Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 december 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,
BRP-adres: [woonadres] te [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het tenlastegelegde ten aanzien van [slachtoffer 1] vrijgesproken en ter zake van het tenlastegelegde ten aanzien van [slachtoffer 2] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest, en een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Voorts is een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Blijkens de akte intrekking rechtsmiddel heeft de officier van justitie het hoger beroep op 20 januari 2021 ingetrokken.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem impliciet cumulatief is tenlastegelegd, te weten de belaging ten aanzien van [slachtoffer 1]. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 juni 2014 tot en met 14 november 2014 te Waddinxveen, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte, in die periode, althans een deel van die periode
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 juni 2014 tot en met 14 november 2014 te Waddinxveen, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte, in die periode, althans een deel van die periode
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere overwegingen
De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – conform de door hem overgelegde schriftelijke pleitaantekeningen – op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken, omdat de bewijsbare waarnemingen in de tenlastegelegde pleegperiode geen wederrechtelijke stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer opleveren. Hiertoe heeft hij – kort en zakelijk samengevat – allereerst in het algemeen aangevoerd dat de verdachte de meeste door aangeefster gestelde incidenten ontkent, terwijl de verklaringen van aangeefster in het licht van de context waarin de vermeende gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, te weten de relatieproblemen en het scheidingsproces van de verdachte en aangeefster, dienen te worden beoordeeld. Voorts is aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster niet worden ondersteund door objectief steunbewijs, waardoor sprake is van enkelvoudige waarnemingen. Tot slot is aangevoerd dat de bewijsbare waarnemingen in de meeste gevallen niet waren gericht op aangeefster en het aantal contacten (de frequentie van de gedragingen) in de desbetreffende pleegperiode, alsmede de aard, de duur en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte te beperkt is om te spreken van een stelselmatige inbreuk op de levenssfeer van aangeefster.
Het hof overweegt hierover als volgt.
Verklaringen aangeefster
Anders dan de verdediging ziet het hof – voor zover dat is bedoeld te betogen – geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster. Dat aangeefster met de verdachte relatieproblemen had en was verwikkeld in een echtscheidingsprocedure maken haar verklaringen nog niet zonder meer onbetrouwbaar. Gelet op de tenlastegelegde pleegperiode en het gegeven dat de echtscheiding tussen partijen in augustus 2013 is uitgesproken, is het hof voorts van oordeel dat het door de verdediging gestelde belang van aangeefster om in dat verband niet naar waarheid te verklaren evenmin aan de orde is. Daarbij komt dat haar verklaringen in voldoende mate worden ondersteund door objectief steunbewijs in de vorm van getuigenverklaringen van niet alleen familieleden, maar ook van buurtbewoners en verbalisanten.
Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat de door aangeefster afgelegde verklaringen niet als onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt. Het hof zal deze verklaringen dan ook bezigen voor het bewijs.
Wederrechtelijke stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer
Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht verschillende factoren van belang zijn, te weten de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710; HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095).
Het hof stelt op grond van de tot het bewijs gebruikte bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
De verdachte heeft zich in de periode van 16 juni 2014 tot en met 14 november 2014, te weten vijf maanden, zevenmaal in de nabijheid van (de woning van) aangeefster opgehouden en zich rond haar woning verplaatst, waarbij hij één keer hurkend onder het raam heeft gezeten, ook nadat aan hem bij vonnis van 16 juli 2013 een contact- en gebiedsverbod was opgelegd. Aangeefster voelde zich angstig, had geen rust en keek voortdurend om haar heen of zij de verdachte zag of tegenkwam. Niet alleen buiten de woning, maar ook binnenshuis werd haar doen en laten door dit feit beïnvloed.
Het hof is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer - naar objectieve maatstaven bezien - zodanig zijn geweest dat in beide zaken van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest.
Het hof acht daarmee bewezen dat de verdachte zich aan de tenlastegelegde belaging schuldig heeft gemaakt. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
belaging.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van aangeefster, zijn ex-echtgenote, in een periode van vijf maanden, zoals in de bewezenverklaring nader beschreven. Hiermee heeft hij herhaaldelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Dat deze feiten voor aangeefster zeer beangstigend en bedreigend waren, blijkt uit haar aangifte en haar schriftelijke slachtofferverklaring die zij in hoger beroep heeft ingediend.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 15 september 2022, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren niet onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Hieruit blijkt tevens dat de verdachte na onderhavig feit niet meer met justitie in aanraking is gekomen.
Het hof heeft voorts in het voordeel van de verdachte rekening gehouden met de ouderdom van de feiten.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden een passende en geboden reactie vormt. Voorts acht het hof het ter beveiliging van de maatschappij noodzakelijk dat aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, in de vorm van een contact- en locatieverbod zoals hierna nader omschreven, wordt opgelegd. Anders dan de advocaat-generaal is het hof niet van oordeel dat thans ernstig rekening ermee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen. Derhalve zal voornoemde maatregel niet dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Het hof heeft evenwel geconstateerd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De verdachte is op 10 december 2014 in verzekering gesteld. Daarmee heeft de redelijke termijn op genoemde datum een aanvang genomen. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 14 maart 2016. De behandeling van de zaak in eerste aanleg in deze fase is aldus niet overschreden. Dit hof heeft bij arrest van 20 juni 2018 de zaak teruggewezen naar de rechtbank. De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft in deze fase langer geduurd dan de in beginsel geldende termijn van 16 maanden wegens een gedetineerde verdachte, te weten 11 maanden. De rechtbank heeft na terugwijzing door dit hof vonnis gewezen op 21 december 2020. De verdachte is per 4 september 2018 geschorst uit zijn voorlopige hechtenis, waardoor de in beginsel bepaalde redelijke termijn van 2 jaren in deze fase is overschreden met 6 maanden. Tot slot wijst dit hof arrest op 13 oktober 2022, waardoor de in beginsel geldende redelijke termijn van twee jaren in hoger beroep niet is overschreden.
Voorts merkt het hof op dat de berechting in feitelijke aanleg – dat wil zeggen: in eerste aanleg én in hoger beroep in twee fases – niet is afgerond binnen het totaal van de voor elk van die procesfasen geldende termijnen, te weten 80 maanden, maar dat deze is overschreden met 14 maanden. Gelet op deze substantiële termijnoverschrijding is het hof van oordeel dat dit dient te worden verdisconteerd in de duur van de op te leggen gevangenisstraf, met dien verstande dat deze dient te worden bepaald op 4 maanden.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde tot een bedrag van € 5.608,60.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 1.908,60.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep en aldus impliciet tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve in zoverre worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 1.908,60 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2].
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 38v, 38w en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing tot vrijspraak ten aanzien van [slachtoffer 1].
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 jaren:
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.908,60 (duizend negenhonderdacht euro en zestig cent) bestaande uit
€ 408,60 (vierhonderdacht euro en zestig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.908,60 (duizend negenhonderdacht euro en zestig cent) bestaande uit € 408,60 (vierhonderdacht euro en zestig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 29 (negenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 16 juni 2014.
Dit arrest is gewezen door mr. N. Schaar,
mr. H.C. Wiersinga en mr. V.M. de Winkel, in bijzijn van de griffier mr. L.E. Hollander.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 oktober 2022.