GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 31 augustus 2022
[X] te [Z] , belanghebbende,
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-21/01218
in het geding tussen:
(gemachtigde: J.M.L.G. de Jong)
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 8 november 2021, nummer ROT 20/4679.
Procesverloop
Bij beschikking van 28 februari 2018, op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), heeft de Heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak aan de [adres] te [woonplaats] (de onroerende zaak), op grond van artikel 22 van de Wet WOZ op waardepeildatum 1 januari 2017 (de waardepeildatum) voor het kalenderjaar 2018 vastgesteld op € 64.000 (de beschikking). Tegelijk met deze beschikking is de aanslag in de onroerendezaakbelastingen (ozb) van de gemeente Rotterdam voor het jaar 2018 (de aanslag) opgelegd.
Belanghebbende heeft een bezwaarschrift ingediend en vervolgens de Heffingsambtenaar op 2 januari 2019, wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar, in gebreke gesteld. Belanghebbende heeft op 27 februari 2019 beroep ingesteld bij de Rechtbank, die op 9 januari 2020 uitspraak heeft gedaan.
Bij uitspraak op bezwaar van 23 juli 2020 heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar gegrond verklaard, de waarde vastgesteld op € 10.000 en de aanslag ozb verminderd naar nihil. Voorts heeft de Heffingsambtenaar bij de uitspraak op bezwaar een proceskostenvergoeding toegekend van € 261 voor het bezwaarschrift en € 256,52 inclusief btw voor het taxatierapport.
Tegen de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht van € 48 geheven. Met dagtekening 5 augustus 2020 heeft de Heffingsambtenaar de aanslag ozb bij zogenoemde "Kennisgeving van vernietiging Gemeentelijke Heffingen” verminderd tot op nihil. De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 8 november 2021 ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht van € 134 geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend, dat wegens indiening daarvan buiten de gestelde termijn, is aangemerkt als nader stuk.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 18 augustus 2022. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Aan belanghebbende is een biljet met [vorderingsnummer] toegestuurd. Op het biljet staan de WOZ-beschikking, de aanslag ozb niet-woning en de aanslag rioolheffing niet-woning voor de onroerende zaak [adres] te [woonplaats] .
In het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift van 6 maart 2018 met [kenmerk] en met [vorderingsnummer] staat:
“Hierbij maken wij namens belanghebbende bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de [adres] , [postcode] [woonplaats]
De WOZ-waarde dient €10.000,- te zijn.
Het object heeft geen daglichttoetreding, geen installaties, geen wanden, plafonds en afwerkvloeren.
Wij verzoeken u:
1. Voordat u een beslissing op bezwaar neemt, ons te horen (indien u de waarde zoals genoemd in het taxatierapport niet zult overnemen);
2. Proceskosten te vergoeden, € 249,-”
In een aanvullend bezwaarschrift van dezelfde datum met [kenmerk 2] en [objectnummer] staat:
“Hierbij dienen wij de gronden van het bezwaar in tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de [adres] , [postcode] [woonplaats]
Wij verwijzen naar het bijgevoegde taxatierapport, de WOZ-waarde dient €10.000,- te zijn.
Het object heeft geen daglichttoetreding, geen installaties, geen wanden, plafonds en afwerkvloeren.
Wij verzoeken u:
1. Voordat u een beslissing op bezwaar neemt, ons te horen (indien u de waarde zoals genoemd in het taxatierapport niet zult overnemen);
2. Om kostenvergoeding van het taxatierapport, namelijk € 200,- exclusief BTW = € 242,- inclusief BTW.
3. Proceskosten te vergoeden, € 249,-”
Belanghebbende heeft de Heffingsambtenaar op 2 januari 2019 wegens het uitblijven van het doen van uitspraak op bezwaar in gebreke gesteld en vervolgens op 27 februari 2019 beroep ingesteld bij de Rechtbank, die op 9 januari 2020 uitspraak heeft gedaan. De beslissing van de Rechtbank luidt als volgt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 1.260,- is verschuldigd op grond van artikel 4:17 van de Awb;
bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- op grond van artikel 8:55d van de Awb;
bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 47,- vergoedt;
veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.572,- te betalen aan eiser.”
In de uitspraak op bezwaar van 23 juli 2020 heeft de Heffingsambtenaar de aanslag ozb verminderd tot nihil en de aanslag rioolheffing verminderd van € 198,20 naar € 39,60. Met dagtekening 5 augustus 2020 heeft de Heffingsambtenaar de aanslag ozb bij zogenoemde “Kennisgeving van vernietiging Gemeentelijke Heffingen” verminderd tot op nihil en de aanslag rioolheffing gehandhaafd op € 198,20.
Tegen de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank, die dit beroep bij uitspraak van 8 november 2021 ongegrond heeft verklaard.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“1. In geschil is of de aanslag met [vorderingsnummer] terecht is opgelegd.
Eiser voert in zijn aanvullend beroepschrift van 16 oktober 2020 aan dat de aanslag onterecht is opgelegd, verwijzend naar een document ‘Uitgifte en wijzigingen van adressen’ van 19 juli 2017, ambtshalve ondertekend door BAG-beheer [A] en bestandsbeheerder [B] .
De rechtbank oordeelt als volgt. Op 5 augustus 2020 is het deel van de aanslag die ziet op de onroerende-zaakbelasting door verweerder vernietigd. Nu de WOZ-beschikking is vernietigd heeft eiser hierbij geen procesbelang meer. Eiser is dus in zoverre niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen de WOZ-beschikking.
Eiser voert in zijn aanvullend gronden van 4 oktober 2021 aan dat de aanslag in zijn geheel dient te worden vernietigd. Voor eiser is het onduidelijk waarom de ‘Onroerendezaakbelasting eige naren Niet Woning’ wel is vernietigd en de ‘Rioolheffing Niet Woning’ niet is vernietigd. Eiser erkent dat weliswaar bezwaar is gemaakt tegen de WOZ-waarde maar wijst erop dat in het bezwaarschrift ook het vorderingsnummmer is vermeld van de aanslag. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bezwaar gericht was tegen de hoogte van de WOZ-waarde en niet tegen de rioolheffing.
De rechtbank oordeelt als volgt. Eiser heeft bij brief van 6 maart 2018 bezwaar gemaakt tegen de WOZ-waarde. Eiser heeft in het bezwaarschrift gesteld dat de waarde van de onroerende zaak € 10.000,- dient te zijn. Voorts heeft de eiser in het bezwaarschrift te kennen gegeven gehoord te willen worden indien verweerder de waarde genoemd in het taxatierapport niet overneemt. Het bezwaarschrift bevat geen enkele opmerking of verwijzing naar de rioolheffing. Daarnaast klaagt eiser in zijn beroepschrift van 16 oktober 2020 er niet over dat verweerder in het bestreden besluit heeft nagelaten in te gaan op zijn gestelde bezwaar tegen de rioolheffing. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag rioolheffing. Het beroep voor zover hiertegen gericht is daarom niet-ontvankelijk.
Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij bereid is ambtshalve de aanslag voor zover die betrekking heeft op de rioolheffing ook te vernietigen binnen een termijn van vier weken. De rechtbank vertrouwt erop dat dit zal gebeuren.
2. Eiser stelt dat hij onterecht niet is gehoord op zijn bezwaar. Verweerder stelt zich op het standpunt dat horen niet noodzakelijk was nu volledig aan het bezwaar tegemoet werd gekomen.
Op grond artikel 7:3, onderdeel e, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbende daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad. In de onderhavige zaak is verweerder in het bestreden besluit volledig tegemoet gekomen aan liet bezwaar van eiser. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat eiser in zijn bezwaarschrift te kennen heeft gegeven gehoord te willen worden indien verweerder de waarde genoemd in het taxatierapport niet overneemt. Nu verweerder de waarde uit het taxatierapport van eiser wel heeft overgenomen, was er voor verweerder geen aanleiding om eiser te horen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
3. Eiser verzoekt voorts om immateriële schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel, dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, brengt mee dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn behoren te worden berecht. De in dit verband in aanmerking te nemen termijn begint als regel te lopen op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt (Zie het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252). De redelijke termijn is aangevangen met het instellen van bezwaar op 6 maart 2018.
Het gaat om vergoeding van immateriële schade die wordt geleden door de spanning en frustratie die een belanghebbende ondervindt in de procedure met betrekking tot het geschil over de belastingheffing dat hem en verweerder verdeeld houdt (Zie het arrest van de hoge Raad van 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1461 r.o. 2.7. en de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 4 november 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2111). De rechtbank stelt vast dat verweerder op 23 juli 2020 volledig aan het bezwaar van eiser is tegemoet gekomen. Gelet hierop is met de uitspraak op bezwaar aan de door eiser ondervonden spanning en frustratie een einde gekomen en eindigt de in aanmerking te nemen termijn op het moment waarop die uitspraak is gedaan. Nu op dat moment nog geen beroepsprocedure aanhangig was, kan eiser geen aanspraak maken op een immateriële schadevergoeding in verband [met, Hof] overschrijding van de redelijke termijn. Artikel 6 van het EVRM ziet immers op de behandeling van de zaak door een rechter binnen een redelijk termijn, waarbij de duur van de bezwaarfase slechts is inbegrepen. Hieraan doet niet af dat de procedure - na de volledige tegemoetkoming - is voorgezet door eiser op grond van een nieuw argument.
4. Eiser verzoekt om vergoeding van de proceskosten conform het Besluit Proceskosten bestuursrecht, waarbij wegingsfactor '1' wordt gehanteerd voor het 'gewicht van de zaak'. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen proceskostenvergoeding hoeft te worden gegeven omdat de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeit uit de handelwijze van eiser. Daarbij verwijst verweerder naar het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:173.
Bij een niet-ontvankelijkverklaring wegens het vervallen van procesbelang kan grond aanwezig zijn voor een proceskostenveroordeling met analoge toepassing van het in art. 8:75a van de Awb opgenomen criterium, als het procesbelang is verloren omdat het bestuursorgaan aan de indiener van liet beroepschrift is tegemoetgekomen. Van deze regel kan worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van een belanghebbende. De enkele omstandigheid dat de noodzaak tot het instellen van beroep mede voortvloeit uit de handelwijze van een belanghebbende, is derhalve niet voldoende. (Zie het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX0985, BNB 2006/270).
In het onderhavige geval heeft eiser door het indienen van een bezwaarschrift te kennen gegeven het niet eens te zijn met de hoogte van WOZ-beschikking. Dit standpunt is in het bezwaarschrift onderbouwd met het argument dat de onroerende zaak niet beschikt over daglichttoetreding, installaties, wanden, plafonds en afwerkvloeren. Nadat verweerder volledig aan het bezwaar van eiser tegemoet is gekomen, heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank. In het aanvullende beroepschrift van 16 oktober 2020 heeft eiser een document overgelegd waaruit blijkt dat het huisnummer, dat wordt genoemd op de aanslag, niet officieel is. Dit maakt dat het object onjuist is afgebakend. Om deze reden heeft verweerder de WOZ-beschikking vernietigd.
De rechtbank stelt vast dat eiser de informatie uit het document van 19 juli 2017 al in de bezwaarfase aan verweerder had kunnen verstrekken en dat dit tot gegrondverklaring van het bezwaar zou hebben geleid. In deze vaststelling ligt het oordeel besloten dat de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van belanghebbende. De rechtbank ziet hierin aanleiding om verweerder niet te veroordelen in de proceskosten voor het beroep omdat geen sprake is van kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken. De beroepsgrond faalt in zoverre.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”
Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In geschil is of:
- het bezwaarschrift van belanghebbende tevens was gericht tegen de aanslag rioolheffing;
- belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade;
- de hoorplicht is geschonden en de zaak om die reden dient te worden teruggewezen naar de Heffingsambtenaar dan wel de Rechtbank, en of het inzagerecht geschonden is, en
- de Rechtbank een proceskostenvergoeding had moeten toekennen.
Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend; de Inspecteur ontkennend.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot terugwijzing van de zaak naar de Heffingsambtenaar dan wel de Rechtbank in verband met schending van de hoorplicht en tot vergoeding van immateriële schade, proceskosten in beroep en hoger beroep en de in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Aanslag rioolheffing
Het is de Heffingsambtenaar op grond van artikel 239 Gemeentewet toegestaan om belastingaanslagen van dezelfde soort die aan dezelfde belastingplichtige worden opgelegd, op één (aanslag)biljet te verenigen. Dit betekent, anders dan belanghebbende bepleit, niet dat een tegen één of meer van deze belastingaanslagen gericht bezwaarschrift wordt geacht te zijn gericht tegen alle op dat biljet vermelde aanslagen (HR 1 februari 2013, nr. 11/04615, ECLI:NL:HR:2013:BY9900). Uit de inhoud van het bezwaarschrift en de aanvulling daarop (zie 2.2.1 en 2.2.2) is niets anders af te leiden dan dat uitsluitend de hoogte van de WOZ-waarde in geschil is. Ingevolge artikel 30, lid 2, Wet WOZ, wordt een bezwaarschrift tegen een beschikking die is bekendgemaakt en verenigd in één geschrift met een aanslag onroerende-zaakbelastingen geacht mede te zijn gericht tegen die aanslag, tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt. De Heffingsambtenaar heeft derhalve terecht de aanslag onroerende-zaakbelastingen in het geding betrokken. Dit maakt echter niet, mede gelet op de voornoemde uitspraak van de Hoge Raad, dat het bezwaar mede wordt geacht te zijn gericht tegen de aanslag rioolheffing. Deze laatste heffing speelt in de onderhavige procedure derhalve geen rol. Wel vertrouwt het Hof erop, net als de Rechtbank eerder, dat deze aanslag wordt vernietigd, mocht dit niet al zijn gebeurd.
Immateriëleschadevergoeding
De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM (Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden) mede ten grondslag ligt, brengt mee dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn behoren te worden beslecht (vgl. HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232). Een overschrijding van die termijn leidt, behoudens bijzondere omstandigheden, in de regel tot spanning en frustratie, wat grond vormt voor vergoeding van immateriële schade. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt dat voor de fase van bezwaar en beroep een termijn van twee jaren moet worden gehanteerd als redelijke termijn waarbinnen belastinggeschillen behoren te worden beslecht. Hierbij geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag heeft genomen (zie onder andere HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140). Als uitgangspunt wordt een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden.
In de uitspraak op bezwaar van 23 juli 2020 is de Heffingsambtenaar, gelet op de inhoud van het bezwaarschrift en gelet op het onder 5.1 overwogene, volledig tegemoetgekomen aan het bezwaar. Op 5 augustus 2020 heeft de Heffingsambtenaar de WOZ-beschikking vernietigd en de aanslag ozb tot nihil verminderd. Het fiscale belang is daarmee aan het geschil ontvallen. Met wat belanghebbende daarna nog zou aanvoeren, kon hij fiscaal niet in een betere positie raken. Op dat moment is dan ook een einde gekomen aan het materiële geschil (zie 5.1), eindigt de redelijke termijn en dient te worden bepaald in hoeverre de redelijke termijn is overschreden (zie Hof Den Haag, 4 november 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2111, het tegen dat oordeel gerichte cassatiemiddel heeft niet geleid tot vernietiging daarvan, zie HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2020:748).
De redelijke termijn is aangevangen op 6 maart 2018, na ontvangst van het bezwaarschrift aan de balie in de Stadswinkel van de gemeente Rotterdam, en geëindigd op 5 augustus 2020. De redelijke termijn is met vijf maanden overschreden, wat recht geeft op een schadevergoeding van € 500. De overschrijding is geheel te wijten aan de Heffingsambtenaar, zodat hij zal worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.
Hoorplicht en inzagerecht
De Heffingsambtenaar is, voor zover hij uit het bezwaarschrift kon begrijpen en gelet op hetgeen onder 5.1 en 5.2 is overwogen, in de uitspraak op bezwaar volledig tegemoetgekomen aan de bezwaren van belanghebbende en heeft conform de in het bezwaarschrift en de daarop gedane aanvulling (zie 2.2.1 en 2.2.2) opgenomen verzoeken van belanghebbende beslist. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt wat een hoorgesprek, voorafgaand aan het doen van deze uitspraak, daaraan had kunnen bijdragen. Dat belanghebbende het geschil had willen uitbreiden en ook wilde weten hoe het zat met de afbakening van de WOZ-objecten en de aanslag rioolheffing, kon de Heffingsambtenaar niet weten. Het verzoek van gemachtigde De Jong in de brief van 26 juni 2020 om in overleg te treden, is niet voldoende voor de conclusie dat de Heffingsambtenaar het bezwaar breder had moeten opvatten en daarom tot horen had moeten overgaan. Belanghebbende werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener. Van belanghebbende, die zelf een beroepsmatig professioneel rechtsbijstandverlener is, had mogen worden verwacht dat eventuele extra bezwaargronden duidelijk en gemotiveerd onder de aandacht zouden worden gebracht. De Heffingsambtenaar heeft daarom terecht afgezien van het horen van belanghebbende (artikel 7:3, onderdeel e, Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Aangezien het ter inzage leggen van stukken samenhangt met het horen (artikel 7:4 Awb), heeft de Heffingsambtenaar eveneens terecht afgezien van het verlenen van inzage (vgl. Hof Den Haag 25 juli 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1408).
Overig
Aangezien een immateriëleschadevergoeding wordt toegekend en als gevolg daarvan een toekenning van een proceskostenvergoeding volgt, behoeft de vraag of de Rechtbank een proceskostenvergoeding had dienen toe te kennen, geen behandeling.
Slotsom
Het hoger beroep is gegrond.
Proceskosten en griffierecht
Er is aanleiding de Heffingsambtenaar te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in beroep en hoger beroep, welke kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, worden vastgesteld op € 1.138,50 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep (beroep: 1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; hoger beroep: 1 punt voor het indienen van een hogerberoepschrift, met een waarde per punt van € 759 en wegingsfactor 0,5). Een wegingsfactor van 0,5 wordt toegepast, omdat in beroep en hoger beroep uitsluitend formele punten aan de orde zijn gesteld, die een lichte werkbelasting voor de gemachtigde inhouden.
Belanghebbende heeft in beroep geen gronden gericht tegen de in bezwaar toegekende proceskostenvergoeding, zodat de door de Heffingsambtenaar voor de bezwaarfase toegekende proceskostenvergoeding in stand kan blijven.
Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in beroep en hoger beroep gestorte griffierecht van respectievelijk € 48 en € 134, in totaal € 182, te worden vergoed.
Beslissing
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
Het Gerechtshof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;
- veroordeelt de Heffingsambtenaar in de door belanghebbende geleden immateriële schade van € 500;
- veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten in beroep en hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.138,50;
- gelast de Heffingsambtenaar belanghebbende een bedrag van totaal € 182 aan griffierecht voor het beroep en hoger beroep te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, P.J.J. Vonk en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen. De beslissing is op 31 augustus 2022 in het openbaar uitgesproken.
aangetekend aan partijen verzonden:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.