Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 april 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
thans – uit anderen hoofde - gedetineerd in [verblijfplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur 5 jaren, met aftrek van het voorarrest. Voorts is in eerste aanleg een beslissing genomen omtrent de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 31 december 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, heeft gebracht ongeveer 250 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.hij in of omstreeks periode van 02 december 2016 tot en met 31 december 2016 te Rotterdam en/of Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland, en/of Schiedam en/of Spijkenisse, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 250 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I
voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of
- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of
- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit
hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):
- ( telefonisch) contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of een of meer bespreking(en) gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het uithalen/veilig stellen, klaar zetten, verstrekken en vervoeren van die cocaïne, en/of
- geld in het vooruitzicht gesteld (gekregen) en/of verstrekt (gekregen) en/of ontvangen, en/of
- één of meer mobiele (organisatie)telefoon(s) verstrekt gekregen en/of voorhanden gehad, en/of
- een briefje met daarop genoteerd de cijfers "92512" voorhanden gehad, en/of
- een pallet (met cocaïne tussen de lading bananen) in een loods aan de [straat] apart/klaar gezet en/of laten zetten voor verder transport, en/of
- die pallet (met cocaïne tussen de lading bananen) in een vrachtwagen (achter een dubbele wand) geplaatst en/of laten plaatsen, en/of
- ( vervolgens) met die vrachtwagen die pallet (met cocaïne tussen de lading bananen) weggevoerd/vervoerd;
3.hij op of omstreeks 31 december 2016 te Rotterdam, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Walther, type P99 S, kaliber 9 millimeter x 19,
en/of
munitie in de zin van artikel 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten 14 kogelpatronen, kaliber 9 millimeter LUGER, voorhanden heeft gehad;
4.hij op of omstreeks 31 december 2016 te Rotterdam (een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie II onder 5º van de Wet wapens en munitie, te weten (een) voorwerp(en) waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, te weten twee, althans één, stroomstootwapen(s), voorhanden heeft gehad.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 9 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Nadere bewijsoverweging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte zich – overeenkomstig de door haar overgelegde pleitaantekeningen – op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 en 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft zij aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat sprake is van het voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, nu de verdachte daarvoor een te kleine rol heeft gehad en voorts de verdachte zich op het standpunt stelt dat hij niet mee wilde werken en zich aan het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft willen onttrekken.
Inleiding
Op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof grotendeels overeenkomstig de rechtbank het volgende vast. Onder de naam [onderzoeksnaam] heeft een strafrechtelijk onderzoek plaatsgevonden naar een invoerlijn waarlangs in de Rotterdamse haven cocaïne werd ingevoerd via [bedrijf], een overslagbedrijf van overzees fruit. De aanleiding voor het onderzoek was de vondst bij dat bedrijf, in november 2016, van 286 pakketten cocaïne, die verstopt zaten tussen een partij bananen. Tijdens een daarop volgend onderzoek is opnieuw, namelijk op 31 december 2016, tussen een partij bananen een grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen. In deze zaak zijn zeven verdachten gedagvaard. Dit betreffen twee medewerkers van [bedrijf], een tweetal personen die via een uitzendbureau (te weten de verdachte) of als zzp’er voor [bedrijf] werkzaam waren, een vrachtwagenchauffeur en twee personen die geen banden hadden met [bedrijf].
Ontmoetingen en contacten
Op 20 december 2016 heeft een ontmoeting plaatsgevonden bij [locatie] in Rotterdam tussen de verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Dat deze ontmoeting heeft plaatsgevonden blijkt uit de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring en daarnaast uit een OVC-opname die van deze ontmoeting is gemaakt. De verdachte was destijds op uitzendbasis werkzaam als vorkheftruckchauffeur bij [bedrijf].
Uit genoemd OVC-gesprek van 20 december 2016 volgt onder meer dat medeverdachte [medeverdachte 2] tegen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zegt dat de ‘650’ klaarstaat, dat de ’750’ klaarstaat en dat de ‘250’ onderweg is. De verdachte reageert hierop door te zeggen dat hij er dan niet is. Vervolgens stelt de verdachte dat [voornaam medeverdachte 3] wel gebeld kan worden. Het hof begrijpt dat daarmee medeverdachte [medeverdachte 3] wordt bedoeld, die werkzaam is voor [bedrijf]. Verder volgt uit het OVC-gesprek dat de verdachte stelt dat er een afspraak was gemaakt met elkaar, inhoudende dat ze in de maanden december en januari sowieso niks zouden doen. Voorts dat de verdachte spreekt over een - naar het hof begrijpt - eerder ingevoerde pallet met cocaïne die door een [persoon] was ontdekt en waarop deze [persoon] de douane erbij had geroepen. De verdachte zegt dat hij tegen deze [persoon] heeft gezegd dat hij een kankerimbeciel was, waarop [persoon] hem had geantwoord dat hij alles aangaf als hij iets vond en dat hij niets met die kankerzooi te maken wilde hebben. De verdachte zegt dat hij vervolgens tegen [persoon] heeft gezegd dat als hij gewoon zijn bek had gehouden, ze fifty fifty hadden gedaan en ze dan gewoon € 125.000,- [medeverdachte 4] zouden hebben gehad.
In de daarop volgende dagen tot en met 30 december 2016 houden verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] contact. Op 24 december 2016 heeft de verdachte een ontmoeting bij een McDonalds in Rotterdam met medeverdachte [medeverdachte 4], die eveneens werkzaam is bij [bedrijf]. Na deze ontmoeting belt de verdachte met medeverdachte [medeverdachte 1] en informeert hem dat hij net bij ‘dingeh’ was en dat deze wel helpt. Het hof begrijpt met de rechtbank dat met ‘dingeh’ wordt bedoeld medeverdachte [medeverdachte 4]. Vervolgens vraagt de verdachte in dit telefoongesprek aan [medeverdachte 1] of hij hem op de hoogte wil houden.
Onder medeverdachte [medeverdachte 1] is een PGP-telefoon aangetroffen waarmee versleutelde berichten zijn verstuurd. Uit het onderzoek naar de berichten in deze telefoon volgt dat [medeverdachte 1] op 29 december 2016 een 20-cijferig nummer toegestuurd heeft gekregen. Dit nummer komt overeen met het barcodenummer van een pallet in het ruim van het motorschip [schip] dat op dat moment naar de Rotterdamse haven onderweg is. Het bericht is afkomstig van een PGP e-mailadres dat is opgeslagen onder de contactnaam ‘[contactnaam]’. Uit het berichtenverkeer rondom de ontmoeting bij [locatie], volgt dat medeverdachte [medeverdachte 1] contact heeft met “[contactnaam]”, die gebruik maakt van het PGP e-mailadres [emailadres]. Op 20 december 2016 om 15:04 stuurt [medeverdachte 1] een bericht inhoudende: ‘we zijn dr’. Om 15:06 uur ontvangt [medeverdachte 1] een bericht van ‘[contactnaam]’ inhoudende ‘ik ook’. Door het observatieteam werd gezien dat [verdachte] en [medeverdachte 1]s om 15:03 uur [locatie] betraden. Er werd gezien dat zij een ontmoeting hadden met een Surinaams ogende NN man. NN man blijkt later medeverdachte [medeverdachte 2] te zijn.
Aankomst cocaïne en vervoer daarvan
In de ochtend van 31 december 2016 arriveert de [schip] bij de kade van het overslagbedrijf [bedrijf] aan de [straat] te Rotterdam. Medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] werken die ochtend op het terrein van [bedrijf] aan het lossen van het schip.
Op de batterijklep van een mobiele telefoon die op een vorkheftruck lag waarmee [medeverdachte 4] heeft gewerkt, is een briefje aangetroffen met (naar later blijkt) de laatste vijf cijfers van het barcodenummer van de betreffende dozen. Op deze vorkheftruck is ook zijn identiteitskaart gevonden. Het hof gaat ervan uit dat [medeverdachte 4] tijdens zijn werkzaamheden een briefje met de laatste vijf cijfers van het barcodenummer van de betreffende dozen voorhanden heeft gehad. Bovendien volgt uit de tapgesprekken tussen [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] de pallet met de dozen hebben gevonden tussen de vracht en dat zij deze hebben gescheiden van de rest van de lading. Nadat de douanecontrole was afgerond, hebben zij [medeverdachte 1] gebeld en is afgesproken bij welke loodsdeur deze pallet kon worden opgehaald.
Kort daarna arriveert medeverdachte [medeverdachte 5] met een vrachtwagencombinatie bij de afgesproken loods van [bedrijf]. Enkele minuten nadat de vrachtwagen van het terrein is weggereden, wordt [medeverdachte 5] staande gehouden. In de oplegger wordt een pallet met dozen met bananen aangetroffen. De dozen zijn afkomstig uit Ecuador en bevatten stickers met het eerdergenoemde barcodenummer. Tussen de bananen bevinden zich 250 pakketten met een totaal netto gewicht van 250 kilogram. Door de douane is onderzoek gedaan naar de pakketten. Uit dit onderzoek blijkt dat de inhoud cocaïne betreft. Het hof gaat er van uit dat dit de partij is waarover bij [locatie] werd gesproken. Ter terechtzitting in hoger beroep is dit ook door de verdachte bevestigd.
Rol van de verdachte bij de (verlengde) invoer en de voorbereiding
De vraag die aan het hof voorligt, is of de bijdrage van de verdachte aan de invoer van de cocaïne (en de voorbereidingshandelingen daartoe), van voldoende gewicht is geweest om te spreken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en een of meer medeverdachten.
Het hof overweegt in dit kader het volgende.
De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet mee wilde werken en zich aan het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft willen onttrekken. Zo heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij wist dat er ‘iets’ onderweg was, dat hij er niets mee te maken wilde hebben en dat hij naar Centerparcs is gegaan zodat hij niet bij het arriveren van de boot met daarin de vracht aanwezig hoefde te zijn. Voorts heeft de verdachte verklaard voor het blok te zijn gezet toen de bespreking plaats vond in [loactie] op 20 december 2016, dat hij ongevraagd op de hoogte werd gehouden en dat hij probeerde alles af te houden.
Het hof heeft hierboven vastgesteld dat uit het OVC-gesprek van 20 december 2016 volgt dat er een afspraak was dat er in de maanden december en januari niks zou gebeuren. Het hof begrijpt hieruit dat er in die twee maanden geen cocaïnetransporten zouden worden uitgevoerd op de invoerlijn. Voorts blijkt uit dit OVC-gesprek dat de verdachte bij een eerder transport
€ 125.000,- had kunnen verdienen. De verdachte sprak over een [persoon] en noemde deze [persoon] een imbeciel, omdat hij niet zijn bek had gehouden tegenover de douane en ze anders het bedrag fifty fifty hadden kunnen delen. Het ging over een zeer aanzienlijk bedrag, van € 125.000,- per persoon.
Uit dit OVC-gesprek volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte wist dat er sprake was van een pauze van twee maanden betreffende de levering van cocaïne. Voorts blijkt uit dit gesprek dat de verdachte onaangenaam was verrast dat er toch een partij cocaïne onderweg was. De verdachte stelt zich op het standpunt dat hij daar, om allerlei redenen, zo min mogelijk mee te maken wilde hebben. Het hof stelt evenwel vast dat de bemoeienis van de verdachte met de partij cocaïne niet werkelijk is opgehouden. Zo heeft de verdachte nog tijdens het gesprek gezegd dat [voornaam medeverdachte 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3]) kon worden benaderd, die ook daadwerkelijk heeft meegeholpen op 31 december 2016. In de dagen na het gesprek heeft de verdachte [medeverdachte 4] aangezet tot het helpen met het uitladen en gescheiden houden van het pallet met cocaïne op 31 december 2016. Voorts heeft de verdachte op 29 december 2016 telefonisch aan [medeverdachte 1] doorgegeven dat ‘het morgenochtend wordt’, binnen één minuut nadat hij een vergelijkbaar bericht van [medeverdachte 4] had ontvangen. Het hof begrijpt dat de verdachte in dit gesprek doorgeeft dat de boot later zal aankomen. Het hof stelt daarmee vast dat de verdachte bemoeienis heeft gehouden met de invoer van de partij en actief heeft gehandeld, nadat hij in het gesprek op 20 december 2016 in [locatie] heeft aangegeven er niet te zijn.
Daar komt bij dat vervolgens blijkt dat de verdachte twee keer heeft gevraagd om op de hoogte te worden gehouden, namelijk in een telefoongesprek met [medeverdachte 1] op 24 december 2016 en in een telefoongesprek met [medeverdachte 1] op 30 december 2016. In dit telefoongesprek vertelt medeverdachte [medeverdachte 1] aan de verdachte dat het pas de volgende ochtend zal worden, dat die aankomt. Het hof begrijpt dat het hierbij gaat om de boot met daarin de pallet met cocaïne. De verdachte zegt hierop dat dat misschien gunstig is en vraagt medeverdachte [medeverdachte 1] om hem op de hoogte te houden. Als kort na dit gesprek de zoon van de verdachte belt en informeert ‘of het goed gaat’ antwoordt de verdachte dat ‘hij pas morgen binnen is’. Beiden vinden dat ‘top’.
Het hof acht de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring, inhoudende dat hij zich wilde onttrekken aan het tenlastegelegde onder feit 1 en 2, gelet op het vooroverwogene ongeloofwaardig. Het hof verwerpt het verweer.
Conclusie
Uit het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof worden afgeleid dat de verdachte welbewust en in nauwe en bewuste samenwerking met zijn medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] handelingen heeft verricht die waren gericht op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een partij cocaïne en met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] daartoe voorbereidingshandelingen heeft verricht. De verdachte heeft ervoor gezorgd dat [medeverdachte 4] aan de invoer heeft deelgenomen en hij heeft erop gewezen dat [medeverdachte 3] kon worden benaderd, wat kennelijk ook is gebeurd. Voorts heeft hij meermaals [medeverdachte 1] laten weten dat hij op de hoogte wil worden gehouden.
Het hof concludeert op grond van het zojuist overwogene dat de bijdrage van de verdachte aan de invoer van de cocaïne en de voorbereidingshandelingen daarvoor, van dusdanig wezenlijk gewicht is geweest dat sprake is van een op die misdrijven gerichte nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en zijn medeverdachten.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij op of omstreeks 31 december 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, heeft gebracht ongeveer 250 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.hij in of omstreeks de periode van 02 december 2016 tot en met 31 december 2016 te Rotterdam en/of Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland, en/of Schiedam en/of Spijkenisse, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 250 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I
voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of
- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of
- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit
Hebben de/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):
- ( telefonisch) contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of een of meer bespreking(en) gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het uithalen/veilig stellen, klaar zetten, verstrekken en vervoeren van die cocaïne, en/of
- geld in het vooruitzicht gesteld (gekregen) en/of verstrekt (gekregen) en/of ontvangen, en/of
- één of meer mobiele (organisatie)telefoon(s) verstrekt gekregen en/of voorhanden gehad, en/of
- een briefje met daarop genoteerd de cijfers "92512" voorhanden gehad, en/of
- een pallet (met cocaïne tussen de lading bananen) in een loods aan de [straat] apart/klaar gezet en/of laten zetten voor verder transport, en/of
- die pallet (met cocaïne tussen de lading bananen) in een vrachtwagen (achter een dubbele wand) geplaatst en/of laten plaatsen, en/of
- (vervolgens) met die vrachtwagen die pallet (met cocaïne tussen de lading bananen) weggevoerd/vervoerd;
3.hij op of omstreeks 31 december 2016 te Rotterdam, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Walther, type P99 S, kaliber 9 millimeter x 19,
en/of
munitie in de zin van artikel 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten 14 kogelpatronen, kaliber 9 millimeter LUGER, voorhanden heeft gehad;
4.hij op of omstreeks 31 december 2016 te Rotterdam (een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie II onder 5º van de Wet wapens en munitie, te weten (een) voorwerp(en) waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, te weten twee, althans één, stroomstootwapen(s), voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:
De eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod,
en
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door
- een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen;
- een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;
- voorwerpen en/of vervoermiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij tot het plegen van dat feit zijn bestemd;
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de verlengde invoer in Nederland van een zeer grote partij cocaïne, te weten 250 kilogram, vanuit Zuid-Amerika. Voorts heeft hij samen met anderen voorbereidingshandelingen verricht om de cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen. De verdachte was regelmatig werkzaam voor het overslagbedrijf [bedrijf], kende daar verschillende mensen en was daardoor in staat om binnen dit bedrijf anderen te regelen die, ook buiten zijn aanwezigheid, bereid waren om die grote partij cocaïne apart te zetten. De handel in harddrugs leidt tot veel problemen in de maatschappij. Niet alleen zijn de gezondheidsrisico’s voor gebruikers van cocaïne groot, de handel gaat ook vaak gepaard met diverse vormen van zware en georganiseerde criminaliteit. Dit blijkt ook uit de bij de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen (vuur)wapens. Kennelijk heeft de verdachte hiervoor geen aandacht gehad en was hij ten koste van het welzijn van anderen en het belang van de maatschappij uit op eigen financieel gewin.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 oktober 2022, waaruit blijkt dat de verdachte in 2020 in België onherroepelijk is veroordeeld tot een forse gevangenisstraf en geldboete voor het plegen van soortgelijke misdrijven.
Voorts heeft het hof in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding gezien de hoogte van de op te leggen straf enigszins te verminderen. Het hof heeft daarbij acht geslagen op reclasseringsadviezen d.d. 22 mei 2017, d.d. 30 januari 2020 en d.d. 2 maart 2022 (betreffende een andere zaak). De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het niet goed gaat met zijn gezondheid; hij heeft erg veel last van ernstige chronische rugklachten. Een noodzakelijke hersteloperatie zou plaatsvinden wegens een beknelde zenuw, maar doordat hij vastzat en er ook corona heerste, kon de operatie niet doorgaan. Inmiddels zijn de wervels scheef aan elkaar gegroeid, zodat een operatie er hoogstwaarschijnlijk niet meer in zit. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij in behandeling is bij de Waag en dat hij heeft kunnen regelen dat zijn behandeling daar zal doorgaan na detentie.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 57 maanden een passende en geboden reactie vormt.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, nu tussen de datum van het instellen van het hoger beroep op 4 mei 2018 en de datum van dit eindarrest meer dan 16 maanden is verstreken, een termijnoverschrijding van ongeveer 3 jaren.
In deze geconstateerde overschrijdingen van de redelijke termijn ziet het hof aanleiding om de op te leggen gevangenisstraf te verminderen. In plaats van de overwogen gevangenisstraf voor de duur van 57 maanden, met aftrek van voorarrest, zal het hof de verdachte dan ook een gevangenisstraf opleggen van de hierna in het dictum te vermelden duur.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
Het hof zal de op de beslaglijst onder 11 en 12 genummerde voorwerpen (telefoons) die onder de verdachte in beslag zijn genomen en nog niet zijn teruggegeven – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal – verbeurd verklaren, aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en voorwerpen betreffen met behulp waarvan de tenlastegelegde feiten zijn begaan en voorbereid. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
Het hof zal de op de beslaglijst onder 2 en 3 genummerde voorwerpen (een pistool en munitie) onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, omdat met betrekking tot deze voorwerpen feit 3 is begaan en zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
Het hof zal ten aanzien van de onder 1, 4, 5, 6 en 7 genummerde voorwerpen (geld, kleding, horloge) op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, de teruggave aan de verdachten gelasten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat wat betreft deze voorwerpen uit het dossier niet is gebleken dat er een verband is tussen deze voorwerpen en de tenlastegelegde feiten en er voorts in het dossier zich geen stukken bevinden waaruit blijkt dat (daadwerkelijk) conservatoir beslag op deze voorwerpen is gelegd.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet, de artikelen 24, 33, 33a, 36c, 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 51 (eenenvijftig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
11. Samsung Galaxy S7 ([serienummer 1]);
12. Samsung Galaxy S7 ([serienummer 2]).
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
2. 1.00 STK Pistool Kl:zwart WALTHER P99 sinnr AAKY1643NL G5299262, serienr FAB8444, slowaakselijn
3. 14.00 STK Munitie FIOCCHI kogelpatr sin AAKY1642NL G5299259, 9 mm luger.
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1. geld euro, 4125,40 euro ibg 31-12-16;
4. 1.00 STK kleding PHILIPP PLEIN Polo shirt Goednummer RTZA016052_372343;
5. 1.00 STK Kleding Kl: Grijs PHILIPP PLEIN T-shirt Goednummer RTZA016052_366108;
6.1.00 STK Kleding Kl: Wit PHILIPP PLEIN T-shirt Goednummer RTZA016052_366108;
7. 1.00 STK Horloge Kl: Zilverkl. BREITLING Goednummer RTZA016052_372291.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, mr. A.J.M. Kaptein en mr. G.C. Haverkate, in bijzijn van de griffier mr. M. Rouw.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 november 2022.