ECLI:NL:GHDHA:2022:3038

ECLI:NL:GHDHA:2022:3038, Gerechtshof Den Haag, 19-10-2022, 22-005252-19

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 19-10-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22-005252-19
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:621
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan oplichting. Gepubliceerd naar aanleiding arrest van de Hoge Raad.

Uitspraak

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 1 november 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1990,

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven. Tot slot is omtrent de vordering van de benadeelde partij beslist als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 28 oktober tot en met 23 december 2016 te Sassenheim, gemeente Teylingen en/of De Zilk, gemeente Noordwijkerhout, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een bedrag van 100.000,- Britse ponden, door

- zich, als genaamd [pseudoniem verdachte], voor te doen als een zakenman en/of als werknemer van een bedrijf [bedrijf] en/of (vervolgens)

- [ slachtoffer] voornoemd voor te houden in bedrijven te investeren en deze met winst weer te verkopen en/of (vervolgens)

- [ slachtoffer] voornoemd voor te houden onroerend goed (deels cash) te willen aankopen en/of (vervolgens)

- [ slachtoffer] voornoemd te vragen naar de mogelijkhe(i)d(en) om een (gr(o)ot()e) geldbedrag(en) om te wisselen en/of (vervolgens)

- met [slachtoffer] voornoemd een afspraak te maken om 125.000,- euro (in biljetten van 500 euro) om te wisselen voor 100.000,- Britse ponden en/of (vervolgens)

- zich aan die [slachtoffer] voornoemd te hebben gelegitimeerd met een vals paspoort (op naam van [naam 1] en/of [naam 2]) en/of (vervolgens)

- aan die [slachtoffer] voornoemd (slechts) 7 (echte) 500-euro biljetten te overhandigen en 296 valse 500-euro biljetten (met het opdruk '[opdruk biljet]').

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in of omstreeks de periode van 28 oktober tot en met 23 december 2016 te Sassenheim, gemeente Teylingen en/of De Zilk, gemeente Noordwijkerhout, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een bedrag van 100.000,- Britse ponden, door

- zich, als genaamd [pseudoniem verdachte], voor te doen als een zakenman en/of als werknemer van een bedrijf [bedrijf] en/of (vervolgens)

- [ slachtoffer] voornoemd voor te houden in bedrijven te investeren en deze met winst weer te verkopen en/of (vervolgens)

- [ slachtoffer] voornoemd voor te houden onroerend goed (deels cash) te willen aankopen en/of (vervolgens)

- [ slachtoffer] voornoemd te vragen naar de mogelijkhe(i)d(en) om een (gr(o)ot()e) geldbedrag(en) om te wisselen en/of (vervolgens)

- met [slachtoffer] voornoemd een afspraak te maken om 125.000,- euro (in biljetten van 500 euro) om te wisselen voor 100.000,- Britse ponden en/of (vervolgens)

- zich aan die [slachtoffer] voornoemd te hebben gelegitimeerd met een vals paspoort (op naam van [naam 1] en/of [naam 2]) en/of (vervolgens)

- aan die [slachtoffer] voornoemd (slechts) 7 (echte) 500-euro biljetten te overhandigen en 296 valse 500-euro biljetten (met het opdruk '[opdruk biljet]').

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Verweren

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota – aangevoerd dat de politie cruciale fouten heeft gemaakt bij de enkelvoudige fotoconfrontaties met getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en aangever [slachtoffer]. Al deze enkelvoudige fotoconfrontaties zijn zo’n twee jaar verricht nadat de getuigen ‘[pseudoniem verdachte]’ hadden gezien. Er zijn bovendien op voorhand geen (juiste) instructies gegeven aan de getuigen en volgens de raadsman schiet de verbalisering door de politie tekort. Daarnaast, aldus nog steeds de raadsman, is de politie sturend opgetreden in de opbouw van de vragen naar de confrontatie toe alsmede in de wijze en volgorde van het tonen van foto’s.

Voorgaande werkwijze is onverenigbaar met een eerlijke procesvoering en maakt volgens de raadsman dat sprake is van een onrechtmatigheid in de bewijsgaring en aldus van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, hetgeen dient te leiden tot bewijsuitsluiting van alle herkenningen. In ieder geval dienen volgens de raadsman de resultaten van de fotoconfrontaties vanwege hun onbetrouwbaarheid (alsnog) van het bewijs te worden uitgesloten.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van een verklaring van een getuige die de dader van een strafbaar feit zegt te herkennen op een bij een enkelvoudige fotoconfrontatie getoonde foto. Dat is niet anders indien het bewijs in belangrijke mate uit dergelijke enkelvoudige fotoconfrontaties bestaat.

Bij fotoconfrontaties worden in de praktijk vaak instructievoorschriften gehanteerd, die ertoe dienen een zo betrouwbaar mogelijke herkenning tot stand te brengen. Door de raadsman is in dit verband de Handleiding confrontatie van A.G. van Amelsvoort genoemd, en de daarin opgenomen ‘richtlijnen enkelvoudige foto- en videobewijsconfrontatie.’ Dergelijke voorschriften zijn evenwel niet aan te merken als ‘recht’ in de zin van artikel 79 van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De wet bevat geen voorschriften voor het uitvoeren van een enkelvoudige fotoconfrontatie. Dat niet in overeenstemming is gehandeld met één of meer instructievoorschriften en/of dat de politie de aan te bevelen werkwijze niet zorgvuldig (genoeg) zou hebben gevolgd, maakt dan ook niet dat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Het hof zal het verweer op dit punt verwerpen.

Het hof is bovendien van oordeel dat in deze zaak sprake is van betrouwbare herkenningen, zodat het verweer van de raadsman ook in zoverre wordt verworpen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Aangever [slachtoffer] heeft ‘[pseudoniem verdachte]’ drie keer, en op verschillende tijden en plaatsen ontmoet, waarbij [pseudoniem verdachte] bij [slachtoffer] een zekere indruk had achtergelaten: in zijn aangifte heeft [slachtoffer] een uitgebreide beschrijving gegeven van de uiterlijke kenmerken van [pseudoniem verdachte] en van diens voorkomen en optreden. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij zag dat de persoon op de politiefoto (het betreft een foto van de verdachte, genomen op 22 november 2016) dezelfde is als de man die hij [pseudoniem verdachte] noemde.

Getuigen [getuige 3], [getuige 1] en [getuige 2] hebben [pseudoniem verdachte] eveneens herkend op de politiefoto van de verdachte van 22 november 2016.

[getuige 3] had een zakelijk gesprek met [pseudoniem verdachte] gevoerd in een café-restaurant. Dit gesprek duurde drie kwartier. [getuige 3] heeft ook concreet verklaard waaraan hij [pseudoniem verdachte] herkende; hij herkende [pseudoniem verdachte] aan zijn oogopslag, wenkbrauwen en haardracht.

Blijkens het dossier hadden ook [getuige 1] en [getuige 2] [pseudoniem verdachte] ontmoet bij een zakelijk gesprek, in hetzelfde café-restaurant, tijdens welk gesprek zij argwaan hadden gekregen. Op de foto van de verdachte herkende [getuige 1] [pseudoniem verdachte] aan zijn gezicht en kledingstijl, aan zijn baardje en donker uiterlijk; ook wist [getuige 1] bijna zeker dat hij op de getoonde foto dezelfde kleding aanhad als de kleding die hij aan had toen hij hem in persoon had ontmoet. [getuige 1] herkende hem meteen van de foto.

Ook [getuige 2] herkende op beide getoonde foto’s (waaronder de politiefoto van de verdachte) de man als dhr. [pseudoniem verdachte], die zij had ontmoet. Op de foto uit Jack’s Casino herkende zij hem aan zijn uiterlijk, aan zijn manier van kleden, aan zijn gezicht; aan zijn hele fysieke verschijning. ‘Een snel zakenjongetje’, aldus [getuige 2], die verder verklaarde hem te herkennen aan zijn donkere uiterlijk, zijn donkere haar en zijn baardje. Op de politiefoto herkende [getuige 2] [pseudoniem verdachte] aan zijn donkere ogen en aan zijn uiterlijk, zijn gezicht, zijn geheel. Op de politiefoto zag [pseudoniem verdachte] er volgens [getuige 2] iets minder verzorgd en minder zelfverzekerd uit.

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat

[slachtoffer] [pseudoniem verdachte] tijdens drie verschillende zakelijke en kennelijk indringende gesprekken heeft leren kennen; [pseudoniem verdachte] was voor hem dus een bekende. Bij die stand van zaken is de door hem gedane herkenning op de politiefoto voldoende betrouwbaar. Ook [getuige 3], [getuige 1] en [getuige 2] hebben [pseudoniem verdachte], van wie op grond van het dossier mag worden aangenomen dat hij dezelfde was als degene die [slachtoffer] had leren kennen, niet vluchtig of anderszins kort gezien; zij hebben hem in een café-restaurant ontmoet en uitgebreid gesproken bij een zakelijk (kennismakings)gesprek. Dergelijke gesprekken worden naar algemene ervaringsregels nu juist gebruikt om een goed (eerste) beeld van de ander te krijgen. [getuige 3], [getuige 1] en [getuige 2] hebben dan ook uitgebreid verklaard waaraan zij [pseudoniem verdachte] op de politiefoto van de verdachte specifiek herkenden. Daarbij valt ten aanzien van [getuige 1] nog op te merken dat hij tijdens het gesprek klaarblijkelijk geen goed gevoel kreeg bij zijn gesprekspartner, zodat het aannemelijk is dat diens uiterlijk ook om die reden goed in zijn geheugen is verankerd.

Hierbij komt dat het hof een treffende gelijkenis ziet tussen de persoon op de foto’s uit Jack’s Casino’ en de beeltenis van de verdachte op zijn politiefoto van

22 november 2016 en op de zich eveneens in het dossier bevindende SKDB-foto van de verdachte. Op grond daarvan komt het ook het hof aannemelijk voor dat op al deze afbeeldingen dezelfde persoon staat.

Gelet hierop acht het hof de herkenningen door [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [slachtoffer] betrouwbaar. Hetgeen de raadsman overigens heeft aangevoerd omtrent onregelmatigheden tijdens en rond de fotoconfrontaties kan hetgeen hiervoor is overwogen niet anders maken. Daar komt nog bij dat de e-mailberichten vanuit een belwinkel in de buurt van de zwager van verdachte zijn verstuurd, bij diezelfde zwager bankbiljetten van [opdruk biljet] zijn aangetroffen en dat de gehanteerde modus operandi, zoals blijkt uit de aangifte van [slachtoffer] en de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 3], in grote mate gelijk is.

Dit betekent dat het hof vaststelt dat de verdachte de persoon is die zich tegenover [slachtoffer] heeft voorgedaan als [pseudoniem verdachte]. Het hof acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting van [slachtoffer].

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van oplichting.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan oplichting. Hij heeft op geraffineerde wijze aangever bewogen tot afgifte van een groot geldbedrag door zich gedurende een langere periode voor te doen als een zakenman. Nadat de verdachte het vertrouwen van aangever had gewonnen, heeft hij op doortrapte wijze gehandeld door aangever te bewegen zijn geld af te staan. Door aldus te handelen heeft de verdachte aangever groot financieel nadeel toegebracht en misbruik gemaakt van het vertrouwen dat hij in hem stelde. Het hof neemt het de verdachte kwalijk dat hij zich bij het plegen van het onderhavige feit uitsluitend heeft laten leiden door de zucht naar geldelijk gewin en zich op geen enkele manier heeft bekommerd om de gevolgen voor de benadeelde. Bovendien heeft hij het vertrouwen dat de maatschappij als geheel moet kunnen stellen in deelnemers aan het zakelijk verkeer, geweld aangedaan.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

16 september 2022, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden weer een dergelijk feit te plegen.

Het hof kent aan voornoemde omstandigheden een zwaarder gewicht toe dan de rechtbank en is – alles afwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van € 114.070,-, te vermeerderen met wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 113.760,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet inhoudelijk betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat in deze zaak sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de benadeelde partij nu uit het dossier genoegzaam blijkt dat sprake is geweest van tenminste twee mededaders die op cruciale momenten een belangrijke rol hebben gespeeld.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte ook hoofdelijk te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof conform de vordering van de benadeelde partij tot op heden begroot op € 1.743,08, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 113.760,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 113.760,00 (honderddertienduizend zevenhonderdzestig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 1.743,00 (duizend zevenhonderddrieënveertig euro en acht cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 113.760,00 (honderddertienduizend zevenhonderdzestig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 23 december 2016.

Dit arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk,

mr. J.A. van Dorp en mr. E.A. Lensink, in bijzijn van de griffier mr. N. Bruins-van Burgsteden.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 oktober 2022.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?