ECLI:NL:GHDHA:2022:2433

ECLI:NL:GHDHA:2022:2433, Gerechtshof Den Haag, 12-12-2022, 22-001097-22

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 12-12-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22-001097-22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:566
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking. Gepubliceerd naar aanleiding arrest van de Hoge Raad.

Uitspraak

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 4 april 2022 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

BRP-adres: [woonadres] te [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het tenlastegelegde onder parketnummer 09-030585-22 vrijgesproken en ter zake van het tenlastegelegde onder parketnummer 09-016392-21 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis. Voorts zijn beslissingen genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. De benadeelde partij, die in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard, heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd, zodat deze vordering niet meer aan de orde is.

Ontvankelijkheid verdachte in hoger beroep

De verdachte is door politierechter in de rechtbank Den Haag vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 09-030585-22 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover aan het inhoudelijk oordeel van het hof onderworpen - tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 21 september 2019 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zeven, althans een of meer armbanden (Buddha to Buddha),althans een of meer sieraden, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [winkel], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen armbanden, althans sieraden onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, door het slot van de vitrine waarin die armbanden, althans die sieraden lagen, te verbreken.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Nadere bewijsoverwegingen

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij – kort en zakelijk samengevat – aangevoerd dat de herkenning door de twee verbalisanten, zoals die blijkt uit de processen-verbaal, niet betrouwbaar zijn en derhalve dienen te worden uitgesloten van het bewijs, waardoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het tenlastegelegde resteert.

Het hof overweegt hierover als volgt.

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast. Op 21 september 2019 heeft er in de winkel [winkel] te Zoetermeer een diefstal van zeven armbanden van het merk Buddha to Buddha plaatsgevonden. Op de camerabeelden van deze winkel is (onder meer) te zien dat een man met donker haar, een donkere jas en een bril voorover gebogen bij de vitrine staat waaruit, zoals later zou blijken, de armbanden zouden worden weggenomen. De man loopt daarna weg. Op andere beelden is te zien dat de man wederom in de winkel bij dezelfde vitrine staat. Hij is dan samen met een vrouw met blond haar. De vrouw kijkt om zich heen en de man opent vervolgens de deur van de vitrine, buigt voorover, steekt zijn hand in de vitrine en pakt de inhoud eruit. Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep waargenomen dat de man een T-shirt draagt waarop een bijzondere print, te weten (het hoofd van) een tijger, is gedrukt. Het hof beschouwt dit T-shirt als specifiek en onderscheidend. Op de camerabeelden van de winkelpassage, die van goede kwaliteit zijn, is te zien dat een vrouw met blond haar en een man met donker haar, een donkere jas, een bril en een grijs T-shirt met eenzelfde bijzondere print als hiervoor genoemd samen de winkelpassage verlaten. Naar het oordeel van het hof staat derhalve vast dat de man die samen met de vrouw met blond haar de winkelpassage verlaat, dezelfde man is geweest die met de vrouw met blond haar in de winkel [winkel] heeft gestaan en de inhoud van de vitrine heeft weggenomen.

De aangeefster heeft camerabeelden op social media geplaatst waarbij zij vroeg om mogelijke herkenningen. Zij heeft meerdere reacties gekregen van personen die de verdachte kenden en hebben aangegeven dat zij de verdachte als de man op de camerabeelden herkenden. Verbalisant [verbalisant] heeft de verdachte vervolgens op het politiebureau verhoord en heeft hem herkend als de man die is te zien op onder andere een print van de camerabeelden van de winkelpassage. Op basis van de herkenningen van personen die de verdachte kenden, in combinatie met het feit dat de verbalisant de verdachte heeft herkend als de man op de camerabeelden bij de winkelpassage en het hof hiervoor heeft vastgesteld dat de man die op de camerabeelden bij de winkelpassage is te zien dezelfde man betreft als de man in de winkel waar de diefstal heeft plaatsgevonden, kan niet anders dan tot de conclusie worden gekomen dat de verdachte de dader is.

Alle verweren van de raadsman worden verworpen. Het hof komt aldus tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-016392-21 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 21 september 2019 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zeven, althans een of meer armbanden (Buddha to Buddha),althans een of meer sieraden, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten toebehorende aan [winkel], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen armbanden, althans sieraden onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, door het slot van de vitrine waarin die armbanden, althans die sieraden lagen, te verbreken.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 09-016392-21 bewezenverklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op geraffineerde wijze schuldig gemaakt aan winkeldiefstal van zeven armbanden van het merk Buddha to Buddha met een totaalwaarde van circa

€ 1.500,- door het slot van de vitrinekast waarin deze armbanden lagen, te verbreken. Hierdoor heeft hij er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de persoonlijke eigendommen van anderen en heeft hij zich kennelijk laten leiden door financieel gewin. Daarnaast heeft hij voor de betrokkene overlast en financiële schade veroorzaakt. Voorts kan onderhavig feit in de samenleving gevoelens van onveiligheid teweegbrengen.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 8 november 2022, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van diefstal. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden weer een dergelijk feit te plegen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient als stok achter de deur om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een strafbaar feit te plegen.

Vordering tot tenuitvoerlegging eerder opgelegde straf

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 8 maart 2017 onder parketnummers

16-237932-16 en 16-255269-16 (gev.) is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep niet gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf, nu hij heeft gevorderd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Naar het oordeel van het hof is in hoger beroep komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan, terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten. Het hof ziet onvoldoende aanleiding de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf, zoals door de raadsman is bepleit.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-030585-22 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het inhoudelijk oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-016392-21 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 09-016392-21 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 8 maart 2017, onder parketnummer 16-237932-16, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.

Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, mr. E.C. van Veen en mr. K. Versteeg, in bijzijn van de griffier mr. L.E. Hollander.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 december 2022.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?