GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.281.618/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/529878 / HA ZA 17-629
arrest van 15 juni 2021
inzake
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. A.P. Macro te Amsterdam,
tegen
Stichting Staedion,
gevestigd te Den Haag,
geïntimeerde,
hierna te noemen: Staedion,
advocaat: mr. C.J.J.C. Arnouts te Amsterdam.
Het geding
Voor het verloop van het geding verwijst het hof naar het arrest van 3 november 2020 in het incident tot afgifte van, althans inzage in, de Raamovereenkomst en de Beëindigingsovereenkomst. In dat arrest is de inzagevordering afgewezen.
[appellant] heeft daarna op 12 januari 2021 een memorie van grieven met producties genomen. Staedion heeft op 23 maart 2021 daarop gereageerd met een memorie van antwoord met producties. In die memorie van antwoord heeft Staedion het hof onder meer verzocht [appellant] te bevelen zekerheid te stellen voor de proceskosten, zoals bepaald in artikel 224 Rv, omdat [appellant] geen vaste woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
Bij conclusie in het incident van 20 april 2021 heeft [appellant] op deze vordering gereageerd.
Ten slotte is arrest in het incident bepaald.
Beoordeling van de vordering tot zekerheidstelling
Op grond van het bepaalde in artikel 224 lid 1 Rv zijn diegenen die geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland hebben en die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen, verplicht op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden. De daartoe strekkende vordering van de wederpartij kan in iedere stand van het geding worden ingesteld.
Nu [appellant] , naar hij zelf ook stelt, in [woonplaats] woont, is aan de voorwaarden die artikel 224 lid 1 Rv stelt, voldaan. [appellant] voert niet aan dat hij ondanks zijn woonplaats in [woonplaats], (wel) een gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Dat zich een of meer van de in het tweede lid van artikel 224 Rv bedoelde uitzonderingen voordoet of voordoen is gesteld noch gebleken.
[appellant] stelt dat artikel 224 Rv vooral bescherming biedt aan wederpartijen van buitenlandse eisers met een vordering die weinig kans van slagen heeft, zodat de bepaling niet op hem van toepassing zou zijn. De eis dat een vordering weinig kans van slagen heeft volgt echter niet uit de wet. Die eis kan ook niet worden gesteld omdat het incident tot zekerheidstelling vooraf gaat aan de beoordeling van de vordering in de hoofdzaak.
De vordering tot zekerheidstelling voor de proceskosten is dan ook toewijsbaar. Staedion heeft die vordering niet begroot en heeft ook niet aangegeven op welke wijze de zekerheidstelling volgens haar moet plaatsvinden. [appellant] heeft voorgesteld dat hij de proceskosten stort op de derdenrekening van zijn advocaat. Het hof acht dat een praktische werkwijze die Staedion voldoende zekerheid biedt.
De proceskosten waarvoor zekerheid moet worden gesteld zijn te begroten op € 5.517,- aan griffierecht en € 5.705,- (tarief VIII) per punt van het liquidatietarief. Het hof gaat vooralsnog uit van één punt (memorie van antwoord), omdat partijen nog niet hebben aangegeven hun zaak te willen bepleiten op een mondelinge behandeling.
In totaal komt het bedrag daarmee uit op € 11.222,-. [appellant] wordt veroordeeld dit bedrag binnen 28 dagen na de datum van dit arrest te storten op de rekening van de Stichting Beheer Derdengelden van mr. Macro te Amsterdam en mr. Macro, althans diegenen die over het saldo op de rekening van de Stichting Beheer Derdengelden kunnen beschikken, onvoorwaardelijk op te dragen dit geld aan Staedion af te dragen indien en zodra door het hof een ten uitvoer te leggen aanspraak van Staedion op deze proceskosten is vastgesteld.
De kosten van dit incident worden begroot op nihil, zodat een kostenveroordeling in dit incident achterwege blijft.
Beslissing
Het hof:
Dit arrest is gewezen door mrs. J.J. van der Helm, H.J.M. Burg en R.M. Hermans en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juni 2021 in aanwezigheid van de griffier.