ECLI:NL:GHDHA:2022:2368

ECLI:NL:GHDHA:2022:2368, Gerechtshof Den Haag, 18-10-2022, BK-21/00628

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 18-10-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer BK-21/00628
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 4 zaken
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Uitspraak op verzet. Niet-betaald griffierecht. Handtekening op ontvangstbewijs niet van belanghebbende en patroon van onregelmatige verzending en ontvangst poststukken op adres belanghebbende: ontvangst betalingsherinnering kan redelijkerwijs worden betwijfeld. Belanghebbende is redelijkerwijs niet in verzuim geweest. Verzet gegrond.

Uitspraak

Uitspraak van 18 oktober 2022

op het verzet van [X] te [Z] , belanghebbende, tegen de onder 1.1 vermelde uitspraak.

Uitspraak en verzet

Belanghebbende heeft verzet aangetekend tegen de uitspraak na vereenvoudigde behandeling van de enkelvoudige belastingkamer van dit Hof van 15 december 2021 (de uitspraak van het Hof), waarbij het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet voldoen van het griffierecht.

Het verzet is mondeling behandeld ter zitting van het Hof van 20 september 2022. De gemachtigde van belanghebbende is verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

Bij brief van 16 juni 2021 heeft de griffier van de Rechtbank Den Haag de uitspraak van 14 juni 2021, zaaknummer SGR 20/5774 (de uitspraak van de Rechtbank) per aangetekende post aan belanghebbende gestuurd.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op 27 juli 2021 hoger beroep ingesteld via het digitaal loket van het Gerechtshof Den Haag. Hierbij heeft belanghebbende het volgende opgemerkt:

“De uitspraak is pas heden in brievenbus ontvangen na vakantie

verzoek 4 weken uitstel voor bestudering en onderbouwing

Volgens enveloppe aangetekend verstuurd. echter aan niemand overhandigd.

gaarne ontvangstbevestiging opvragen.”

Op 6 augustus 2021 is ten name van de gemachtigde van belanghebbende een nota griffierecht verzonden aan het adres van belanghebbende, [adres, postcode en woonplaats] .

Op 4 september 2021 is ten name van de gemachtigde van belanghebbende een betalingsherinnering per aangetekende post verzonden aan het onder 2.3 genoemde adres. Blijkens deze betalingsherinnering diende het griffierecht uiterlijk 4 oktober 2021 ter griffie van het Hof te zijn betaald door bijschrijving op de bankrekening die op de nota is vermeld. Volgens de door de griffier bij PostNL ingewonnen informatie, die aan het dossier is toegevoegd, is het poststuk met de betalingsherinnering op 7 september 2021 op het voormelde adres afgeleverd.

In de betalingsherinnering is onder meer het volgende vermeld:

“Als het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is overgemaakt op de genoemde bankrekening loopt u het risico dat uw beroepschrift niet ontvankelijk verklaard wordt. Hierna krijgt u geen nieuwe gelegenheid om het griffierecht te betalen.”

Bij e-mailbericht van 23 september 2021 heeft belanghebbende de door haar op 20 september 2021 ondertekende volmacht overgelegd, waarin het volgende is opgenomen:

“Hierbij machtig ik [naam] , [geboortedatum] om namens mij het woord te voeren in het hoger beroep in bovenvermeld zaaknummer.”

Uit de administratie van het Hof blijkt dat het verschuldigde griffierecht niet is voldaan. Bij de in 1.1 vermelde uitspraak van het Hof is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Op 15 december 2021 is ten name van de gemachtigde van belanghebbende de uitspraak van het Hof per aangetekende post naar het onder 2.3 genoemde adres verzonden. Volgens de door de griffier bij PostNL ingewonnen informatie, die aan het dossier is toegevoegd, is het poststuk met de uitspraak op 16 december 2021 afgeleverd. Nadat belanghebbende telefonisch heeft meegedeeld de uitspraak niet te hebben ontvangen, is de uitspraak van het Hof op 24 december 2021 opnieuw naar belanghebbende – per reguliere post – verzonden.

Bij brief van 30 juli 2021 is de gemachtigde van belanghebbende in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 27 augustus 2021 de gronden van het hoger beroep en een op naam gestelde volmacht over te leggen. Belanghebbende heeft telefonisch en via e-mailbericht, gedagtekend 24 augustus 2021, verzocht om uitstel. Bij brief van 26 augustus 2021, die per aangetekende post naar het adres van belanghebbende is verzonden, is deze termijn verlengd tot en met 23 september 2021. Het Hof heeft de brief op 15 september 2021 retour ontvangen met het opschrift: “Niet afgehaald; retour afzender”.

Standpunt belanghebbende

3. Belanghebbende stelt dat de betalingsherinnering per aangetekende post verzonden is naar haar adres, maar dat uit de door de griffier ingewonnen informatie bij PostNL niet blijkt dat het stuk op de door PostNL voorgeschreven wijze aan haar is aangeboden, noch door haar is ontvangen. Belanghebbende voert daarvoor aan dat de handtekening ter ontvangst, het cijfer ‘16’, niet van haar dan wel haar gemachtigde is. Voorts stelt belanghebbende – naar het Hof begrijpt – dat de betalingsherinnering niet ten name van haar gemachtigde naar het adres van belanghebbende gestuurd had mogen worden. Daarbij verwijst belanghebbende naar de volmacht waarin is opgenomen dat de gemachtigde enkel gemachtigd is om namens belanghebbende het woord te voeren in hoger beroep. Tot slot verzoekt belanghebbende tot vergoeding van de door belanghebbende in verzet gemaakte kosten.

Beoordeling van het verzet

Ontvankelijkheid

De termijn voor betaling van het griffierecht bedraagt vier weken, met ingang van de dag na die van verzending van de nota van griffierecht. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Zoals vermeld in 2.7, is het verschuldigde griffierecht niet voldaan. Vast staat dat belanghebbende in de betalingsherinnering is gewezen op de mogelijkheid dat het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard indien het verschuldigde griffierecht niet of niet tijdig is overgemaakt.

Het Hof stelt voorop dat de verzending van een stuk per post het vermoeden rechtvaardigt van ontvangst van dit stuk op het daarop vermelde adres. Nu belanghebbende de ontvangst van een, in dit geval door het Dienstencentrum Rechtspraak, verzonden stuk ontkent, dient belanghebbende dit vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat een belanghebbende aannemelijk maakt dat het stuk niet op zijn adres is ontvangen of aangeboden; voldoende is dat op grond van hetgeen belanghebbende aanvoert de ontvangst of aanbieding van het stuk redelijkerwijs kan worden betwijfeld (vgl. HR 7 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:705, BNB 2021/97).

De door de griffier bij PostNL ingewonnen informatie (zie 2.4) rechtvaardigt het vermoeden dat het poststuk met de betalingsherinnering op 7 september 2021 om 12.44 uur op regelmatige wijze is aangeboden op het adres van belanghebbende. Voorafgaand aan de zitting van het Hof zijn een kopie van de betalingsherinnering en de ‘Track & Trace’-gegevens van PostNL aan belanghebbende verstrekt. De omstandigheid dat de handtekening op het bewijs van ontvangst niet van belanghebbende is, leidt op zichzelf niet tot het oordeel dat de ontvangst van de betalingsherinnering redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Het Hof is echter van oordeel, door hetgeen belanghebbende ter zitting heeft aangevoerd en de door haar overlegde stukken, dat redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat de betalingsherinnering op haar adres is ontvangen of aangeboden. Uit de stukken blijkt namelijk dat belanghebbende de – per aangetekende post verstuurde – uitspraak van de Rechtbank pas vijf weken en zes dagen na de datum van verzending in haar brievenbus heeft ontvangen. Dit poststuk is daarmee niet, zoals door PostNL wordt voorgeschreven bij aangetekende verzending, aan belanghebbende uitgereikt. Voorts heeft de per aangetekende post verstuurde uitspraak van het Hof belanghebbende naar eigen zeggen niet bereikt, terwijl uit de bij PostNL ingewonnen informatie volgt dat deze op het adres van belanghebbende is bezorgd. Als bewijs van ontvangst is er – in afwijking van de handtekening ter ontvangst van de betalingsherinnering en de overgelegde volmacht – getekend met de letter ‘k’. Bovendien is de per aangetekende post verzonden brief van het Hof, gedagtekend 26 augustus 2021, op 15 september 2021 door het Hof retour ontvangen (zie 2.9).

Gelet op het feit dat de handtekening op het bewijs van ontvangst niet van belanghebbende is alsmede het uit 4.4 volgende patroon met betrekking tot de verzending en ontvangst van poststukken op het adres van belanghebbende, kan redelijkerwijs worden betwijfeld dat belanghebbende de betalingsherinnering heeft ontvangen. Daarom kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. Belanghebbende is derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat de uitspraak van het Hof van 15 december 2021 vervalt en dat het onderzoek van de zaak door het Hof wordt voortgezet in de stand waarin het zich daarvoor bevond. Ter zake van de procedure met zaaknummer BK-21/00628 dient alsnog een griffierecht van € 134 te worden geheven.

Proceskostenvergoeding

Uit artikel 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) volgt dat een veroordeling in de kosten zoals bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, of artikel 7:28, lid 2, Awb uitsluitend betrekking kan hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Op belanghebbende rust de last om aannemelijk te maken dat de rechtsbijstand beroepsmatig is verleend en dat de kosten hiervoor op belanghebbende hebben gedrukt.

Het Hof acht niet aannemelijk dat de gemachtigde van belanghebbende beroepsmatig rechtsbijstand verleent, nu hij daaromtrent niets heeft gesteld.

Op grond van artikel 1, letter c, Bpb komen voor vergoeding in aanmerking de reiskosten per openbaar vervoer die de gemachtigde van belanghebbende heeft moeten maken om de zitting bij het Hof te kunnen bijwonen. Het Hof stelt, op basis van www.9292ov.nl, de reiskosten van de gemachtigde van belanghebbende vast op de kosten voor het gebruik van het openbaar vervoer tussen de woonplaats van de gemachtigde en het Hof.

Proceskosten

5. Het Hof ziet aanleiding de Heffingsambtenaar te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in verzet. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vast op € 3,68 (bestaande uit de reiskosten per openbaar vervoer voor het bijwonen van de zitting).

Beslissing

Het Gerechtshof:

Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, H.A.J. Kroon en I. Reijngoud in tegenwoordigheid van de griffier A.T.J. Schnitzeler. De beslissing is op 18 oktober 2022 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NTFR 2023/124 met annotatie van Mr. M.B. Weijers Belastingblad 2023/53 met annotatie van Redactie Viditax (FutD) 2022122313 FutD 2023-0051
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?