GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling civiel recht
zaaknummer : 200.277.843/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 19-2607
zaaknummer rechtbank : C/10/570730
beschikking van de meervoudige kamer van 6 januari 2021
inzake
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. E.B. Doganer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
beschermingsbewindvoerder [naam bewindvoeringskantoor] te [plaats] ,
hierna: de beschermingsbewindvoerder,
advocaat mr. E.M.F. Prickartz te Schiedam.
Beslissing op verzoek ex artikel 31 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Het hof heeft in voormelde zaak op 25 november 2020 een beschikking gegeven.
Het hof heeft kennis genomen van het verzoek van de advocaat van [geïntimeerde] , mr. E.M.F. Prickartz, bij brief van 27 november 2020, ingekomen bij het hof op 30 november 2020, tot verbetering van voornoemde beschikking.
Mr. E.M.F. Prickartz, verzoekt het hof om een herstelbeschikking, omdat in voornoemde beschikking onder rechtsoverweging 5.6 vermeld staat dat voor de ingangsdatum van de kinderalimentatie uitgegaan zal worden van de datum van de bestreden beschikking, zijnde 6 februari 2020, terwijl in het dictum is aangegeven dat als ingangsdatum de datum van de beschikking van het hof, zijnde 25 november 2020 als uitgangspunt zal worden genomen. Volgens mr. E.M.F. Pickartz dient in het dictum te worden vermeld dat de ingangsdatum van de kinderalimentatie de datum van de bestreden beschikking is.
Mr. E.B. Doganer is in de gelegenheid gesteld hier op te reageren. Dit is gebeurd bij faxbericht van 17 december 2020. De man betwist uitdrukkelijk dat in de beschikking van 25 november 2020 sprake is van een kennelijke verschrijving danwel fout, welke zich voor eenvoudig herstel leent en waarvan op de voet van de artikel 31 of 32 Rv een verbetering van de afgegeven beschikking kan worden verzocht. In dit verband betwist de man dat het hof in het dictum van de beschikking per abuis is uitgegaan van 25 november 2020 in plaats van de datum van de bestreden beschikking, zijnde 6 februari 2020.
De man verzoekt het hof om het verzoek van de vrouw tot afgifte van een herstelbeschikking af te wijzen.
Beoordeling
Op grond van artikel 31 Rv verbetert de rechter op een verzoek van een partij dan wel ambtshalve kennelijke rekenfouten, schrijffouten of andere kennelijke fouten die zich voor eenvoudig herstel lenen. Daarvan is naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval sprake. Het hof is van oordeel dat sprake is van een fout die voor partijen en derden kenbaar was en die zich voor eenvoudig herstel leent.
Het hof zal daarom ook het verzoek tot verbetering van hetgeen onder rechtsoverweging 5.6 is overwogen toewijzen, met dien verstande dat de ingangsdatum van de kinderalimentatie zoals in de laatste volzin van overweging 5.6 en in het dictum vermeld de datum van de beschikking van het hof zal zijn, derhalve 25 november 2020. Het verzoek tot verbetering van hetgeen in het dictum is opgenomen zal het hof afwijzen.
Beslissing
Het hof, in hoger beroep:
verbetert voormelde fout in de op 25 november 2020 in deze zaak uitgesproken beschikking, in die zin dat in rechtsoverweging 5.6 niet de bestreden beschikking met datum 6 februari 2020 wordt bedoeld, maar de beschikking van het hof met datum 25 november 2020;
in rechtsoverweging 5.6 komt de zin:
‘Het hof is alles overziend van oordeel dat er geen aanleiding bestaat de door de man te betalen kinderalimentatie eerder in te laten gaan dan de datum van de bestreden beschikking.’
als volgt te luiden:
Het hof is alles overziend van oordeel dat er geen aanleiding bestaat de door de man te betalen kinderalimentatie eerder in te laten gaan dan de datum van deze beschikking van het hof, zijnde 25 november 2020;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.M. Braun, A.N. Labohm en L. van der Geld, bijgestaan door mr. N. Metalsi als griffier, en is op 6 januari 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.