Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 maart 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([land]) op
[geboortedatum] 1975,
brp-adres: [verblijfadres] te [verblijfplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden - het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Dit gerechtshof heeft bij arrest van 13 februari 2019 het vonnis waarvan beroep vernietigd en de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest.
Tegen dit arrest is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 2 juni 2020 de bestreden uitspraak vernietigd en de zaak teruggewezen naar dit gerechtshof opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - tenlastegelegd dat:
hij in de periode van 23 tot en met 28 juni 2017 te
's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen 250 kilo, althans een grote hoeveelheid cocaïne, en/of het vervoeren van die voormelde hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, als volgt heeft gehandeld
- verdachte en/of zijn mededader(s) heeft/hebben contact gezocht met een persoon, bekend als '[bijnaam 1]', die over een grote hoeveelheid van 1000 kilo cocaïne kon beschikken en/of met deze persoon heeft/hebben onderhandeld over de aankoop van de 250 kilo cocaïne, en/of
- verdachte en/of zijn mededader(s) heeft/hebben contact gezocht met een of meer tussenperso(o)n(en), te weten pseudodienstverlener(s) [nummer 1] en/of [nummer 2], en heeft/hebben met een van hen een ontmoeting georganiseerd met het doel om geld te tonen, en/of
- verdachte en/of zijn mededader(s) heeft/hebben contact gezocht met een of meer personen in Nederland over het verkopen van gedeelten van die grote hoeveelheid cocaïne en/of verdelen van opbrengsten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in de periode van 23 tot en met 28 juni 2017 te
’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren, verkopen, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 250 kilo, althans een grote hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- zich en/of een ander heeft getracht daartoe gelegenheid en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte met dit doel de contactgegevens van een leverancier van cocaïne uit Colombia gezocht en/of verkregen en/of
- een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s)
met dit doel contact gezocht en/of gehad met een persoon, bekend als ‘[bijnaam 1]’, die over een grote hoeveelheid van 1000 kilo cocaïne kon beschikken en/of
onderhandeld met deze persoon over de aankoop van een hoeveelheid van 1000 kilo cocaïne en/of enkele dagen over de aankoop van een deel daarvan, te weten een hoeveelheid van 250 kilo cocaïne en/of
contact gezocht en/of gehad met een of meer tussenperso(o)n(en), te weten pseudodienstverlener(s) [nummer 1] en/of [nummer 2] en een ontmoeting met pseudodienstverlener [nummer 2] georganiseerd met het doel om geld te tonen en/of
contact gezocht en/of gehad met een of meer personen in Nederland over het verkopen van gedeelten van die grote hoeveelheid cocaïne en/of het verdelen van de opbrengsten van die verkoop en/of het verzamelen van het geld benodigd voor de aankoop van de cocaïne.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en ter zake van het subsidiair tenlastegelegde – rekening houdend met het tijdsverloop - zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan
– overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en het standpunt van de raadsman van de verdachte - behoort te worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 23 tot en met 28 juni 2017 te
’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren, verkopen, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 250 kilo, althans een grote hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- zich en/of een ander heeft getracht daartoe gelegenheid en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte met dit doel de contactgegevens van een leverancier van cocaïne uit Colombia gezocht en/of verkregen en/of
- een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s)
met dit doel contact gezocht en/of gehad met een persoon, bekend als ‘[bijnaam 1]’, die over een grote hoeveelheid van 1000 kilo cocaïne kon beschikken en/of
onderhandeld met deze persoon over de aankoop van een hoeveelheid van 1000 kilo cocaïne en/of enkele dagen over de aankoop van een deel daarvan, te weten een hoeveelheid van 250 kilo cocaïne en/of
contact gezocht en/of gehad met een of meer tussenperso(o)n(en), te weten pseudodienstverlener(s) [nummer 1] en/of [nummer 2] en een ontmoeting met pseudodienstverlener [nummer 2] georganiseerd met het doel om geld te tonen en/of
contact gezocht en/of gehad met een of meer personen in Nederland over het verkopen van gedeelten van die grote hoeveelheid cocaïne en/of het verdelen van de opbrengsten van die verkoop en/of het verzamelen van het geld benodigd voor de aankoop van de cocaïne.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het subsidiair bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
1. Een proces-verbaal van bevindingen van de Landelijke Eenheid d.d. 29 juni 2017, nr. 170629.1000 (als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van voorgeleiding verdachten bij de rechter-commissaris). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 28 e.v.):
als relaas van politiële pseudodienstverleners [nummer 1] en [nummer 2]:
Op donderdag 22 juni 2017 kreeg ik, verbalisant [nummer 1], de beschikking over een mobiele telefoon voorzien van het nummer [telefoonnummer 1]. Ik kreeg daarbij de opdracht om contact op te nemen met de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2]. Ik, verbalisant [nummer 2], kreeg opdracht om het contact van verbalisant [nummer 1] over te nemen en contact op te nemen met de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2]. Het telefonisch contact resulteerde in een afspraak op 23 juni 2017 in een woning op het adres [adres] te ’s-Gravenhage. Ik arriveerde op 23 juni 2017 bij de woning. Ik ontmoette op straat een persoon die zich aan mij voorstelde als [verdachte]. Hij bleek de gebruiker te zijn van telefoonnummer [telefoonnummer 2]. [verdachte] nam mij mee naar een woning op de [adres], waar ik binnen werd gelaten door een man die zich voorstelde met de naam gelijkend op “[broer verdachte]”. [verdachte] noemde “[broer verdachte]” zijn broer. Het gesprek werd van zakelijke aard nadat [verdachte] een telefoongesprek had gevoerd in de Spaanse taal met naar zijn zeggen “[bijnaam 1]”. [verdachte] zei tegen mij dat er een partij binnen zou komen van 1000 die verdeeld was in 250, 500 en 500. [verdachte] zei dat de eerste lading van 250 kilo een test was aangezien het de eerste keer was dat men zaken deed met deze partijen. [broer verdachte] gaf aan dat het geld inmiddels geregeld was en ik dit later te zien zou krijgen. [verdachte] zei dat er maandag echt “gespeeld” zou worden. [verdachte] vertelde dat het geld getransporteerd was en dit hem 13 procent had gekost. Hij vervolgde met het feit dat er maandag werd aangetoond dat zij voor de 250 kilo die binnen zou komen kredietwaardig waren. [broer verdachte] zei dat maandag het geld er zou zijn en wij samen gingen tellen, de geldtelmachine was aanwezig en na mijn goedkeuren zou het tot de overdracht gaan komen. We kwamen overeen dat ik 26 juni de twee mannen opnieuw zou ontmoeten voor het tonen van een hoeveelheid geld. [verdachte] vertelde mij dat hij mij niet meer ging bellen met zijn privénummer maar een prepaid nummer had waar contact met mij zou opnemen.
Op 26 juni 2017 had ik telefonisch contact met [verdachte] waarin hij aangaf dat de afspraak niet door kon gaan die dag. Het telefonisch contact resulteerde in de afspraak voor 28 juni 2017.
Op 28 juni 2017 arriveerde ik bij de woning aan de [adres] te ’s-Gravenhage. Ik werd binnengelaten door [broer verdachte]. [broer verdachte] vertelde mij dat het geld in de buurt was maar er nog wat contact gelegd moest worden voor het er zou zijn. Ik zag dat [verdachte] een aantal WhatsApp berichten binnenkreeg. [verdachte] las de berichten en startte een WhatsApp gesprek met de contactnaam “[bijnaam 2]” wat in het scherm stond. Ik herkende de stem als dezelfde stem als in het telefoongesprek met [verdachte] op 23 juni 2017. Dit gesprek werd wederom in de Spaanse taal gevoerd. [verdachte] gaf toen na dit gesprek aan dat deze persoon “[bijnaam 2]” was. Na dit gesprek zei [verdachte] dat hij er inmiddels “hoofdpijn” van had aangezien zaken niet goed liepen. [verdachte] vertelde mij dat men aan de andere kant nerveus werd aangezien zij moesten oppassen voor de politie, militairen en de Guerilla’s die een gevaar op konden leveren voor de 1200 coke die daar op zee lag voor de kust.
[broer verdachte] zei dat er een nummertje geregeld werd en vervolgens na het telefoontje ik het geld kon zien, er een foto van kon maken en ik het verlossende belletje kon doen en het dan geregeld was. Ik deed het voorstel aan [broer verdachte] om te vertrekken en ik terug zou komen na een belletje van hem of [verdachte], dat het geregeld was. Omstreeks 17:20 uur verliet ik de woning.
2. Een proces-verbaal van identificatie [identificatienaam] d.d. 27 juni 2017, nr. [identificatienummer 1] (als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van voorgeleiding verdachten bij de rechter-commissaris). Dit proces-verbaal onder meer in – zakelijk weergegeven (blz. 75 e.v.):als relaas van opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1]:Op 25 juni 2017 werd genoemde opsporingsambtenaar gebeld door de gebruiker van de telefoonaansluiting [telefoonnummer 3]. Even hierna belde de opsporingsambtenaar naar genoemde telefoonaansluiting en kreeg dezelfde man aan de lijn die ook gebruik maakt van het nummer [telefoonnummer 2] (NN-7226).De opsporingsambtenaar (6617) concludeerde door stemherkenning dat de gebruiker van de telefoonnummers [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 2] (NN-7226) dezelfde persoon is.
3. Een geschrift, zijnde een transcript van een tapgesprek d.d. 27 juni 2017 (als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van voorgeleiding verdachten bij de rechter-commissaris). Dit geschrift houder onder meer in – zakelijke weergegeven – (p. 21):Beller: [telefoonnummer 3]Datum: 27-06-2017Gebelde: [telefoonnummer 1]6617: Ik zit op jou belletje te wachten6617: Vanaf hoe laat morgen?6039: ik denk het wordt vroeg.6039: rond twee uur kan je?6617: Ja, dan weet ik zeker dat ik terug ben.6039: Dat is geen probleem, want dat regel ik wel6617: Ja, dus we houden het op twee uur?6039: Om twee uur, ja. Wij houden om twee uur!
4. Een proces-verbaal van bevindingen van de Landelijke Eenheid d.d. 26 juni 2017, met nr. 170626.1300 (als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van voorgeleiding verdachten bij de rechter-commissaris). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven (blz. 23 e.v.):
als relaas van opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2]:
Er werden mij twee foto’s ter beschikking gesteld met het verzoek deze te tonen aan pseudodienstverlener [nummer 2]. Ik toonde de foto’s aan pseudodienstverlener [nummer 2]. Ik hoorde dat hij bij het tonen van de eerste foto zei: “Ik herken op deze foto duidelijk de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] en die zich “[verdachte]” noemde”. Bij het tonen van de andere foto hoorde ik dat hij zei: “Ik herken deze foto van de andere man tijdens mijn ontmoeting in de woning, die “broer” werd genoemd.”.
De eerste foto die ik toonde bleek van [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ([land]) op 5 mei 1975. De tweede foto die ik toonde bleek van [medeverdachte].
5. Een proces-verbaal van voorgeleiding verdachten bij de raadkamer d.d. 7 juli 2017, met nr. [identificatienummer 2]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in
– zakelijk weergegeven – :
als relaas van opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 3]:
Tijdens de doorzoeking in de woning [adres] te ’s-Gravenhage werd een briefje met berekeningen aangetroffen. Op het briefje staat links bovenaan vermeld “groep miklo” en “625”. Rechts bovenaan staat vermeld “[bijnaam 1]” en “625”.
Tijdens de doorzoeking in perceel [adres] te ’s-Gravenhage werd een geldtelmachine aangetroffen.
6. De eigen waarneming van het hof. Het hof heeft op de op pagina 12 weergegeven afbeelding (als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van voorgeleiding verdachten bij de raadkamer) waargenomen - zakelijk weergegeven - :Op het afgebeelde briefje staat de berekening “625 x 55 = 3.437.500” vermeld.
7. Een geschrift, zijnde een uitwerking van een tapgesprek d.d. 27 juni 2017 te 1:06:21 uur (als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van voorgeleiding verdachten bij de raadkamer). Het houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (p. 4 e.v.):Beller: [telefoonnummer 2]Gebelde: [telefoonnummer 4]
Datum: 27-06-2017
NN7226=NN1
NN8634=NN2
NN1: Er moet iemand zijn die de boel belazert, want in opdracht van jou worden er 1250 getransporteerd, snap je? En wat wilden ze hier? Dat er één uit werd gehaald, dat er een foto van gemaakt werd en dat die verstuurd werd. En ik zei: “Wat?!”. NN2: Maar zij doen dat niet.NN1: Dat is gekkenwerk. Daarna wilden ze dat er een video van gemaakt zou worden. Dus ik ben er naartoe gegaan om die mensen flink de waarheid te vertellen. Ik was in Arnhem, ik ben daar heen geweest. Daarna zijn we naar Nijmegen gegaan naar die andere groep. Het lijkt erop dat ze het nu begrepen hebben. Want er is een Nederlander die bij hen hoort die Nederlander was behoorlijk opgefokt. Hij heeft ze ook flink toegesproken. Dus nu gaat het morgen van start.
8. Een proces-verbaal verhoor verdachte inbewaringstelling, van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag, d.d. 30 juni 2017 (als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal voorgeleiding verdachten bij de raadkamer). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (p. 46 e.v.):als verklaring van de verdachte:Ik was in Colombia op vakantie. Ik werd opgevangen door een man die niet in het dossier voorkomt. Die man heeft een andere man gestuurd. Ik heb die man benaderd om te vragen of hij wist wie er drugs kon leveren. Ik heb bemiddeld. Ik zou daar ongeveer € 153.000,- voor krijgen.
U vraagt waarom ik in die woning aan de [adres] was. [medeverdachte] is er ook bij betrokken. Hij is ook een bemiddelaar. Hij wist wie het geld zou hebben.
9. Een proces-verbaal van 2e hoor verdachte [identificatienaam] van de Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Recherche, met nr. [identificatienummer 3] (gevoegd als bijlage bij het proces-verbaal van voorgeleiding verdachten bij de raadkamer). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (p. 19 e.v.):als verklaring van de verdachte:V: Wat bedoel je met je opmerking “Ik ben opgevangen door een man die niet in het dossier voorkomt. Deze man heeft een andere man gestuurd.”A: Ik was daar in Colombia. Vorig jaar is één Colombiaan naar Nederland gekomen. Deze persoon ken ik als [persoon 1]. [persoon 1] heeft bij mij gezorgd dat het contact gelegd werd tussen mij en een Colombiaan, genaamd: [persoon 2]. [medeverdachte] vroeg aan mij, er is een persoon die 1000 kilo coke (het hof begrijpt: cocaïne) wil. Ik ben gaan kijken wat ik kon doen. Ik heb [persoon 2] uitgelegd wat er moest gebeuren. Ik heb regelmatig contact met hem gehad. Uiteindelijk begreep ik van [medeverdachte] dat de mensen genoegen namen met 250 kilo coke. De afspraak was 1000 kilo coke en drie dagen later was het nog 250 kilo coke. [medeverdachte] heeft de afnemers van coke in Nederland geregeld.
V: Wat bedoel je met je opmerking “ik zou voor de bemiddeling € 153.000,- krijgen”. Van wie zou je dit krijgen?A: Ik zou dit geld van de man uit Colombia krijgen, die ik ken onder naam [persoon 2]. Het bedrag ging over 1000 kilo coke.
V: Ben jij de gebruiker van het mobiele telefoonnummer: [telefoonnummer 2]?
A: Ja daar ben ik de gebruiker van.
V: Wie nemen er deel aan het tapgesprek d.d. 25 juni 2017 te 22:24 uur?A: Ik neem deel aan dit gesprek en een collega van jou. Hij heeft zich voorgesteld als [persoon 3] aan mij.
V: Ben jij de gebruiker van het mobiele telefoonnummer: [telefoonnummer 3]?A: Ja.
V: Wat bedoel je met “Regelen en dan moest ik alleen daar beneden doorgeven”?A: Ik moest de afspraak aan [persoon 2] in Colombia doorgeven, want [persoon 3] is de vertegenwoordiger van [persoon 2]. Zo kwam [persoon 3] in ieder geval over bij mij en bij [medeverdachte].
V: Wie is [bijnaam 1]?
A: Dat is [persoon 2].
Ik weet dat er een bedrag van 3.437.500 aan [persoon 3] getoond zou worden. Dat was de eerste afspraak van [medeverdachte] en mij naar [persoon 3] toe. Ik heb gehoord van [persoon 2] in Colombia dat de partij van 1000 kilo coke een waarde zou vertegenwoordigen van
€ 3.737.500. Dit heb ik dus doorgekregen van [persoon 2] en dit later met [medeverdachte] besproken.
Bewijsoverweging
Het hof is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte], de pseudodienstverlener en de afnemers in Nijmegen en Arnhem, het subsidiair bewezenverklaarde heeft begaan.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen door,
- zich of een ander trachten gelegenheid of inlichtingen te verschaffen tot het plegen van dat feit;
- anderen trachten te bewegen om dat feit te plegen of mede te plegen,
- anderen trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de voorbereiding en bevordering van de invoer binnen het grondgebied van Nederland van een grote hoeveelheid cocaïne en de verkoop daarvan. Het spreekt voor zich dat deze hoeveelheid cocaïne bestemd was voor de verdere handel, waarmee zeer grote sommen geld gemoeid zouden zijn. Nog afgezien van het feit dat cocaïne schadelijk is voor de volksgezondheid, gaat de handel in en het gebruik van cocaïne niet zelden gepaard met vele andersoortige vormen van criminaliteit. De verdachte heeft hiervoor kennelijk geen oog gehad en zich slechts door eigen financieel gewin laten leiden. Het voorbereiden en bevorderen van het binnen het Nederlandse grondgebied brengen van deze stof, in deze omvang zijn dan ook ernstige feiten waarop in beginsel slechts gereageerd kan worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.
10 juni 2022, waaruit blijkt dat de verdachte eerder, zij het geruime tijd geleden (laatstelijk in 2006) onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van misdrijven.
Voorts heeft het hof acht geslagen op het tijdsverloop in de onderhavige zaak en rekening gehouden met de omstandigheid dat het verblijf in detentie voor de verdachte, vanwege het feit dat hij in een rolstoel zit, zwaarder is geweest dan voor iemand zonder beperkingen. Het moet ook extra belastend voor hem zijn geweest dat hij hierdoor niet in aanmerking kwam voor detentiefasering.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur – welke de verdachte reeds heeft ondergaan in voorarrest -een passende en geboden reactie vormt.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 10a van de Opiumwet en de artikelen 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Rechtdoende na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. F.P. Geelhoed,
mr. H.C. Plugge en mr. H.C. Wiersinga, in bijzijn van de griffier mr. M.J.J. van den Broek.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2022.
mr. H.C. Plugge is buiten staat dit arrest te ondertekenen.