GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer: 200.258.339/01
Zaaknummer rechtbank: C/10/542561/HA ZA 18-31
arrest van 6 april 2021
inzake
Aon Hewitt Nederland c.v.,
gevestigd te Rotterdam,
appellante,
nader te noemen: Aon,
advocaat: mr. L.A.J. Kuijpers te Rotterdam,
tegen:
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
nader te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: mr. S.F.H. Jellinghaus te Tilburg.
Het geding
Bij tussenarrest van 17 november 2020 is een comparitie van partijen gelast, die op 12 maart 2021 heeft plaatsgevonden. Van deze comparitie van partijen is een proces-verbaal gemaakt. Partijen hebben om arrest gevraagd.
Beoordeling van het hoger beroep
1. In het tussenarrest is een aantal vragen gesteld. Deze vragen zijn tijdens de comparitie van partijen aan de orde geweest. Het gaat om vragen over informatievoorziening (r.o. 7) en causaal verband (r.o. 16).
Informatievoorziening
2. De vraag is gesteld door welke informatie [geïntimeerde] zich bij het aangaan van de (eerste) polis 2534814 en/of tweede polis heeft laten leiden, dan wel welke verwachtingen hij had over de werkwijze van het product. Dit is door [geïntimeerde] niet nader toegelicht.
3. Verder is gevraagd om duidelijke conclusies te verbinden aan de stelling dat [geïntimeerde] niet was geïnformeerd over de eerste kosten en de provisie voor de tussenpersoon. Volgens [geïntimeerde] zou hij, indien hij daarover was geïnformeerd, niet hebben ingestemd met de waardeoverdracht. Het niet-informeren is naar zijn mening een schending van de zorgplicht. Het hof verwerpt deze stelling van om de volgende redenen.
4. Er was bij de waardeoverdracht en het sluiten van de polis geen verplichting van Aon om [geïntimeerde] te informeren over de provisie en/of de omvang daarvan. Op dit punt is van belang dat de provisie onder het regime van art. 13 van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf (Wabb) uitsluitend een kwestie was tussen verzekeraar en assurantietussenpersoon. Deze partijen kwamen met elkaar een provisie overeen als beloning voor de door de assurantietussenpersoon verleende bemiddeling. De verzekerde, zoals in dit geval [geïntimeerde], stond daar buiten. Dat dit niet informeren over de provisie door Aon desondanks wel een schending van de zorgplicht was is niet voldoende onderbouwd. Op dit punt is het volgende van belang.
De stelling dat de provisie ‘verboden’ was en de relevantie daarvan voor de gestelde informatieplicht zijn niet uitgewerkt.
Dat er een niet gangbare provisie van 9% zou zijn gerekend is door Aon weersproken, onder meer aan de hand van de door [geïntimeerde] zelf overgelegde producties 21 en 22. Uit deze producties volgt dat er een afsluitprovisie van 5% is bedongen. Dit laatste is door [geïntimeerde] niet voldoende betwist.
5. Destijds was er evenmin een verplichting van Aon om [geïntimeerde] te informeren over de eerste kosten die de verzekeraar bij hem in rekening zou brengen. Dat was uitsluitend een kwestie tussen Delta Loyd en [geïntimeerde]. Ook op dit punt is de schending van de zorgplicht onvoldoende door [geïntimeerde] onderbouwd.
6. Uit het voorgaande volgt dat Aon vanwege schending van een informatieplicht op het punt van provisie en kosten niet aansprakelijk is.
7. Voor zover [geïntimeerde] zich in verband met dit aan Aon verweten niet-informeren (ook) beroept op dwaling faalt het. Er is namelijk niet voldaan aan de voorwaarde dat Aon hem had “behoren in te lichten” (art. 6:228 lid 1 onder b BW).
Causaal verband
8. Als gezegd is het wel een schending van de zorgplicht dat Aon niet heeft gewezen op het risico van een dalende rente, maar het feit dat Aon er niet op heeft gewezen dat het een groot en serieus risico was dat de rekenrente op het moment van de aankoop van de pensioenuitkering lager zou kunnen zijn dan de 5% die in het voorstel van Aon staat, is geen schending van de zorgplicht (r.o. 12 van het tussenarrest).
9. Of Aon schadeplichtig is jegens [geïntimeerde], hangt ervan af welke keuze [geïntimeerde] zou hebben gemaakt indien hij meer inzicht had gehad in de invloed van een dalende rekenrente op de hoogte van het door hem aan te kopen pensioen. Wanneer hij bij een toereikende informatieverstrekking de pensioenverzekering ook was aangegaan, heeft hij geen schade geleden als gevolg van de gebrekkige informatievoorziening en daarmee onjuiste advisering (r.o. 13 van het tussenarrest).
10. Naar het oordeel van het hof is er geen causaal verband tussen de schending van de zorgplicht en de gestelde schade komen vast te staan. De redenen voor dit oordeel zijn de volgende.
Aon heeft op basis van een rekenrente van 5% geadviseerd. Dit was een gangbare en realistische wijze van adviseren (r.o. 11 van het tussenarrest). Indien Aon de rol van rente in de advisering zou hebben betrokken, zou zij – zo heeft zij gesteld – scenario’s hebben geschetst op basis van rentes tussen de 4% en 6% omdat een verdergaande bandbreedte destijds niet als realistisch werd gezien. Dit is door [geïntimeerde] niet gemotiveerd weersproken.
De invloed van de rekenrente voor het pensioen is in beeld gebracht in de akte van Aon, onder 32. Bij een rekenrente tussen 4% en 6% zou het (uiteindelijke) gegarandeerde kapitaal van € 363.702,-- (uitgaande van de indertijd gehanteerde overlevingstafel 1999) een ouderdomspensioen opleveren van ten minste € 23.508,-- per jaar en ten hoogste van € 28.440,-- per jaar. Dit minimum is meer dan het bedrag van € 23.351,98 dat in de offerte van 7 mei 1999 voor het garantiekapitaal in het vooruitzicht is gesteld (zie r.o. 1.3 van het tussenarrest). Dat laatste bedrag, althans het risico dat het ouderdomspensioen daarop zou kunnen uitkomen, is destijds door [geïntimeerde] geaccepteerd door de offerte te aanvaarden.
Bij deze stand van zaken heeft [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd dat hij bij het naleven van de zorgplicht op het punt van de rekenrente de pensioenverzekering niet in deze vorm zou zijn aangegaan.
11. Hieruit volgt dat niet kan worden vastgesteld dat [geïntimeerde] de gestelde schade als gevolg van de schending van de zorgplicht door Aon heeft geleden.
Slotsom
12. Het hoger beroep slaagt en het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De vorderingen van [geïntimeerde] zullen alsnog worden afgewezen. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties, te vermeerderen met wettelijke rente en met de nakosten. Het arrest zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zoals gevorderd.
Beslissing
Het hof:
- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam, Team handel en haven van 2 januari 2019;
en opnieuw rechtdoende:
Dit arrest is gewezen door mrs. R.S. van Coevorden, C.A. Joustra en F.R. Salomons en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer mr. J.E.H.M. Pinckaers, op 6 april 2021 in aanwezigheid van de griffier.