Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van
24 december 2021 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
adres: [woonadres], [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest en is aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgelegd, welke maatregel dadelijk uitvoerbaar is verklaard. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 23 september 2021 te 's-Gravenhage aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en/of losse/gebroken tanden en/of kapotte kaakkopjes en/of een zware hersenschudding heeft toegebracht door die [slachtoffer] meerdere keren met een hamer, althans een op een hamer gelijkend voorwerp, en/of met zijn vuisten op/tegen het hoofd te slaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 september 2021 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] meerdere keren met een hamer, althans een op een hamer gelijkend
voorwerp, en/of zijn vuisten op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 september 2021 te 's-Gravenhage
[slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meerdere keren met een hamer, althans een op een hamer gelijkend voorwerp, en/of zijn vuisten op/tegen het hoofd te slaan.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
subsidiairhij op of omstreeks 23 september 2021 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] meerdere keren met een hamer, althans een op een hamer gelijkend
voorwerp, en/of zijn vuisten op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere overwegingen
Alternatief scenario
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het bij aangever geconstateerde letsel kan zijn veroorzaakt door een noodlottige val van diens fiets.
Het hof overweegt als volgt.
Aangever heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op 23 september 2021 met zijn fiets de straat van zijn woning is ingereden. Vervolgens is hij de verdachte, zijn buurman, tegengekomen die scheldend op hem is afgekomen. Aangever heeft verklaard dat de verdachte een hamer uit zijn jas heeft gepakt en dat hij vanaf dat moment niets meer weet. Aangever heeft deze verklaring herhaald in zijn verhoor op 24 september 2021.
De verklaring van aangever wordt ondersteund door de op 23 september 2021 afgelegde verklaring van [zoon slachtoffer], zijn zoon. Deze getuige heeft verklaard dat hij zag dat de verdachte klappen aan het uitdelen was. De verdachte was met zijn vuisten aan het inslaan op het hoofd van een man die op de grond lag. Pas later zag de getuige dat de man die op de grond lag zijn eigen vader was. Op 24 september 2021 heeft de getuige bovendien verklaard dat de verdachte iets in zijn hand had wat op een hamer leek.
Daarnaast wordt de verklaring van aangever ondersteund door het bij hem geconstateerde letsel, te weten een gebroken neus, losse/gebroken tanden, kapotte kaakkopjes en een zware hersenschudding.
Gelet op de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat het alternatieve scenario dat het letsel van aangever is veroorzaakt door een onfortuinlijke val van zijn fiets niet aannemelijk is geworden. De door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen doen daar niet aan af. Deze verklaringen sluiten namelijk niet uit dat het letsel is opgelopen door toedoen van de verdachte, nu uit de verklaringen van de getuigen volgt dat er niet continu zicht op aangever is geweest en er daarmee een tijdspanne zit tussen het moment dat aangever volgens de getuigen zou gaan vallen en het moment dat de getuigen, buiten gekomen, bij aangever zijn en zij constateren dat aangever inmiddels gevallen is. Het hof merkt daarbij op dat de door de verdachte zélf tegenover de politie afgelegde verklaringen, inhoudende dat verdachte heeft gezien dat aangever met een baksteen is geslagen door een persoon die op dat moment een zwarte helm droeg eveneens geen ondersteuning biedt voor dit alternatieve scenario.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat het de verdachte is geweest die aangever met een hamer en met zijn vuisten heeft geslagen. Het verweer wordt verworpen.
Zwaar lichamelijk letsel
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het bij aangever geconstateerde letsel valt aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel moet worden vooropgesteld dat artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht een opsomming bevat van de gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt, maar dat die bepaling de rechter de vrijheid laat om ook buiten die gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen wanneer dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Daarbij kunnen als algemene gezichtspunten in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
Het hof stelt vast dat de verdachte als gevolg van de mishandeling een gebroken neus, losse/gebroken tanden, kapotte kaakkopjes en een zware hersenschudding heeft opgelopen. Uit een verklaring van de tandarts van 5 november 2021 volgt dat meerdere tanden zijn afgebroken, bij de voortanden mogelijk boven de wortels. De prognose ten aanzien van de voortanden wordt dubieus genoemd. De behandelend psycholoog heeft voorts verklaard dat door de mishandeling de PTSS-klachten zijn toegenomen. Ter terechtzitting in hoger beroep is een schriftelijke slachtofferverklaring overgelegd. Namens het slachtoffer is naar voren gebracht dat hij door een kaakchirurg is geopereerd en alsnog aan zijn neus moet worden geopereerd omdat hij niet door de neus kan ruiken en de neus nog steeds scheef staat. Het hof constateert evenwel dat het slachtoffer geen onderbouwing heeft geleverd van dit medische ingrijpen. Al met al is het hof van oordeel dat de mishandeling voor het slachtoffer grote gevolgen heeft gehad en dat hij daar nog steeds de negatieve gevolgen van ervaart, maar dat door het ontbreken van informatie over de noodzaak van medisch (operatief) ingrijpen en door onduidelijkheid over de staat van het gebit en de duur van het herstel, het letsel niet gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel.
Het hof acht daarmee niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte van dat deel van de tenlastelegging behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling van zijn buurman door hem met een hamer en zijn vuisten tegen het hoofd te slaan. Door aldus te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast heeft dit handelen gevolgen gehad voor de psychische gezondheid van het slachtoffer. Voorts overweegt het hof dat misdrijven als de onderhavige gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers en in de maatschappij in het algemeen kunnen veroorzaken.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 oktober 2022, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, zijnde hoger dan door de advocaat-generaal geëist, een passende en geboden reactie vormt. Het voorwaardelijk strafdeel dient de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst strafbare feiten te plegen.
Voorts ziet het hof ter voorkoming van strafbare feiten aanleiding om een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid in de vorm van een contactverbod zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen. Het hof beoogt hiermee te voorkomen dat de verdachte nog op enigerlei wijze contact met de aangever zal opnemen.
Het hof stelt – met de politierechter – vast dat er al langere tijd onenigheid is tussen de verdachte en aangever en dat zij vlak bij elkaar wonen. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat die onenigheid nog steeds bestaat. Gelet hierop is het hof van oordeel dat er vooralsnog ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens een bepaald persoon of bepaalde personen. Daarom zal het hof bevelen dat de hierna genoemde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Het hof komt daarbij tot een langere duur dan door de rechter in eerste aanleg is opgelegd, waarbij het hof zal bepalen dat de periode gedurende welke de maatregel reeds van kracht is, van deze tijd dient te worden afgetrokken.
Het hof verwijst in dit verband naar de Memorie van toelichting (II Kamerstukken 2010/2011 3255 nr.3, onder 6.3).
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 6.156,12.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 6.156,12.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 156,12 aan materiële schade en een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij evenwel aangetoond dat tot een bedrag van € 156,12 aan materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf
23 september 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het subsidiair bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 2.500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 september 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 2.656,12 aansprakelijk is voor de schade die door het subsidiair bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer].
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer];
bepaalt dat de periode gedurende welke de maatregel reeds van kracht is geweest, van deze tijd dient te worden afgetrokken;
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van zes maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.656,12 (tweeduizend zeshonderdzesenvijftig euro en twaalf cent) bestaande uit € 156,12 (honderdzesenvijftig euro en twaalf cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.656,12 (tweeduizend zeshonderdzesenvijftig euro en twaalf cent) bestaande uit € 156,12 (honderdzesenvijftig euro en twaalf cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 36 (zesendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 23 september 2021.
Dit arrest is gewezen door mr. O.E.M. Leinarts,
mr. H.M.D. de Jong en mr. T.J. Sleeswijk Visser,
in bijzijn van de griffier mr. T.A. van den Berg.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 november 2022.
mr. T.J. Sleeswijk Visser is buiten staat dit arrest te ondertekenen.