8. A. dossier [naam 1] Stellingen [appellant]
vindt dat de Gemeente op grond van haar werkgeverschap, dan wel op grond van onrechtmatige daad, aansprakelijk is voor de hierna vermelde gedragingen van haar ondergeschikten en dat de Gemeente de daaruit voorvloeiende schade van [appellant] moet vergoeden. Hij vordert verklaringen voor recht van die strekking. [appellant] stelt daartoe blijkens de gevorderde verklaringen voor recht in de kern het volgende.
[naam 1] is een buurman van [appellant]. Hij woont naast de hoofduitrit van [appellant] aan de [a-straat]. [naam 1] mag via deze uitrit op grond van de erfdienstbaarheid van voetpad en uitweg naar zijn achtertuin gaan. [naam 1] veroorzaakt echter in diensttijd in dienstkleding, al dan niet met zijn collega’s, sinds juni 2013 een of meerdere keren per jaar hinder. [appellant] noemt daarbij de volgende feitelijkheden: (a) [naam 1] en/of zijn collega’s plaatsen hun dienstvoertuig op of net voor het perceel aan de zijde [a-straat], waardoor de uitrit wordt geblokkeerd; (b) zij stallen roerende zaken (afval dat ze moeten ophalen en afvoeren) op het perceel waardoor ze de doorgang naar zijn bedrijf blokkeren en zij plegen ‘handeltjes’ met afval; (c) zij vervoeren aldus ook koolstoffilters naar de woning van [naam 1]; (d) zij urineren op het perceel, zij voetballen op het perceel, zij lopen wel met zijn vijven heen en weer op het perceel als zij een bezoek brengen aan [naam 1];(e) [naam 1] heeft tijdens diensttijd, in dienstkleding in een dienstvoertuig een geweer c.q vuurwapen vervoerd en daarmee op 18 en 25 april 2018 over het perceel gelopen; (f) [naam 1] heeft in de zomerperiode, althans op 30 augustus 2016 onderhoudswerkzaamheden aan een dienstvoertuig uitgevoerd, althans emmers water over het perceel vervoerd in plaats van de kortste weg via zijn voordeur te gebruiken; (g) collega’s van [naam 1] hebben het aan [naam 1] toekomende recht van voetpad niet op de minst bezwarende wijze gebruikt door het achtererf van [naam 1] als hoofdingang te gebruiken in plaats van de voordeur van [naam 1] aan de openbare weg.
[appellant] stelt dat de gedragingen van deze personen, mede gelet op de intensiteit ervan, onrechtmatig zijn jegens hem. De erfdienstbaarheid wordt aldus niet op de minst bezwarende wijze uitgeoefend, terwijl het genot van het perceel voor [appellant] onnodig en in vergaande mate wordt beperkt. Ook voelt [appellant] zich door genoemd vuurwapen niet veilig.
[appellant] verbindt hieraan de conclusie dat de Gemeente op grond van artikel 6:170 BW en op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) aansprakelijk is voor het onrechtmatig handelen van haar ondergeschikten (in diensttijd) (i) door dit te gedogen (ondanks een zichtbaar bord dat het perceel verboden is voor onbevoegden), (ii) door onvoldoende toe te zien op het gedrag van haar ondergeschikten en (iii) door ondanks klachten van [appellant] geen afdoende maatregelen te treffen. Verweer Gemeente
De Gemeente voert gemotiveerd verweer en stelt onder meer het volgende. Het gaat primair om een burengeschil waar zij buiten staat. Voormelde gedragingen vinden niet plaats in het kader van reguliere werkzaamheden. Er is dus onvoldoende functioneel verband tussen de opgedragen taken en de gedragingen van [naam 1]. De Gemeente heeft geen zeggenschap over de gedragingen van [naam 1] buiten werktijd. Voor zover [appellant] wel een verband legt met het werk (het ‘handeltje’ in afval), heeft de Gemeente in 2016 een onderzoek gedaan. Dit onderzoek is vertrouwelijk. De uitkomst (geen integriteitsschending) is aan [appellant] meegedeeld. De Gemeente heeft verder aangevoerd dat aan [naam 1] is gevraagd om ook buiten werktijd er op te letten dat hij bij de Gemeente werkt en waar redelijkerwijs mogelijk rekening te houden met belangen van anderen. [naam 1] heeft zijn gedrag sindsdien ook aangepast. De Gemeente betwist dat de hinder onverminderd voortduurt. Beoordeling door het hof
[naam 1] heeft op grond van de erfdienstbaarheid van voetpad/uitweg ten gunste van het kadastrale [… 6] waar hij woont, het recht om via die uitrit aan de [a-straat] naar zijn achtertuin te gaan. De tekst van de erfdienstbaarheid kent geen enkele beperking wat betreft frequentie (herhaling) of anderszins. Aangenomen moet daarom worden dat de erfdienstbaarheid zonder beperking in tijd en frequentie mag worden benut en ook mede omvat het recht van [naam 1] om zijn gasten de uitweg te laten gebruiken. Op zich is juist dat [naam 1] zijn recht van voetpad op de minst bezwarende wijze (artikel 5:74 BW) moet uitoefenen. ‘Minst bezwarend’ gaat echter over de manier van uitoefenen, niet over de intensiteit/ frequentie ervan, zoals [appellant] stelt. Ook is onjuist de stelling van [appellant] dat dit betekent dat [naam 1] in de eerste plaats zijn voordeur moet gebruiken (en niet de toegang achterlangs die hij op grond van de erfdienstbaarheid heeft). De verwijten aan het adres van [naam 1] die hierop zien (g. en f. grotendeels), worden daarom verworpen en zijn dan ook reeds om deze reden niet de Gemeente aan te rekenen.
De klachten van [appellant] die de relatie werkgever-werknemer betreffen (zoals ‘het drijven van handeltjes’ met afval), gaan [appellant] (als derde) niet aan. Dit is anders met de overige klachten van [appellant]. [appellant] ervaart deze als hinderlijk. Dit is echter niet genoeg om de Gemeente hiervoor aansprakelijk te achten (op grond van de artikelen 6:76 en 6:170 BW). Niet alleen zijn deze gedragingen, gelet op de betwisting door de Gemeente, het tijdsverloop en de vage tijdsaanduidingen, maar slechts ten dele onderbouwd, maar met name ontbreekt het vereiste functionele verband (tussen de gestelde ‘fout’ van de ondergeschikte en de opgedragen taken). Anders gezegd is er onvoldoende functioneel verband tussen het werk dat [naam 1] (en zijn collega’s) voor de Gemeente moet(en) doen en de problemen op het perceel. Dit verband is in de stellingen van [appellant] ook niet, althans niet voldoende te lezen. Het dragen van een uniform van de gemeentereiniging hoeft niet te betekenen dat betrokkene (nog) aan het werk is. Het incidenteel aantreffen van een dienstvoertuig op of voor het perceel van [appellant] is ook ontoereikend om dit functioneel verband met de opgedragen taken en de schendingen die [appellant] noemt aan te nemen. Zoals de Gemeente met juistheid naar voren brengt gaat het in feite om een burengeschil waar de Gemeente buiten staat.
Evenmin is de Gemeente in de gegeven omstandigheden op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk te houden. De Gemeente heeft in beginsel geen zeggenschap over hetgeen [naam 1] in zijn privé-omgeving doet, waarbij zij de privacy van [naam 1] dient te respecteren. De Gemeente kan daar om die reden slechts in beperkte mate invloed op uitoefenen. Bovendien heeft de Gemeente wel degelijk stappen ondernomen. Zij heeft immers in 2016 naar aanleiding van klachten van [appellant] een vertrouwelijk onderzoek naar [naam 1] laten uitvoeren. De conclusie daarvan was: ‘geen sprake van integriteitsschendingen’. De Gemeente heeft [appellant] van die conclusie op de hoogte gesteld. Ook heeft de Gemeente (onvoldoende weersproken) gesteld dat [naam 1] is gevraagd om ook buiten werktijd op te letten dat hij bij de Gemeente werkt en waar redelijkerwijs mogelijk rekening te houden met belangen van anderen. Van de Gemeente kan niet gevergd worden nog meer te doen en er veelvuldig op toe te zien dat bepaalde (privé) gedragingen van [naam 1] op het perceel niet meer voorkomen. Ook als sprake zou zijn van een bijzondere zorgplicht, zoals [appellant] heeft bepleit, kan niet worden aangenomen dat de Gemeente deze heeft geschonden.Slotsom in dossier A [naam 1]
De gevorderde verklaringen voor recht worden afgewezen.
9. B. dossier hekwerken Hekwerken 2 en 4 ([b-straat]):Stellingen [appellant]
vordert een verklaring voor recht wegens gesteld onrechtmatig handelen van de Gemeente (onrechtmatige inmenging in [appellant] eigendomsrecht), met de verplichting om de schade aan [appellant] te vergoeden.
[appellant] baseert zijn vordering op het volgende. Hek 2 zijde [b-straat] is zonder zijn toestemming geplaatst, evenals de poort in het betreffende hekwerk. In de poort is zonder zijn toestemming een cilinderslot geplaatst dat gelijk is aan het cilinderslot in de toegangsdeur van hek 4. In strijd met het beweerdelijke vluchtkarakter is in hek 2 een aan beide zijden bedienbaar slot aangebracht, terwijl er helemaal geen sprake was van een brandgang. Vervolgens heeft de Gemeente de bijbehorende sleutels (zonder voorwaarden te bedingen, zoals noodgeval/ verbod tot stallen van zaken op het erf) verstrekt aan de bewoners daar omheen, terwijl deze bewoners geen recht tot gebruik van het perceel hadden. Hierdoor zijn deze omwonenden het perceel wel gaan gebruiken, namelijk om naar de [a-straat] te gaan. Dit gebruik betreft rechtsinbreuken op zijn eigendomsrecht, leidend tot hinder in de bedrijfsexploitatie, vernieling en beschadiging van bedrijfseigendommen (onder meer verfvlekken op de nieuwe bestrating). Bovendien is het hek illegaal, zonder vergunning geplaatst, aldus [appellant]. Daarom is de Gemeente verplicht de daaruit voortvloeiende schade van [appellant] te vergoeden.Verweer van de Gemeente
De Gemeente heeft onder meer het volgende naar voren gebracht. Hek 2 staat niet op het perceel, maar op de grond van eigenaren van de [b-straat]. De Gemeente heeft de plaatsing ervan uit veiligheidsredenen gefaciliteerd. Met de verstrekking van de sleutels of anderszins heeft de Gemeente niet de indruk gewekt dat de bewoners een recht van overpad hadden over het perceel. Dit blijkt ook uit het feit dat de eerste 10 jaar na plaatsing van het hek (in 2004) de omwonenden geen (noemenswaardig) gebruik hebben gemaakt van de poort in hek 2 en dus ook niet van het perceel. Pas vanaf de start van de renovatie (in 2013 of 2014) zijn de bewoners, aldus [appellant] zelf, veelvuldig de route via de poort in hek 2 gaan gebruiken. Het hek met poort is dus niet de oorzaak dat het erf van [appellant] wordt betreden. [appellant] mag bovendien zijn eigen perceel afsluiten, maar zag daar kennelijk aanvankelijk geen noodzaak toe. Beoordeling door het hof
Het hof stelt het volgende voorop. Niet in geschil is dat dit hek 2 (en ook de andere hekken) uit veiligheidsoverwegingen zijn geplaatst, met name wegens overlast door junks. Dit hek en ook de overige hekken dienden aldus een redelijk doel. Evenmin is in geschil dat dit hekwerk volledig staat op grond van derden. In zoverre is geen sprake van inbreuk op het eigendomsrecht van [appellant]. Daarom kan in het midden blijven of het initiatief tot plaatsing van de bewoners is uitgegaan (stelling Gemeente) of van de Gemeente zelf (stelling [appellant]). Dit geldt ook voor de vraag of het hek/de hekken vergunningplichtig was/waren.
Naar het hof de stellingen van [appellant] begrijpt, is het hem vooral te doen om het gebruik dat omwonenden van zijn perceel hebben gemaakt. Hiervan heeft hij naar zijn zeggen hinder en schade gehad. Volgens [appellant] komt dit omdat de Gemeente sleutels voor de poort heeft verschaft aan omwonenden, zodat zij meenden vrije toegang te hebben tot zijn perceel. Daarom acht hij de Gemeente uit onrechtmatige daad aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende schade.
Het was naar het oordeel van het hof beter geweest wanneer de Gemeente terughoudender zou zijn geweest met de verstrekking van sleutels aan omwonenden, maar dit enkele feit is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de Gemeente aldus onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant]. Bovendien ontbreekt het causaal verband met de schade en de voorzienbaarheid. In dit verband wijst het hof met name op het volgende. Nog los van het feit dat de Gemeente de gestelde mate van hinder heeft betwist, is de sleutelverschaffing niet de directe oorzaak geweest van de door [appellant] ervaren hinder. Vast staat immers dat de eerste negen á tien jaar de poort in hek 2 niet of nauwelijks door omwonenden is gebruikt. Daarom ontbreekt het causaal verband tussen het handelen van de Gemeente (de sleutelverschaffing) en de schade. Immers, pas daarna (in 2013/2014) zijn omwonenden volgens [appellant] het perceel gaan betreden. Dit verband was in de gegeven omstandigheden ook niet (in die mate) door de Gemeente te voorzien.
Overigens, als de Gemeente het hekwerk (met poort) niet zou hebben geplaatst hadden omwonenden ook (en nog eenvoudiger) op het perceel van [appellant] kunnen komen, omdat er geen enkele verdere barrière was. [appellant] had zijn perceel immers niet afgesloten. Weliswaar stelt [appellant] dat hij de poort in hek 2 moest dulden, omdat de deelgemeente hem (achteraf ten onrechte) had verteld dat deze poort noodzakelijk was als vluchtroute, maar er is geen enkele aanwijzing ([appellant] stelt dit ook niet als zodanig) dat hij anders zelf op dat moment een hek (op zijn perceel) zou hebben geplaatst om onbevoegden weg te houden. Het bewijsaanbod van [appellant] (memorie van grieven 71) zal daarom als niet relevant worden gepasseerd. Pas veel later (in 2016) is deze wens van [appellant] aan de orde gekomen. Dit heeft geleid tot de discussie over het noodhek op het terrein van [appellant]. Inmiddels is de Gemeente bij het thans bestreden vonnis (onherroepelijk) veroordeeld om schadevergoeding te betalen omdat de Gemeente geen uitvoering heeft gegeven aan de plaatsing van een noodhek op het terrein van [appellant]. In zoverre is [appellant] inmiddels financieel en feitelijk tegemoet gekomen.
Al met al beoordeelt het hof de plaatsing van het hek 2 met poort – dus niet op het terrein van [appellant] – ondanks de verstrekte sleutels niet een onrechtmatige schending van het eigendomsrecht van [appellant]. In ieder geval ontbreekt de voorzienbaarheid en het causaal verband met de gestelde schade. De gevorderde verklaring voor recht van deze strekking zal worden afgewezen.
Voor de volledigheid merkt het hof ten aanzien van hek 4 nog op dat de betreffende vordering niet/nauwelijks door [appellant] is onderbouwd, zodat deze reeds daarom zal worden afgewezen. Bovendien staat dit hek op aanzienlijke afstand van het perceel (zie kadastrale kaart). Ook daarom valt niet in te zien waarom de plaatsing van dit hek en de verstrekking van sleutels voor de poort in dit hek aan omwonenden onrechtmatig zou zijn jegens [appellant]. Voor zover [appellant] stelt dat deze sleutels ook op de poort in hek 2 pasten, waardoor bewoners konden menen dat zij poort 2 naar het perceel vrijelijk konden gebruiken, miskent [appellant] hetgeen het hof hiervoor heeft geoordeeld.Hek 3 ([c-straat]) Stellingen [appellant]
vordert ook hier een verklaring voor recht wegens gesteld onrechtmatig handelen van de Gemeente, met de verplichting om de schade aan [appellant] te vergoeden.
Er is volgens [appellant] sprake van onrechtmatige inmenging in zijn eigendomsrecht door zonder toestemming hek 3 te plaatsen, gedeeltelijk op zijn grond, en door sleutels van de poort te verstrekken aan bewoners in de omgeving, hoewel deze geen recht hadden het perceel te betreden. Met de verstrekking van de sleutels heeft de Gemeente het vertrouwen gewekt dat sprake was van openbaar gebied. Het gevolg hiervan was dat er een tuinzitje werd gemaakt, verrijkt met bloempotten, planten, bomen in potten en speciekuipen. Daarnaast zijn diverse goederen gestald door omwonenden. Toen het hek nog niet was geplaatst gebeurde dit niet, omdat deze goederen dan eenvoudig gestolen konden worden. [appellant] heeft dientengevolge zijn uitpad naar de [c-straat] niet bedrijfsmatig kunnen gebruiken toen dat nodig was vanwege de wegafsluiting van de [a-straat] in de 2e helft van 2013. De Gemeente heeft met de plaatsing van het hekwerk beschikkingshandelingen verricht die een inperking van zijn eigendomsrecht (in de zin van artikel 1 EP en 6:162 BW) vormden. De Gemeente is daarom voor [appellant] schade aansprakelijk.
Verweer van de Gemeente
Ook dit hek is geplaatst in het kader van criminaliteitsbestrijding. De Gemeente betwist dat het hek onzorgvuldig, zonder kadastraal onderzoek, is geplaatst Ook de ernst van de gevolgen wordt betwist. [appellant] kan derden aanspreken. De Gemeente staat buiten die rechtsverhouding. De Gemeente is niet aansprakelijk voor het betreden van het erf door derden en plaatsing van spullen voor het hek.Beoordeling door het hof
Het hek is na kadastraal onderzoek geplaatst uit een oogpunt van criminaliteitbestrijding. Het bezwaar van [appellant] is, naar het hof begrijpt, dat omwonenden vlak voor de (vele jaren niet gebruikte) toegangspoort spullen/planten e.d. zijn gaan plaatsen, zodat [appellant] in 2013 merkte dat hij deze uitrit niet kon gebruiken toen dit voor hem nodig bleek te zijn wegens stremming van de [a-straat].
[appellant] heeft kennelijk de eerste 11 jaar na plaatsing van het hek (in 2002) geen reden gezien om effectief op te treden tegen personen die zijn perceel gebruikten door spullen voor het hek te plaatsen. [appellant] was als eigenaar de aangewezen persoon om dit te doen. De Gemeente staat in beginsel buiten deze rechtsverhouding met [appellant] buren. Niet valt dan ook in te zien waarom de Gemeente valt tegen te werpen dat zij dit hek heeft geplaatst. Dit geldt temeer, nu met het hek een legitiem doel (criminaliteitsbestrijding - ook ten gunste van [appellant]) wordt gediend. Het handelen van de Gemeente is in dit opzicht niet onrechtmatig. Hiervoor is onvoldoende de stelling van [appellant] dat door de afsluiting van deze uitrit met een hek het mogelijk is geworden daar spullen voor te plaatsen. Dit was voor de Gemeente redelijkerwijs niet voorzienbaar. Voor zover [appellant] heeft gesteld dat de Gemeente ten onrechte sleutels van de poort in het hek heeft verschaft aan omwonenden, wijst de Gemeente er op dat ter plaatse sprake is van een aantal erfdienstbaarheden van uitweg ten laste van het perceel, zodat voor de heersende erven van omwonenden toegang door sleutelverschaffing via deze uitrit gewaarborgd moest worden.
Al met al beoordeelt het hof de plaatsing van dit hek 3 en de sleutelverschaffing niet onrechtmatig jegens [appellant]. In ieder geval ontbreekt de voorzienbaarheid en het causaal verband met de gestelde schade. De gevorderde verklaring voor recht van deze strekking zal worden afgewezen. Slotsom dossier B hekwerken
De gevorderde verklaringen voor recht worden afgewezen.
10. C. dossiers riolerings- en herbestratingswerkzaamheden, wijziging parkeervakindeling, bomen kappen, Meerbouw, Duttron Bouw v.o.f.
Deze dossiers gaan over problemen die [appellant] heeft ervaren met de bereikbaarheid van zijn bedrijf in 2013, 2014 en 2015. [appellant] klaagt over de afwijzingen door de rechtbank en heeft, zoals gezegd, in hoger beroep zijn vorderingen aangepast. Het gaat daarbij om:(i) riolerings- en bestratingswerkzaamheden en wijziging parkeervakindeling (11 november 2013 tot in april 2014), (ii) bomen kappen (9 september 2013),(iii) renovatie door Meerbouw van appartementen aan de [b-straat]/ [d-straat] (maart 2014 tot eind 2014),(iv) werkzaamheden door Duttron Bouw aan achtergevels aan de [a-straat] (vanaf januari 2015).
In verband hiermee vordert [appellant] verklaringen voor recht dat de Gemeente uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de schade die [appellant] hierdoor heeft geleden, meer specifiek door een of meer hierna (samengevat) omschreven gedragingen of nalaten van de Gemeente. Subsidiair doet [appellant] een beroep op het égalité-beginsel.Stellingen [appellant] Riolerings- en bestratingswerkzaamheden
De Gemeente is uit onrechtmatige daad aansprakelijk door niet tevoren met [appellant] te overleggen over deze werkzaamheden en door geen maatregelen te treffen om de bereikbaarheid van het bedrijf van [appellant] te waarborgen. De ‘foutmarge’ qua bereikbaarheid van het bedrijf gedurende de riolerings- en bestratingswerkzaamheden was disproportioneel. De aannemer is er niet in geslaagd om te zorgen voor een goed werkende oplossing ter ontsluiting van [appellant] bedrijf met gemotoriseerd verkeer op vier wielen. Toezeggingen van de Gemeente om daar iets aan te doen zijn niet nagekomen. De Gemeente heeft dus niet zorgvuldig gehandeld jegens [appellant] en mitsdien in strijd met de op haar rustende plicht als wegbeheerder en in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid. Omdat vrachtwagens werden geweerd, zonder een vereist verkeersbesluit en behoorlijke bewijzering, werd de bereikbaarheid van het bedrijf van [appellant] verder bemoeilijkt. De enkele rijplaten die op 25 november 2013 bij de inrit van het bedrijf zijn neergelegd, waren ontoereikend. De Gemeente heeft onrechtmatig gehandeld jegens [appellant] door gedurende de periode van uitvoering van de werkzaamheden (aanzienlijk meer dan vier maanden – van 11 november 2013 tot eind april/mei 2014) niet te zorgen voor goede oplossingen voor de bereikbaarheid van het bedrijf van [appellant]. Wijziging parkeervakindeling
Door de wijziging van de parkeervakindeling ([a-straat]) is de oprit naar [appellant] perceel korter geworden. Hierdoor is het in- en uitrijden naar het perceel versmald en daardoor bemoeilijkt. Dit laatste geldt ook voor de laad- en losmogelijkheden. Voor een deel heeft de Gemeente dit probleem opgelost. Men heeft een parkeervak laten vervallen en de uitrit 2 meter verbreed. De losproblemen zijn er nog steeds, waardoor op een langere afstand dan voorheen gelost moet worden.Bomen kappen
[appellant] is tevoren niet door de Gemeente geïnformeerd over deze bomenkap in de [a-straat]. Hij heeft geen bewonersbrief ontvangen. [appellant] verwijt de Gemeente dat deze plotsklaps zonder vooraankondiging de openbare weg heeft afgesloten, waardoor de in- en uitgang naar zijn bedrijf opeens was geblokkeerd. Indien de Gemeente de uitrit naar de [c-straat] niet onrechtmatig had afgesloten met hekwerk 3, had hij deze uitrit kunnen gebruiken.Meerbouw
Meerbouw B.V. (hierna: Meerbouw) heeft als aannemer renovatiewerkzaamheden uitgevoerd in opdracht van de bestuurder van de VvE Flatgebouw [d-straat] [… 7] tot en met [… 4], [b-straat] [x] tot en met [y] en [a-straat] [3] (hierna: de VvE). De Gemeente is hierbij als opdrachtgever betrokken omdat ze in 2009 terzake een last onder bestuursdwang heeft uitgevaardigd, waaraan niet iedereen vrijwillig heeft voldaan. [appellant] heeft veel last gehad van deze renovatie (steigers op zijn uitrit op 11 maart 2014, personeel van Meerbouw op zijn perceel, mede door de poort in hek 2). Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het renoveren een private zaak is, ook al wordt de huiseigenaar daartoe gedwongen door de Gemeente. De Gemeente heeft Meerbouw ingeschakeld. Bovendien zijn de belemmeringen een rechtstreeks gevolg van de onrechtmatige inmenging in het eigendomsrecht van [appellant] door de plaatsing van een poort in hek 2. Duttron Bouw
Deze werkzaamheden zijn in opdracht van de Gemeente uitgevoerd in het kader van de ‘Kwaliteitsimpuls Boergoensehof’. De kosten hiervan zijn door de Gemeente betaald, naar [appellant] meent met Europees subsidiegeld. Bij de uitvoering van de werkzaamheden zijn staalsplinters op het dak, de dakbeglazing en zijn erf terecht gekomen. Voorts hebben medewerkers van Duttron Bouw (hierna: Duttron) op het perceel geurineerd. Pogingen om het gebruik van de uitrit aan de zijde [c-straat] te reguleren zijn niet gelukt, omdat afspraken niet werden nagekomen. [appellant] heeft de Gemeente voor deze mistanden aansprakelijk gesteld. [appellant] verwijst hiervoor naar de correspondentie, die als productie 117 is overgelegd.Verweren Gemeente Riolerings- en bestratingswerkzaamheden, bomenkap en aanleg parkeervakken
Het gaat om rechtmatige werkzaamheden die de gemeente heeft laten uitvoeren in de uitoefening van haar bestuurstaak. De Gemeente en aannemer hebben in alle redelijkheid geprobeerd om hinder voor [appellant] zoveel mogelijk te beperken. Daar is wel eens wat mis gegaan, maar dat is niet altijd te vermijden. Dit overschrijdt in ieder geval niet de onrechtmatigheidsdrempel. Ook de omvang van de gestelde schade is bovendien onduidelijk gebleven.Meerbouw en Duttron Bouw
Meerbouw betreft primair een aangelegenheid tussen de aannemer (Meerbouw) en de bewoners, respectievelijk de VvE van het appartementencomplex. De VvE was opdrachtgever en heeft de werkzaamheden gecoördineerd (ook ten aanzien van een bewoner die na aanschrijving uiteindelijk niet heeft meegedaan). De Gemeente was geen opdrachtgever. De Gemeente noch de VvE had zeggenschap over de werknemers van Meerbouw. Het was zeker niet voorzienbaar dat de poort in de hekken zou gaan dienen als toevoer van bouwmateriaal en/of de plaatsing van steigermateriaal in de uitrit van [appellant].
De Gemeente had geen zeggenschap over de werknemers van Duttron Bouw. Het gestelde gedrag van deze werknemers was voor de Gemeente niet voorzienbaar. Kennelijk zijn er afspraken gemaakt tussen [appellant] en Duttron. De Gemeente is niet aansprakelijk voor de niet-naleving ervan.Beoordeling door hofRiolerings- en bestratingswerkzaamheden, parkeerhaven en, bomenkap
Niet in geschil is dat zowel het rooien van de bomen als de riolerings- en herbestratingswerkzaamheden (inclusief de wijziging van de parkeerplaatsen) door de Gemeente in gang zijn gezet ter uitoefening van haar overheidstaak. Gesteld noch gebleken is dat deze werkzaamheden overbodig waren en/of dat de Gemeente anderszins niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen om deze werkzaamheden uit te laten voeren uit het oogpunt van het algemeen belang. Er was dus sprake van rechtmatige handelingen van de Gemeente, zoals de Gemeente met juistheid naar voren heeft gebracht. Eventuele schadelijke gevolgen hiervan behoren in beginsel tot het normale ondernemersrisico.
[appellant] vindt dat de Gemeente desondanks onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. In verband hiermee heeft hij aangevoerd dat hij tevoren geen bewonersbrief heeft ontvangen en dat niet met hem is overlegd. Deze stelling moet worden genuanceerd, onder meer gelet op de door [appellant] overgelegde producties 41 (bewonersbrief) en 44 (brief aan [appellant] door Stadsbeheer), productie 143 ([… 8] bericht) en productie 194 (uitnodiging bewonersavond 5 november 2012). Uit deze producties blijkt immers (a) dat in juni 2011 een informatieavond heeft plaatsgevonden over het project Boergoensehof ([a-straat], [e-straat], [c-straat]) en dat (b) ook op 5 november 2012 een informatieavond heeft plaatsgevonden. Verder is (c) in het ‘[… 8] bericht’ van februari 2013 uitvoerig melding gemaakt van deze herinrichting, waarbij de [a-straat] concreet is genoemd met andere parkeerplaatsen, ander wegprofiel, verhoogde kruising en vervanging oude bomen. Daarnaast (d) is sprake van een bewonersbrief van 6 september 2013. Weliswaar stelt [appellant] dat hij deze pas op 16 oktober 2013 heeft ontvangen en als dat zo is dan valt dat te betreuren, maar er is geen aanwijzing dat dit te wijten is aan een tekortkoming van de Gemeente. Bovendien moet worden aangenomen dat [appellant] blijkens genoemde berichten al veel eerder op de hoogte was/had kunnen en moeten zijn van de uitvoerige herinrichtingsplannen.
Ook van de door [appellant] gestelde onrechtmatige afsluiting met hek 3 is geen sprake. Het hof verwijst hiervoor naar overwegingen 9.13 tot en met 9.15. Al met al is van onrechtmatig handelen van de Gemeente in dit dossier niet gebleken. [appellant] heeft nog gesteld (onder meer met verwijzing naar productie 44) dat de Gemeente afspraken niet nakwam. Duidelijk is in dit verband dat over en weer tevergeefs is geprobeerd om oplossingen te vinden, maar dat dit niet tot een bevredigend resultaat heeft geleid. Ook is duidelijk dat [appellant] door de herinrichting van de omgeving belemmeringen heeft ondervonden in zijn bedrijfsvoering, maar het gaat in de gegeven omstandigheden te ver om deze aan onrechtmatig handelen van de Gemeente te wijten. De betreffende rechtmatige werkzaamheden (riolering, bestrating en bomenkap) kunnen niet plaatsvinden zonder hinder voor de omgeving, maar binnen zekere grenzen heeft de omgeving dat, zoals gezegd, te dulden in het kader van het algemeen belang. Overigens is de Gemeente [appellant] ten aanzien van de parkeerhaven al deels tegemoet gekomen (zie overweging 10.4).
Voor wat betreft het beroep op het égalitébeginsel. geldt in de civiele procedure dat de gemeente aansprakelijk kan zijn op grond van onrechtmatige daad wanneer vast komt te staan dat een bepaalde burger (of groep van burgers) onevenredig zwaar door een in het algemeen belang geboden overheidshandeling is getroffen. Dat [appellant] onevenredig zwaar zou zijn getroffen, is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan. . Daarenboven verdient opmerking dat [appellant] na de invoering van de Algemene Verordening Nadeelcompensatie (AVN) van de Gemeente op 1 januari 2014 een beroep op deze verordening had kunnen doen.
Meerbouw en Duttron Bouw
Ook de vordering ten aanzien van het handelen van (het personeel van) Meerbouw zal worden afgewezen. Het is de VvE geweest die opdracht heeft gegeven aan Meerbouw, terwijl de VvE de coördinatie had, ook ten aanzien van de ene partij die weigerachtig bleef om te voldoen aan het dwangbevel. De omstandigheid dat de VvE tot deze renovatie werd gestimuleerd door de aanschrijving van de Gemeente maakt de Gemeente nog geen contractspartij en aansprakelijk voor handelingen van het personeel van Meerbouw. Het verwijt omtrent hek 2 wordt verworpen. Wanneer er helemaal geen hek (met poort) had gestaan, dan was het perceel ook feitelijk toegankelijk geweest voor aannemer Meerbouw.
Wat Duttron betreft gaat het hof ervan uit dat de Gemeente weliswaar opdrachtgever was, maar dit betekent niet dat personeel van Duttron (waarover [appellant] klaagt) ondergeschikt was aan de Gemeente in de zin van artikel 6:170 of 171 BW. Ook [appellant] ging daarvan niet uit. Dit blijkt wel uit de overgelegde correspondentie (productie 117 van [appellant]), waarbij [appellant] zich met juistheid vrijwel steeds tot Duttron heeft gericht. Het gestelde gedrag van deze werknemers was voor de Gemeente ook niet voorzienbaar. Er is onder deze omstandigheden geen grondslag voor aansprakelijkheid van de Gemeente. Voor zover [appellant] nog noemt de onrechtmatige afsluiting met hek 3, verwijst het hof naar de afwijzing daarvan in overwegingen 9.13 tot en met 9.15.
Ook hier ziet het hof geen grond voor aansprakelijkheid op grond van het égalitébeginsel.Slotsom in dossier C Riolerings- en herbestratingswerkzaamheden, wijziging parkeervakindeling, bomen kappen, Meerbouw, Duttron Bouw
De gevorderde verklaringen voor recht worden afgewezen.
11. D dossier onteigeningsdeskundige
[appellant] vordert een verklaring voor recht, naar het hof begrijpt inhoudende dat de Gemeente (i) aansprakelijk is voor de kosten van de deskundige [naam 2], die [appellant] had ingeschakeld ter begroting van de schade in het kader van overeen te komen bedrijfsverplaatsing en (ii) voor de schade wegens afgebroken onderhandelingen hieromtrent.
De Gemeente heeft deze vordering gemotiveerd betwist.
Uitgangspunt is dat het iedere partij vrijstaat om onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigde vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van een overeenkomst of in verband met de overige omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn.
Dat [appellant] het gerechtvaardigd vertrouwen mocht hebben in de totstandkoming van een afspraak over bedrijfsverplaatsing valt niet in zijn stellingen te lezen en is ook overigens niet gebleken. De omstandigheid dat de Gemeente aanvankelijk niet voor het noodhek wilde betalen (pas na het vonnis) is daartoe onvoldoende. Van een toezegging van de Gemeente om de (deskundige)kosten te dragen, is geen sprake. [appellant] heeft dit ook niet als zodanig gesteld. De door [appellant] aangeboden te bewijzen stellingen (dat er geen budget was en dat ook de Gemeente een rapport zou overleggen) kunnen – ook als zij worden bewezen - niet tot een andere beslissing leiden zodat het bewijsaanbod op dit punt wordt gepasseerd. Van een andere grondslag voor aansprakelijkheid is evenmin gebleken.
Ook deze gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen.
12. E dossier tegenwerking exploitatie bedrijf - inrichting [d-straat] Stellingen [appellant]
vordert een verklaring voor recht dat de Gemeente aansprakelijk is uit onrechtmatige daad voor de door [appellant] geleden schade wegens de wijziging van de inrichting van de [d-straat] (tussen de Frans Bekkerstraat en de Kromme Zandweg). Concreet gaat het daarbij om illegale fysieke maatregelen die de Gemeente in oktober 2017 zonder voorafgaand verkeersbesluit heeft getroffen (het verbreden van inhammen op de rijbaan en het daarop plaatsen van rotsblokken).Verweer Gemeente
De volgens [appellant] – illegale - maatregelen zijn gelegaliseerd met het latere verkeersbesluit van 16 december 2019. Hiertegen heeft [appellant] procedures aanhangig gemaakt (een handhavingsverzoek en een procedure over het verkeersbesluit). De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 23 september 2021 de beroepen van [appellant] ongegrond verklaard. De rotsblokken zijn inmiddels verwijderd. Op verzoek van omwonenden is de straat verkeersluw gemaakt. Het treffen van verkeersmaatregelen hoort tot een normale maatschappelijke ontwikkeling. De nadelige gevolgen hiervan moeten in beginsel voor rekening van betrokkenen blijven. Dit geldt zeker nu het bedrijf van [appellant] is gevestigd in de nabijheid van woningen en een basisschool. Omdat er concreet zicht was op legalisatie mocht van handhaving worden afgezien. Beoordeling hof
Het hof stelt voorop dat de Gemeente met juistheid heeft gesteld dat het treffen van verkeersmaatregelen hoort tot een normale maatschappelijke ontwikkeling. De nadelige gevolgen hiervan moeten in beginsel voor rekening van betrokkenen blijven. Dit geldt zeker nu het bedrijf van [appellant] is gevestigd in de nabijheid van woningen en een basisschool. De omstandigheid dat het verkeersbesluit van 16 december 2019 op dit moment nog niet onherroepelijk is, laat onverlet dat dit inmiddels al wel is getoetst door de rechtbank en in orde is bevonden. De Gemeente dient bij het treffen van verkeersmaatregelen te letten op meerdere belangen en daarin een afweging maken. Er is geen reden om te veronderstellen dat deze afweging onvoldoende zorgvuldig jegens [appellant] heeft plaatsgevonden. Dat [appellant] met zijn bedrijf last heeft van de betreffende verkeersmaatregelen, is niet voldoende om de Gemeente jegens [appellant] uit onrechtmatige daad aansprakelijk te houden voor zijn schade, juist nu de Gemeente met tal van conflicterende belangen in deze woonbuurt met school rekening heeft te houden. [appellant] heeft bij pleidooi nog gesteld dat ondanks het legaliserende verkeersbesluit de situatie ongewijzigd is gebleven omdat aan de daarin gestelde voorwaarden (aanleg laad- en losplaats, opheffing eenrichtingsverkeer op [a-straat]) niet is voldaan, behoudens de verwijdering van rotsblokken. Wat hier ook van zij, dit maakt het oordeel van het hof niet anders, waarbij het hof nog opmerkt dat deze kwestie thans voorligt bij de hoogste bestuursrechter.
Deze gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen.VORDERING II: SCHADEVERGOEDING OP GROND VAN VOORMELDE VERKLARINGEN VOOR RECHT (overwegingen 13 en 14)
13. Primair
[appellant] vordert op grond van onrechtmatige daad de Gemeente te veroordelen tot schadevergoeding als gevolg van voormelde gevraagde verklaringen voor recht, nader op te maken bij staat en te vereffenen op grond van de wet.
Deze vordering zal, gelet op de afwijzing van deze verklaringen voor recht, eveneens worden afgewezen.
14. Subsidiair
[appellant] vordert subsidiair op grond van rechtmatige overheidsdaad schadevergoeding als gevolg van voormelde gevraagde verklaringen voor recht, nader op te maken bij staat en te vereffenen op grond van de wet, dit op grond van het égalitébeginsel.
Ook deze vordering zal, gelet op het voorgaande worden afgewezen.VORDERING III:KOSTEN RECHTSBIJSTAND(overweging 15)
15. Gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten
[appellant] vordert primair om de Gemeente te veroordelen tot betaling van zijn redelijkerwijs gemaakte kosten wegens rechtsbijstand buiten rechte (in de dossiers hekwerken, inbreuken op zijn eigendomsrechten, plaatsing rotsblokken en wegversmallingen).
Het hof wijst deze vordering af omdat er, gezien voormelde afwijzingen, geen grondslag voor is.
[appellant] vordert subsidiair wegens buitengerechtelijke kosten een bedrag door het hof in goede justitie te bepalen.
Het hof wijst ook deze vordering af bij gebrek aan grondslag daarvoor.VORDERING IV:OPHEFFING ONRECHTMATIGE TOESTAND (overweging 16)
16. Wijziging toegangsdeur in hek 2.
[appellant] vordert dat de Gemeente ter opheffing van de door haar toedoen ontstane onrechtmatige feitelijke situatie wordt veroordeeld om de toegangsdeur in dit hek zodanig te wijzigen dat deze niet meer vrijelijk door omwonenden kan worden gebruikt. Subsidiair vordert [appellant] schadevergoeding.
Het hof wijst deze vordering af. Er is geen grond voor schadevergoeding, niet in natura en niet in geld. Het hof verwijst hiervoor naar overweging 9.8.VORDERING V:HERSTEL IN NATURA (overweging 17)
17. Nieuwe hekken langs de tuinen van de bewoners [a-straat] en [c-straat], grenzend aan het perceel
[appellant] vordert herstel in natura van de onrechtmatige situatie, dan wel vervangende schadevergoeding, zodat voor bewoners [c-straat], [a-straat] en [d-straat] duidelijk is waar de erfgrens met het perceel loopt.
Het hof heeft hiervoor geoordeeld dat er geen grondslag is voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Daarom moet deze vordering reeds worden afgewezen.Hetgeen [appellant] in de memorie van grieven (203-206) heeft gesteld maakt dit niet anders.
Overigens staat het [appellant] als eigenaar van het perceel vrij om zijn perceel ter plaatse op zijn eigen perceel af te sluiten.VORDERING VI:LAAD- en LOSVOORZIENING (overweging 18)
18. Laad- en losvoorziening van minimaal 21 meter ten behoeve van [appellant] bedrijf
[appellant] vordert, op straffe van een dwangsom, om de Gemeente te gebieden een voor leveranciers van het bedrijf van [appellant] aan de [a-straat] functionerende laad- en losvoorziening aan te brengen, geschikt voor vrachtwagens met een lengte van 16,5 en 18 meter, waarvoor parkeerruimte van minimaal 21 meter nodig is. Daarbij moet, aldus [appellant], rekening gehouden worden met de noodzaak om vrachtwagens aan twee zijden te lossen in verband met het gebruik van een kooiaap (meeneem-heftruck). Ook moet de voorziening niet verder dan 50 meter van zijn perceel afliggen en gebruikt mogen worden tussen 6.00 uur en 18.00 uur.
De Gemeente heeft gemotiveerd verweer gevoerd en gesteld dat de bestuursrechter de aangewezen rechter is om te oordelen over het verkeersbesluit van december 2019. Hierin is onder meer de kwestie van de laad- en losplekken aan de orde.
Het hof oordeelt als volgt. Vast staat dat dicht bij het bedrijf van [appellant] een laad- en losvoorziening (van 15 meter) is gemaakt, zij het dat [appellant] deze niet groot genoeg vindt. Ook vindt hij het tijdvenster voor gebruik te klein. Het hof ziet echter geen grond om aan [appellant] een grotere laad- en losplek toe te kennen (met een ruimer tijdvenster) in afwijking van het verkeersbesluit, dat juist na afweging van tal van belangen tot stand is gekomen. Zoals de Gemeente met juistheid heeft betoogd is de bestuursrechter exclusief bevoegd om het verkeersbesluit te toetsen. De bestuursrechter in de rechtbank heeft dit inmiddels gedaan en [appellant] op dit punt ongelijk gegeven. Het wachten is nu op de uitslag in hoger beroep. Het hof ziet geen aanleiding om dit in deze civiele procedure te doorkruisen, nu er geen aanwijzing is dat de laad- en losmogelijkheden van [appellant] onredelijk worden beperkt. Daarom wordt deze vordering afgewezen.VORDERING VII:IMMATERIËLE SCHADEVERGOEDING (overweging 19)
19. Smartengeld wegens voormelde onrechtmatige inmenging door de Gemeente
Het hof wijst deze vordering af. Blijkens het voorgaande heeft de Gemeente niet onrechtmatig gehandeld jegens [appellant]. Bovendien is onvoldoende komen vast te staan dat de situatie van aantasting in de zin van artikel 6:106 (onder b) BW zich hiervoor doet. VORDERING VIII:GEBOD TOT VOORZORGSMAATREGELEN(overweging 20)
20. Weren ambtenaren op het perceel, behoudens ter uitoefening van een publieke taak
[appellant] vordert dat de Gemeente, op straffe van een dwangsom, redelijke voorzorgsmaatregelen treft ter voorkoming dat gemeenteambtenaren onnodig het perceel betreden en/of dienstvoertuigen parkeren en/of de uitrit blokkeren.
Een dergelijk algemeen gebod is niet toewijsbaar. Daarom wijst het hof dit af.VORDERING IXGEBOD TOT MAATREGELEN(overweging 21)
21. Gebod tot toezicht op werknemers bij toekomstige werkzaamheden rond het perceel
[appellant] vordert thans reeds, op straffe van een dwangsom, een gebod voor een mogelijke situatie in de toekomst wanneer de Gemeente werken zal laten uitvoeren door derden in de buurt van het perceel. [appellant] wil dat de Gemeente geboden wordt om alsdan dusdanige maatregelen te treffen dat de werknemers geen gebruik maken van het perceel behoudens andersluidende schriftelijke afspraken met [appellant].
Ook dit algemeen verbod is niet toewijsbaar en zal worden afgewezen.
22. Conclusie en slotsom
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Het hof passeert het bewijsaanbod van [appellant] omdat zijn stellingen, ook als zij worden bewezen, niet tot een andere beslissing kunnen leiden. Het bestreden vonnis, voor zover aan het hoger beroep onderworpen, zal worden bekrachtigd. Voor zover [appellant] in hoger beroep nieuwe of andere vorderingen heeft ingesteld zullen deze worden afgewezen.
Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.
23. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van 22 april 2020 van de rechtbank Rotterdam, voor zover aan dit hoger beroep onderworpen;
wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde;
veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 760,-- aan griffierecht en € 3.342,-- aan salaris voor de advocaat (tarief II x 3 punten);
verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, M.P.J. Ruijpers en J.N. de Blécourt en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2022 in aanwezigheid van de griffier.