ECLI:NL:GHDHA:2022:1266

ECLI:NL:GHDHA:2022:1266, Gerechtshof Den Haag, 07-06-2022, 2200083821

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 07-06-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 2200083821
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 5 zaken
Aangehaald door 2 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0006622 BWBR0038936

Samenvatting

‘Onderzoek’ in de zin van artikel 8 WVW en de waarborgen neergelegd in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, en de voorschriften die betrekking hebben op het bewaren en het vervoeren van het afgenomen bloedmonster in verband met bloedonderzoek. Verzending ‘zo spoedig mogelijk’ als bedoeld in artikel 13, eerste lid onder d van genoemd Besluit? Doorwerking van HR 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:568.

Uitspraak

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2021 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 14 november 2019 te Gorinchem een voertuig, te weten een snorfiets heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 510 microgram amfetamine per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 16 uren subsidiair 8 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Juridisch kader artikel 13 Besluit

Om tot een bewezenverklaring te komen van een feit waarin de tenlastelegging is toegesneden op artikel 8 lid 5 Wegenverkeerswet moet onder meer kunnen worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een ‘onderzoek’ als bedoeld in dat artikel. Van een dergelijk onderzoek is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd (vgl HR 16 februari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AD6952). Deze waarborgen worden ook wel aangeduid als de strikte waarborgen.

Tot die waarborgen behoren onder meer het voorschrift van artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit), dat ertoe strekt dat na de bloedafname het buisje of de buisjes met bloed zo spoedig mogelijk naar een voor het bloedonderzoek geaccrediteerd laboratorium als bedoeld in artikel 14 lid 2 Besluit wordt of worden gezonden, en de voorschriften die betrekking hebben op het bewaren en het vervoeren van het afgenomen bloedmonster in verband met het uitvoeren van het bloedonderzoek (zie HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1684).

De wijze waarop het bloedmonster direct na de afname van bloed en tijdens het transport naar het laboratorium wordt bewaard en de consequenties van die bewaarwijze voor de frequentie waarmee verzending mogelijk is, zijn relevante omstandigheden bij de beantwoording van de vraag of de verzending van het buisje of de buisjes bloed ‘zo spoedig mogelijk’ heeft plaatsgevonden. Het genoemde voorschrift dat na de bloedafname het buisje of de buisjes met bloed zo spoedig mogelijk naar een voor het bloedonderzoek geaccrediteerd laboratorium wordt of worden gezonden, strekt immers ertoe dat het risico op (gedeeltelijke) afbraak van alcohol, drugs of medicijnen na de bloedafname wordt geminimaliseerd. Als de rechter – aan de hand van de inhoud van het strafdossier of het verhandelde ter terechtzitting – vaststelt dat dit risico zo goed als afwezig is gelet op de wijze van bewaren op het politiebureau en van vervoer naar het laboratorium, staat de enkele omstandigheid dat het bloedmonster niet direct na de bloedafname is vervoerd naar het laboratorium, niet in de weg aan het oordeel dat de verzending ‘zo spoedig mogelijk’ heeft plaatsgevonden.

Daartoe is van belang dat de rechter concrete vaststellingen doet over de wijze waarop het bloed is bewaard na de afname daarvan en tijdens het transport naar het laboratorium (zie HR 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:568).

Beoordeling artikel 13 Besluit

Op grond van het proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 7 februari 2020 constateert het hof dat het bloed op 14 november 2019 bij de verdachte is afgenomen. Vervolgens is blijkens het ‘Rapport drugs in het verkeer’ het bloedmonster op 2 december 2019 door het MaasstadLab ontvangen. Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat het bloedmonster na 17 dagen door het MaasstadLab is ontvangen.

Naar oordeel van het hof kan dit tijdsverloop niet worden aangemerkt als ‘zo spoedig mogelijk’, als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder d van het Besluit. Het hof oordeelt dan ook dat niet aan de betreffende waarborg is voldaan. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in de onderhavige zaak geen concrete vaststellingen kunnen worden gedaan over de wijze waarop het bloed is bewaard na de afname daarvan en tijdens het transport naar het laboratorium, terwijl dat blijkens het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 12 april 2022 wel noodzakelijk is. De brief van dr. C.M. Boone van het NFI d.d. 26 maart 2021 en het proces-verbaal van hoofdinspecteur P. Broer d.d. 3 december 2020, die alleen algemene informatie inhouden over de nieuwe werkwijze met betrekking tot het bewaren en vervoeren van de bloedblokken, zijn daarvoor in de onderhavige zaak dus onvoldoende.

Hetgeen de advocaat-generaal subsidiair heeft gesteld, namelijk dat ten aanzien van artikel 13 lid 1 van het Besluit sprake zou zijn van een ‘indirecte strikte waarborg’ vindt naar het oordeel van het hof geen steun in het recht. Nu het voorschrift onderdeel uitmaakt van het stelsel van strikte waarborgen, dient het resultaat van het verrichte bloedonderzoek van het bewijs te worden uitgesloten. Zonder ‘een onderzoek’ als bedoeld in artikel 8, vijfde lid WVW kan niet worden bewezen dat de verdachte onder invloed van verdovende middelen een personenauto heeft bestuurd.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Vordering tenuitvoerlegging

Het Openbaar Ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Oost-Brabant van 7 september 2018 opgelegde voorwaardelijke straf.

Nu verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde zal die vordering worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Rotterdam van 16 december 2020, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 7 september 2018, parketnummer 02-123652-18, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden en voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden.

Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Wiersinga,

mr. K.I. de Jong en mr. W.S. Korteling, in bijzijn van de griffier mr. E.G. Ouwens.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 juni 2022.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. H

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJFS 2022/194
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?