Aantekening mondeling arrest
als bedoeld in artikel 425, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2020, gegeven naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, alsmede naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van heden.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 7 maart 2020 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een auto, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan
[slachtoffer],
heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 maart 2020 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een goed, te weten een auto heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen,
terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed
betrof.
Beoordeling van het vonnis
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 7 maart 2020 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen ander, althans alleen,
een auto, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) die toebehoorde, te weten aan [slachtoffer], heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het
bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 7 maart 2020 van de politie eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2020072915-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:
als de op 7 maart 2020 afgelegde verklaring van
[slachtoffer]:
Ik ben de eigenaar van een Peugeot 206, blauw van kleur met kentekennummer: [kenteken].
Op 7 maart 2020, omstreeks 18.30 uur, kwam ik aan op het Sandelingplein in Rotterdam bij een supermarkt. Er was geen parkeerplek waardoor ik mijn auto voor de supermarkt waar ik moest zijn parkeerde. Ik liet de sleutels in het contact van mijn auto omdat ik weer snel terug zou zijn. Mijn auto stond dus niet op slot. Toen ik rond 18.45 uur, terugkeerde naar mijn auto zag ik dat deze er
niet meer stond. Hierop heb ik meteen de politie gebeld.
2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 maart 2020 van de politie eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2020072915-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Op 7 maart 2020, omstreeks 18:45 uur hoorden wij via de portofoon het bericht om uit te kijken naar een blauwe Peugeot 206, voorzien van het kenteken
[kenteken]. Dit voertuig was enkele minuten geleden gestolen.
Omstreeks 18:50 uur, reden wij vanuit de Mijnsherenlaan het Zuidplein op, naar de Strevelseweg. Op de Strevelseweg zagen wij een blauwe Peugeot 206 rijden. Bij de verkeerslichten met de kruising Strevelseweg / Motorstraat zag ik, Hulleman, dat het voertuig voorzien was van het kenteken [kenteken]. Dit was het kenteken die eerder door de medewerker van het operationeel centrum was doorgegeven als zijnde gestolen.
De bestuurder bleek te zijn:
- [medeverdachte], [geboortedatum] -
De bijrijder bleek te zijn:
- [verdachte], [geboortedatum] -
3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 8 maart 2020 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2020072915-12. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -
als de op 8 maart 2020 afgelegde verklaring van de verdachte:
Ik was met die vriend een uur naar de coffeeshop aan het zoeken. Die donkere man heb ik
gisteren pas leren kennen. Ik vroeg hem de weg naar de coffeeshop. Ik heb de auto niet bestuurd en het was niet mijn idee.
Nadere bewijsoverweging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat niet is vast te stellen of de verdachte het oogmerk heeft gehad om de auto zich wederrechtelijk toe te eigenen. Voorts heeft de raadsman betwist dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte, meneer [medeverdachte]. Daarnaast heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven dat hij een black-out had, omdat hij onder invloed van marihuana en alcohol was.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Op 7 maart 2020 is de verdachte samen met de medeverdachte aangetroffen in een personenauto die enkele minuten eerder was ontvreemd. Uit het dossier is niet gebleken dat de verdachte dermate onder invloed van verdovende middelen was dat kan worden gesproken van een comateuze toestand. Het hof acht deze verklaring van de verdachte dan ook ongeloofwaardig.
Voorts stelt het hof op basis van het dossier vast dat de verdachte samen met de medeverdachte naar een coffeeshop is geweest en blijkbaar in staat was om voldoende met de medeverdachte te communiceren. De verdachte is bij de medeverdachte in de auto gestapt waarbij het voor de verdachte voldoende duidelijk had moeten zijn dat de auto – die de medeverdachte bestuurde – niet van de medeverdachte was. De verdachte moet hebben kunnen waarnemen dat de sleutel nog in het contact zat op het moment dat zij de auto benaderden en dat niet aannemelijk is dat zijn medeverdachte de eigenaar van de auto was. Dit wordt ondersteund door de door de verdachte bij de politie afgelegde verklaring: “Het was niet mijn idee”.
Aldus blijkt naar zijn uiterlijke verschijningsvorm reeds opzet op het medeplegen van de diefstal en kan het feit wettig en overtuigend worden bewezen. Het verweer wordt dan ook verworpen.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een hinderlijk feit, namelijk diefstal van een auto. Aldus heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van een ander. De omstandigheid dat de aangever de auto niet op slot heeft gedaan, rechtvaardigt geenszins de diefstal van de auto door de verdachte.
Uit een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 februari 2021, blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van een misdrijf hier te lande is veroordeeld.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat de door de politierechter opgelegde straf, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, een passende en geboden reactie vormt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit rechtens geldt dan wel gold.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezen verklaarde.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel
27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
De voorzitter deelt mede, dat de verdachte uiterlijk veertien dagen na heden beroep in cassatie kan instellen.
Dit proces-verbaal is door de voorzitter en de griffier vastgesteld en ondertekend.