ECLI:NL:GHDHA:2022:3032

ECLI:NL:GHDHA:2022:3032, Gerechtshof Den Haag, 14-07-2022, 22-000539-22

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 14-07-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22-000539-22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:356
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854

Samenvatting

De verdachte heeft meegeholpen bij een beroving van de eigenaar van een bedrijfsbus met daarin een werkplaats voor het repareren van telefoons en laptops. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden. Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 409,55.Gepubliceerd naar aanleiding arrest van de Hoge Raad.

Uitspraak

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 9 juli 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

laatst opgegeven adres: [verblijfplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden - het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het primair

tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het

subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een

gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek

van het voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk,

met een proeftijd van 2 jaren, met bijzondere

voorwaarden, als nader omschreven in het vonnis waarvan

beroep. Voorts is in eerste aanleg een beslissing genomen omtrent het in beslag genomen goed en de vordering van de benadeelde partij, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

De meervoudige kamer van dit gerechtshof heeft bij arrest van 29 juli 2020 het vonnis waarvan beroep vernietigd en de verdachte ter zake van het hem primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft het hof de teruggave gelast van de inbeslaggenomen personenauto en is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, eveneens met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

Tegen dit arrest is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 22 februari 2022 de bestreden uitspraak vernietigd en heeft de zaak teruggewezen naar dit gerechtshof, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 17 januari 2018 te Gouda tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op en/of aan de openbare weg (Klimopstraat), met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een iPhone en/of een autosleutel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het tonen van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer] en/of het richten van dat vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer] en/of het trekken van de capuchon over het hoofd van die [slachtoffer] en/of het vastpakken van en/of het duwen en/of trekken aan die [slachtoffer].

zulks terwijl tijdens het plegen van dit misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 17 januari 2018 te Gouda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen iPhone en/of een autosleutel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het het tonen van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer] en/of het richten van dat vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer] en/of het trekken van de capuchon over het hoofd van die [slachtoffer] en/of het vastpakken van en/of het duwen en/of trekken aan die [slachtoffer],

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 17 januari 2018 te Gouda en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door als chauffeur op te treden waarmee [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] naar de plek zijn gereden waar zij met die [slachtoffer] hadden afgesproken en/of als chauffeur op te treden van die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] nadat zij die [slachtoffer] hadden beroofd

zulks terwijl tijdens het plegen van dit misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 720 dagen, waarvan 310 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, onder de algemene voorwaarden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Met de verdediging en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bespreking verweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte zich – overeenkomstig de door hem overgelegde en voorgedragen pleitnota – op het standpunt gesteld dat de verdachte van het subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, nu daartoe onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de verdachte opzettelijk gelegenheid heeft verschaft tot het plegen van het misdrijf en tevens dat zijn opzet – al dan niet in voorwaardelijke vorm – gericht was op het door de daders gepleegde misdrijf.

Beoordelingskader

Het hof stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 1° of 2º Sr, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict). Bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige behoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Onder die precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, is ook begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan; op die deelnemingsvorm behoeft het opzet van de medeplichtige dus niet te zijn gericht.

Feiten en omstandigheden

Uit de bewijsmiddelen kunnen de volgende feiten en omstandigheden worden afgeleid.

Op 17 januari 2018 maakte de aangever in de ochtend telefonisch een afspraak voor een ontmoeting in verband met een mogelijke aankoop door de aangever van een Macbook. Deze ontmoeting zou om 14.00 uur plaatsvinden in Gouda. Rond dat tijdstip kwamen twee jongens in de afgesproken straat aanlopen, waarvan één de aangever aansprak en zei dat hij het graag op de hoek van de straat af wilde handelen. Daarop is de aangever met zijn bus naar het einde van de straat gereden. Vervolgens is de aangever tussen 14.20 uur en 14.26 uur door de twee mannen, onder bedreiging met een vuurwapen, beroofd van zijn telefoon en zijn autosleutel.

De verdachte ging op 17 januari 2018 in een zwarte Audi naar Gouda. Ook de auto van medeverdachte [medeverdachte 2], een VW Fox, reed die dag naar Gouda.

Daarbij kan het volgende tijdpad worden vastgesteld:

uur: De Audi en de VW Fox reden vanaf de Tjalklaan in Rotterdam de A20 op richting Gouda. Voorafgaand hieraan reden beide voertuigen binnen de gemeente Rotterdam over de Pelgrimstraat en de Tjalklaan achter elkaar aan.

uur: De Audi reed op de Bosweg in Gouda, stapvoets. De auto reed langs de Woudstraat, in de richting van de Jan Philipsweg.

uur: De Audi reed met normale snelheid de Klimopstraat in.

uur: Een man liep vanaf de Woudstraat in de richting van de Bosweg en daarna in de richting van de Jan Philipsweg.

uur: De Audi reed vanuit de Jan Philipsweg over de Bosweg in de richting van de Walvisstraat, dit maal met hoge snelheid.

De straten waar de Audi in Gouda werd gezien bevinden zich in de nabijheid van de Klimopstraat.

uur: De Audi reed op de Vierhavenstraat in Rotterdam.

uur: De Audi stond stil op de Maashaven Oostzijde in Rotterdam. Op de bestuurdersplaats zat de verdachte, op de bijrijdersplaats [medeverdachte 2] en achterin [medeverdachte 1]. Zij werden aangehouden.

In de Audi werd in het portiervak van het rechterportier een telefoon aangetroffen, die van de aangever bleek te zijn.

De aangever herkende [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als de mannen die hem hadden overvallen.

In de Audi en bij de verdachten werden diverse telefoons aangetroffen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hadden ieder twee telefoons bij zich. In de auto werd verder nog een zwarte Nokia aangetroffen en toen de verdachte uitstapte viel er een witte iPhone op de grond.

Op de dag van de overval werd door een telefoonnummer toegeschreven aan [medeverdachte 2] om 12.07 uur contact gezocht met het telefoonnummer behorende bij de witte iPhone die bij het uitstappen van de verdachte op de grond was gevallen. Er vond geen gesprek plaats. Om 12.15 uur zocht het nummer van de witte iPhone contact met het nummer van [medeverdachte 2] en vond er kennelijk een gesprek plaats.

Oordeel hof

Ten aanzien van de witte iPhone

De verdachte heeft zowel bij de politie als bij de rechtbank verklaard dat hij zijn telefoon, een witte iPhone, kwijt was. In hoger beroep d.d. 15 juli 2020 heeft de verdachte verklaard dat hij deze thuis had gelaten. Mede gelet op deze wisselende verklaringen in samenhang met de omstandigheid dat er een witte iPhone op de grond viel toen de verdachte uit de Audi stapte, is het hof van oordeel dat deze witte iPhone moet hebben toebehoord aan de verdachte. Voorts is niet gesteld noch gebleken dat iemand anders dan de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] die dag de Audi heeft gebruikt en de iPhone daarin heeft achtergelaten. Voorts neemt het hof in aanmerking dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ieder twee telefoons bij zich hadden en dat het niet aannemelijk is dat de verdachte geen telefoon bij zich had. Ten slotte is van belang dat de iPhone in ieder geval niet toebehoorde aan [medeverdachte 2] gelet op het eerdere contact tussen het nummer van de iPhone en het nummer van [medeverdachte 2].

Ten aanzien van het medeplichtigheid

Uit het hiervoor weergegeven tijdvak kan worden afgeleid dat de Audi waarin de verdachte reed slechts enkele minuten in Gouda is geweest en steeds is waargenomen in de nabijheid van de straat waar de overval heeft plaatsgevonden. Daarbij valt op dat de Audi aanvankelijk stapvoets reed en later met verhoogde snelheid in tegengestelde richting reed. Gelet op het tijdvak waarin de overval heeft plaatsgevonden, is aannemelijk dat het stapvoets rijden vóór dan wel tijdens de overval plaatsvond en het met verhoogde snelheid rijden daarna. Bij deze omstandigheden past niet de door de verdachte afgelegde verklaring ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 15 juli 2020 dat hij in Gouda was om een rondje te maken. Die verklaring acht het hof dan ook niet aannemelijk.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 15 juli 2020 voorts verklaard dat de medeverdachten zowel op de heen- als de terugreis bij hem in de auto zaten. Gelet op de ARS-gegevens met betrekking tot de auto van [medeverdachte 2], in samenhang met de aanwezigheid van de autosleutel in diens tasje en het aantreffen van deze auto in Gouda, is dat niet aannemelijk. Het met twee auto’s naar Gouda rijden vraagt in het licht van de overige bewijsmiddelen om een verklaring van de verdachte, die hij kennelijk niet heeft willen geven.

De overval was kennelijk gepland. In de ochtend werd immers al een tijdstip afgesproken waarop de ontmoeting met de aangever zou plaatsvinden. Vervolgens vond er een telefoongesprek plaats tussen de Iphone van de verdachte en [medeverdachte 2], waarna gezamenlijk richting Gouda werd gereden.

De verdachte is iets meer dan een uur na de overval aangetroffen in een auto waarin zich ook [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] - door de aangever herkend als de plegers van de overval - bevonden. Ook de weggenomen telefoon van de aangever was in deze auto aanwezig.

De verdachte kende [medeverdachte 1]. Hij was twee dagen eerder samen met hem gecontroleerd. Zowel [medeverdachte 1] als de verdachte zouden eerder in het bezit zijn geweest van vuurwapens. [medeverdachte 1] is ook degene die door de aangever is aangewezen als de man die in het bezit was van het vuurwapen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte niet een van de twee overvallers was. Het hof stelt vast dat de verdachte kort na de overval wel is aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij de overval duiden. Gelet op het met twee auto’s naar Gouda rijden en het rijgedrag van de verdachte in de omgeving van de plaats waar de overval plaatsvond, gaat het hof ervan uit dat de verdachte heeft geweten dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] degene met wie een afspraak was gemaakt gingen overvallen. Het hof betrekt daarbij dat de verklaring van de verdachte, onder meer over de reis naar Gouda, de reden van zijn aanwezigheid daar en de eigendom van de in de auto aangetroffen iPhone, niet aannemelijk is geworden.

Het hof is van oordeel dat – op grond van het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien - de rol van de verdachte die van chauffeur van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] was een en ander zoals bewezenverklaard. Nu de verdachte geen verdere duidelijkheid heeft verschaft over zijn rol gaat het hof uit van medeplichtigheid in de vorm van behulpzaamheid gericht op het overvallen van aangever door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 17 januari 2018 te Gouda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft hebben weggenomen een iPhone en/of een autosleutel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het het tonen van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer] en/of het richten van dat vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer] en/of het trekken van de capuchon over het hoofd van die [slachtoffer] en/of het vastpakken van en/of het duwen en/of trekken aan die [slachtoffer],

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 17 januari 2018 te Gouda en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door als chauffeur op te treden waarmee [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] naar de plek zijn is gereden waar zij met die [slachtoffer] hadden afgesproken en/of als chauffeur op te treden van die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] nadat zij die [slachtoffer] hadden beroofd

zulks terwijl tijdens het plegen van dit misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

medeplichtigheid aan diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft meegeholpen bij een beroving van de eigenaar van een bedrijfsbus met daarin een werkplaats voor het repareren van telefoons en laptops, zoals bewezenverklaard. De aangever werd door een van de medeverdachten telefonisch benaderd over de koop van een laptop. Toen de aangever met zijn bedrijfsbus ter plaatse kwam, heeft hij zijn bus op verzoek van de medeverdachten aan het einde van de straat geparkeerd en is een medeverdachte ingestapt. Vervolgens zijn in de bedrijfsbus de telefoon en de autosleutel van de aangever gestolen. De verdachte heeft de medeverdachten vervoerd in zijn auto. Diefstal is een feit dat naast financiële schade voor de benadeelde ook onrustgevoelens en overlast met zich brengt. De verdachte heeft door zijn handelen blijk gegeven onvoldoende respect te hebben voor andermans eigendomsrecht.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 juni 2022, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in hoger beroep is overschreden, gelet op de omstandigheid dat de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevond.

Het hof stelt vast de verdachte zich ten tijde van het instellen van het hoger beroep op 20 juli 2018 in voorlopige hechtenis bevond. Op 8 maart 2019 is de voorlopige hechtenis geschorst. Vanaf dat moment verkeerde de verdachte niet meer in voorlopige hechtenis. Gelet hierop heeft de verdachte in hoger beroep vanaf het instellen van het hoger beroep minder dan 16 maanden in voorlopige hechtenis verkeerd en diende in hoger beroep uitspraak te worden gedaan binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep (zie ECLI:NL:HR:2020:934).

Gelet op de zeer beperkte overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep zal het hof daaraan geen gevolgen verbinden. Wat de betreft de fase na het instellen van het beroep in cassatie is er geen sprake van een overschrijding als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en is de zaak voortvarend door de Hoge Raad en het Hof in de huidige samenstelling afgedaan.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 2.630,30.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 1.241,27, bestaande uit een bedrag van € 491,27 aan materiële schade en een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.159,55, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat een bedrag van € 409,55 aan materiële schade is geleden. Daarbij gaat het hof uit van de posten “autosleutel”, verminderd met het door de verzekering betaalde bedrag en exclusief BTW, “verlies van arbeidsvermogen” en “reiskosten”. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot een bedrag van (€ 104,38 + € 62,17 + € 243,00 =) € 409,55, hoofdelijk, worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige, te weten de gevorderde immateriële schade, levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 409,55 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Beslag

Nu niet blijkt dat de in beslag genomen personenauto aan de verdachte toebehoorde en evenmin dat de rechthebbende bekend was met het gebruik van de auto ten behoeve van het bewezenverklaarde feit zal de vordering van de advocaat-generaal tot verbeurdverklaring van de auto worden afgewezen.

Overeenkomstig het verzoek van de raadsman van de verdachte, zal het hof de teruggave van de auto aan de rechthebbende gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 48, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

STK Personenauto [kenteken] Audi A4 Avant 2005 Kl: zwart.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 409,55 (vierhonderdnegen euro en vijfenvijftig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 409,55 (vierhonderdnegen euro en vijfenvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 januari 2018.

Dit arrest is gewezen door mr. N. Schaar, mr. T.J. Sleeswijk Visser en mr. L.J.M. Janssen, in bijzijn van de griffier mr. M. Rouw.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 juli 2022.

Mr. N. Schaar en mr. L.J.M. Janssen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. N

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?