode 1 september 2001 tot 1 april 2002 hebben plaatsgevonden en welke boete op grond daarvan is verschuldigd. Hierop kan KPN vervolgens reageren. Denkbaar is dat ook over deze kwestie vragen aan de deskundige moeten worden gesteld.
Het hof zal de zaak terugwijzen naar de rechtbank. Tele2 heeft het hof weliswaar verzocht om de zaak aan zich te houden, maar KPN heeft te kennen gegeven daar niet mee in te stemmen. Bij die stand van zaken is er geen grond om de zaak bij het hof te houden.
Gelet op de aard en omvang van de zaak en het desbetreffende verzoek van Tele2, zal het hof cassatieberoep openstellen.
Nu beide partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de kosten van het hoger beroep compenseren.
7. Beslissing
Het hof:
- bekrachtigt het bestreden vonnis;
- compenseert de proceskosten, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam ter verdere behandeling en afdoening;
- stelt cassatieberoep open.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, B.J. Lenselink en B.R. ter Haar en is ondertekend en uitgesproken door J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer ter openbare terechtzitting van 6 juli 2021 in aanwezigheid van de griffier.