ECLI:NL:GHDHA:2021:2073

ECLI:NL:GHDHA:2021:2073, Gerechtshof Den Haag, 21-10-2021, BK-21/00124 t/m BK-21/00130

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 21-10-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer BK-21/00124 t/m BK-21/00130
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Herziening
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2022:1452
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830

Samenvatting

Art. 8:119 AWB Verzoek om herziening van uitspraken van 2 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1269 en 1270, afgewezen. Niet voldaan aan de vereisten voor herziening.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Uitspraak van 21 oktober 2021

[X] te [Z] , verzoeker,

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-21/00124 tot en met BK-21/00130

op het verzoek van;

om herziening van de uitspraken van dit Hof van 2 mei 2017, BK-15/00890 tot en met BK-15/00896, in het geding tussen:

verzoeker

en

(vertegenwoordiger: […] )

Procesverloop

Aan verzoeker zijn voor de jaren 2004 tot en met 2007 (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen alsmede voor de jaren 2004 en 2005 navorderingsaanslagen in de Ziekenfondswet zelfstandigen en voor de jaren 2006 en 2007 (navordering)aanslagen Zorgverzekeringswet opgelegd en zijn ten aanzien van verzoeker verliesvaststellingsbeschikkingen, verliesverrekeningsbeschikkingen, beschikkingen heffingsrente en beschikkingen niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek (pga) genomen.

Verzoeker heeft tegen deze belastingaanslagen en beschikkingen bezwaar, beroep en hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft op 2 mei 2017, nummers BK-15/00890, BK-15/00891, BK-15/00892 en BK-15/00893, ECLI:NL:GHDHA:2017:1269 en BK-15/00894, BK-15/00895 en BK-15/00896, ECLI:NL:GHDHA:2017:1270 uitspraken gedaan (de uitspraken). Verzoeker heeft tegen de uitspraken beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arresten van 23 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:408 en ECLI:NL:HR:2018:409, met toepassing van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie de beroepen in cassatie ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft bij het Hof een verzoek om herziening van de in 1.2 genoemde uitspraken van het Hof ingediend. In verband daarmee is door de griffier griffierecht geheven van € 123. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is gezamenlijk behandeld met het herzieningsverzoek van [A] , nummers BK-21/00118 tot en met BK-21/00123. Het Hof heeft van verzoeker op 24 augustus 2021 nadere stukken ontvangen. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 9 september 2021. Partijen zijn verschenen. Verzoeker heeft een pleitnota overgelegd. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.

Omschrijving verzoek en conclusies van partijen

Verzoeker verzoekt om herziening van de uitspraken.

Het verzoek strekt tot vernietiging van de uitspraken van het Hof, de uitspraken van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar en, naar het Hof begrijpt, tot het alsnog volgen van de door verzoeker over de jaren 2004 tot en met 2007 ingediende aangiften, met dienovereenkomstige aanpassing dan wel vernietiging van de in 1.1 genoemde belastingaanslagen en beschikkingen, alsmede tot toekenning van een schadevergoeding.

De Inspecteur concludeert tot afwijzing van het verzoek.

Beoordeling van het herzieningsverzoek

Uitgangspunten

Verzoeker heeft om herziening van de uitspraken verzocht in zijn aanvullende hogerberoepschrift, bij het Hof binnengekomen op 8 mei 2020, BK-20/00418 tot en met BK-20/00425, betreffende hem over de jaren 2008 tot en met 2010 opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, voor het jaar 2011 genomen verliesbeschikking, diverse andere beschikkingen en de voor het jaar 2012 aangekondigde afwijking van de aangifte IB/PVV. Tijdens de zitting van 26 januari 2021 in die procedure heeft hij het herzieningsverzoek bevestigd. Het Hof heeft in onderdeel 5.7.5 van de uitspraak in bedoelde procedure van 9 maart 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:546, meegedeeld dat het Hof het verzoek om herziening van de uitspraken in een afzonderlijke procedure in behandeling zal nemen. Het Hof heeft het aanvullende hogerberoepschrift ontvangen op 8 mei 2020, zodat het herzieningsverzoek op die datum is ingediend.

Artikel 8:119, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt:

“De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.”

Anders dan verzoeker kennelijk veronderstelt, is artikel 8:119 Awb ook van toepassing op bij het gerechtshof ingediende herzieningsverzoeken. Uit de tekst van artikel 8:119, lid 1, Awb volgt dat een verzoek om herziening alleen kan slagen indien gelijktijdig aan de drie genoemde voorwaarden is voldaan. Onder feiten en omstandigheden zoals in dat artikel bedoeld, kunnen alleen die feiten en omstandigheden worden begrepen die objectief bestonden voordat de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd onherroepelijk is geworden. Bovendien is blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling de mogelijkheid van herziening uitdrukkelijk niet bedoeld om een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen (CRvB 13 januari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS3516). De mogelijkheden voor een succesvol gebruik van dit middel zijn daarmee beperkt (MvT, Kamerstukken II, Awb II, p. 515).

Het Hof zal aan de hand van de door verzoeker op 24 augustus 2021 overgelegde stukken nagaan of is voldaan aan de hiervoor onder 3.2 en 3.3 vermelde vereisten.

Vof [B]

Het verzoek om herziening van de uitspraken betreft onder meer het daarin gegeven oordeel dat “Vof [B] ” geen onderneming vormt. De door verzoeker in dat verband overgelegde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 12 mei 2021, 201908963/1/R3 (bijlage B van de nadere stukken) dateert van na de uitspraken die zijn gedaan in 2017. In zoverre is dus geen sprake van een feit dat heeft plaatsgevonden vóór de uitspraken uit 2017 waarvan herziening wordt verzocht. De in de uitspraak van de ABRvS opgenomen feiten dateren ook van na de datum van de uitspraken. Verder valt niet in te zien hoe deze uitspraak van de ABRvS, ware zij het Hof eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak had kunnen leiden. Aan de voorwaarden van artikel 8:119, lid 1, onderdeel a en c, Awb is dus niet voldaan.

Familielening

Het herzieningsverzoek ziet voorts op het in de uitspraken gegeven oordeel over de “familielening”. Verzoeker heeft in dat verband stukken (bijlagen C en D van de nadere stukken) overgelegd die als bewijs moeten dienen dat sprake is geweest van een familielening, waarbij de kinderen hem en [A] kapitaal hebben geleend voor de aanschaf van een eigen woning.

Bijlage C betreft een brief van 2 april 2019 van [C] (de accountant) over een in opdracht van verzoeker en [A] door de accountant ingesteld onderzoek naar tegoeden van bankrekeningen op naam van de kinderen en de opname van deze tegoeden. Het Hof stelt vast dat de accountant een overzicht heeft samengesteld van de mutaties van de bankrekeningen aan de hand van door verzoeker en [A] overgelegde informatie, te weten bankafschriften uit de jaren 1989 tot en met 2003. Er is bij het overzicht dus niet uitgegaan van ‘nieuwe’ feiten of omstandigheden, zodat het overzicht niet als novum in de zin van artikel 8:119, lid 1, onderdeel b, Awb kan gelden.

Bijlage D bevat een brief van [D] Notarissen van 21 januari 2011, met als bijlagen een door verzoeker opgemaakte “verklaring lening” van 30 juni 1998, een door verzoeker, [A] en hun kinderen ondertekende en op 31 december 2010 door de Belastingdienst ingeschreven verklaring, en een bijlage bij de aangifte IB/PVV 2001 van [A] . Ook ten aanzien van bijlage D geldt dat deze feiten of omstandigheden betreft die verzoeker vóór de uitspraken bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn.

Effectenportefeuille

Voor zover het verzoek het in de uitspraken gegeven oordeel over de effectenportefeuille betreft, constateert het Hof dat de door verzoeker overgelegde stukken (bijlage E bij de nadere stukken) dateren uit 1998. Het gaat derhalve ook hier om feiten of omstandigheden die verzoeker vóór de uitspraken bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn, zodat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 8:119, lid 1, onderdeel b, Awb.

Overige stukken

De door verzoeker overgelegde stukken bevatten verder een beschrijving van het verloop van de procedure van destijds (bijlage A van de nadere stukken), een uiteenzetting over de vermogensetikettering van de woning in [woonplaats] (bijlage F) en een beschrijving van de oorsprong en het verloop van de “familielening” (bijlage 7). Deze dateren van na de uitspraken. Bovendien kunnen deze niet worden aangemerkt als omstandigheden van feitelijke aard, terwijl alleen dergelijke omstandigheden als grondslag voor herziening kunnen dienen.

De stukken over de afwikkeling van de aangifte 2001 van [A] (bijlagen F-1 en G), de stukken uit de administratie van kantoor [E] en de zakelijke en privé-bankafschriften die in twee dozen zijn overgelegd, betreffen feiten en omstandigheden die verzoeker vóór de uitspraken al bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn (artikel 8:119, lid 1, onderdeel b, Awb). Overigens heeft het Hof, naar verzoeker ter zitting ook heeft verklaard, thans als nadere stukken een kopie ontvangen van dezelfde stukken uit de administratie van kantoor [E] en van dezelfde zakelijke en privé-bankafschriften als waarvan tijdens de procedure die heeft geleid tot de uitspraken, kopieën door het Hof in depot zijn genomen. Het Hof had ten tijde van de uitspraken dus reeds de beschikking over de in depot genomen stukken en was met de inhoud daarvan bekend. Het verzoek voldoet derhalve in zoverre evenmin aan de voorwaarde van artikel 8:119, lid 1, onderdeel c, Awb.

Verzoeker heeft niet duidelijk gemaakt welke invloed de e-mailberichten, waaruit blijkt dat [A] in 2019 vergeefs heeft getracht bankafschriften aan de Inspecteur te zenden (bijlage H van de nadere stukken), hadden kunnen hebben op de uitspraken waarvan herziening wordt verzocht. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 8:119, lid 1, onderdeel c, Awb. Het Hof wijst het verzoek ook in zoverre af.

De door verzoeker overgelegde stukken bevatten ook voor het overige geen feiten of omstandigheden die tot herziening kunnen leiden.

Voor zover verzoeker ten slotte erover klaagt dat de Inspecteur in de procedure die heeft geleid tot de uitspraken, niet de op de zaak betrekking hebbende stukken uit de administratie van verzoeker en [A] heeft overgelegd, overweegt het Hof als volgt. Verzoeker heeft daarover reeds geklaagd in de procedure die heeft geleid tot de uitspraken, en het Hof heeft daarover oordelen gegeven (zie r.o. 6.5.6 en 6.5.9 in de uitspraak ECLI:GHDHA:2017:1269 en r.o. 7.24.6. en 7.24.9. in de uitspraak ECLI:GHDHA:2017:1270), welke oordelen onherroepelijk vaststaan. Het verzoek om herziening bevat geen feiten of omstandigheden die tot herziening van die oordelen kunnen leiden.

Vergoeding van (im)materiële schade c.a.

Het Hof heeft in de uitspraken geen vergoeding van immateriële schade wegens een te lange duur van de procedure toegekend, omdat de termijn van twee jaar die voor behandeling van het hoger beroep als redelijk geldt, niet is overschreden. Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die tot herziening van dat oordeel zouden kunnen leiden. Hetzelfde geldt voor het oordeel over de vergoeding van de dwangsom, de proceskosten en de griffierechten.

Voor zover verzoeker om een hernieuwde beoordeling vraagt van het destijds aan overige schade gevorderde, zijn evenmin feiten of omstandigheden gesteld die tot herziening van dat oordeel zouden kunnen leiden.

Verder verzoekt verzoeker om een hoger bedrag aan immateriëleschadevergoeding dan het hem eerder toegekende bedrag van € 10.000. Daaromtrent geldt het volgende. Het Hof heeft bij afzonderlijke uitspraak van 25 juni 2019, BK-19/00064 tot en met BK-19/00081, BK-18/00941 BK-18/00942, ECLI:NL:GHDHA:2019:1932 het oordeel van de Rechtbank bevestigd waarbij de Inspecteur en de Staat zijn veroordeeld tot betaling van een immateriëleschadevergoeding wegens de lange duur van de procedure in respectievelijk bezwaar en beroep aan verzoeker van elk € 5.000. Voor zover verzoeker herziening verzoekt van die uitspraak dient hij daarvoor een afzonderlijk verzoek in te dienen. Het Hof kan daarover thans geen oordeel geven en het Hof zal dat verzoek dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

Uitspraak 9 maart 2021

Voor zover verzoeker vraagt om herziening van de uitspraken van 9 maart 2021, nummers BK-20/00418 tot en met BK-20/00425, ECLI:NL:GHDHA:2021:546, geldt dat, zoals reeds ter zitting is besproken, deze uitspraken nog niet onherroepelijk vaststaan, omdat het cassatieberoep daartegen nog aanhangig is bij de Hoge Raad. In zoverre is het verzoek eveneens niet-ontvankelijk.

Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

Het Gerechtshof:

- verklaart de verzoeken voor zover deze zijn gericht tegen de uitspraken ECLI:NL:GHDHA:2019:1932 en ECLI:NL:GHDHA:2021:3546 niet-ontvankelijk; en

- wijst het verzoek voor het overige af.

Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, H.A.J. Kroon en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema. De beslissing is op 21 oktober 2021 in het openbaar uitgesproken. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2021110521 FutD 2021-3426
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?