ECLI:NL:GHDHA:2022:3042

ECLI:NL:GHDHA:2022:3042, Gerechtshof Den Haag, 20-12-2022, 22-002072-20

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 20-12-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22-002072-20
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:649
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854

Samenvatting

Verdachte heeft tussen 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016 veel meer contant uitgegeven dan hij op legale wijze contant beschikbaar had en hij niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij zich op een legale wijze heeft verrijkt, acht het hof aannemelijk dat de betrokkene voordeel heeft genoten uit andere strafbare feiten. Dit voordeel dient hem te worden ontnomen. Gepubliceerd naar aanleiding arrest van de Hoge Raad.

Uitspraak

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2020 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

BRP-adres: [woonadres], [woonplaats],

Procesgang

Bij arrest van dit gerechtshof van 22 november 2022 is de betrokkene, voor zover hier van belang, ter zake van het in zijn strafzaak onder 1 en 2 bewezenverklaarde,

gekwalificeerd als:

de eendaadse samenloop van

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod,

en

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door

- een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen;

- een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;

- voorwerpen en/of vervoermiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij tot het plegen van dat feit zijn bestemd,

veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 51 maanden, met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank Rotterdam heeft op de vordering van de officier van justitie ad € 104.415,- bij vonnis van 30 juli 2020 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 95.824,42 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

Namens de betrokkene is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.

Vordering van het Openbaar Ministerie

De vordering in eerste aanleg van de officier van justitie houdt in dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat, zal worden vastgesteld op € 104.415,- en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal deze vordering beperkt tot een bedrag van € 102.483,86.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsvoering

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen en subsidiair dat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel op een aanzienlijk lager bedrag dient te worden vastgesteld. De verdediging kan zich alleen vinden in het oordeel van de rechtbank inhoudende dat de bedragen van € 1.931,14, € 898,86, € 2.760,58 en driemaal € 1.000,-, geen gelden van betrokkene zijn en derhalve geen wederrechtelijk verkregen voordeel betreffen. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat zijn cliënt een contant bedrag van € 83.000,-, waarvan € 15.000,- de opbrengst van de verkoop van Swarovski-kristal betreft, van zijn moeder heeft gekregen toen zij naar een verzorgingstehuis ging. Dit ontvangen bedrag aan contante gelden verklaart volgens de raadsman de contante uitgaven van zijn client en betreft derhalve geen wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof neemt bij de schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel als uitgangspunt de berekening zoals opgenomen in het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling ex art 36e 3e lid Sr’, opgemaakt en ondertekend op 15 januari 2019 (hierna: ontnemingsrapport), waarbij wordt uitgegaan van de methode van de eenvoudige kasopstelling.

De conclusie van het rapport is dat uit de eenvoudige kasopstelling kan worden afgeleid dat betrokkene in de onderzoeksperiode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016 wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen ten bedrage van € 104.415,-.

Artikel 36e, derde lid, Sr is van toepassing, waardoor niet alleen wederrechtelijk verkregen voordeel dat is ontstaan uit de bewezen verklaarde feiten kan worden ontnomen, maar ook wederrechtelijk verkregen voordeel uit ‘andere strafbare feiten', waarbij

de in die bepaling onder a en b omschreven bewijsvermoedens gelden. Uit vaste jurisprudentie

van de Hoge Raad (onder meer het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2012,ECLI:NL:HR:2012:BW7954) volgt dat aannemelijk moet zijn dat andere strafbare feiten er op

enigerlei wijze toe hebben geleid dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Als daarvan sprake is, geldt het vermoeden zoals omschreven in artikel 36e lid 3 onder a Sr, dat de uitgaven door betrokkene in de zes jaar voorafgaand aan het plegen van het misdrijf, wederrechtelijk verkregen voordeel vertegenwoordigen, tenzij aannemelijk is dat

deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten.

Met betrekking tot het bedrag van € 1.931,14 stelt het hof vast het een totaalbedrag betreft. Dit bedrag aan gelden is aangetroffen op de onderste plank in een linnenkast in een slaapkamer op de eerste etage (ruimte A.A02.25) in onder meer een Kruidvattasje, in tasjes, in een blikje en in een grote Micky Mouse spaarpot. In de Mickey Mouse-spaarpot is een bedrag van € 227,09 aan muntgeld en een bedrag van € 15,- in papiergeld aangetroffen. Het hof acht het niet onaannemelijk dat dit geld, in een Mickey Mouse-spaarpot en voornamelijk bestaande uit munten, spaargeld is van een kind. Dit bedrag van in totaal € 242,09 behoort naar het oordeel van het hof daarom niet toe aan de betrokkene. Het hof zal dit bedrag niet aanmerken als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Voor wat betreft het resterende aangetroffen bedrag in deze ruimte acht het hof – gelet op de plaats waar het geld is aangetroffen en de wijze van verpakking - het niet aannemelijk dat deze bedragen toebehoren aan een kind. Daarom acht het hof het aannemelijk dat dit bedrag aan de betrokkene toebehoort.

Voorts stelt het hof met betrekking tot het bedrag van € 898,86 vast dat dit eveneens een totaalbedrag betreft. Dit bedrag aan gelden is aangetroffen in de bovenste lade van een nachtkastje in een slaapkamer (op de eerste etage (ruimte A.A02.6) in een portemonnee, in een plastic bakje van Hertog-ijs en als bundel van 38 coupures van € 20,-. Gelet op de wijze van verpakking en de vindplaats acht het hof niet aannemelijk dat deze gelden aan een kind toebehoren, ook niet als de slaapkamer een kinderslaapkamer zou betreffen. Daarom acht het hof het aannemelijk dat dit bedrag aan de betrokkene toebehoort.

Met betrekking tot het bedrag van € 2.770,58- stelt het hof vast dat dit bedrag aan gelden is aangetroffen onderin een linnenkast in een slaapkamer (A.A02.4) op de eerste etage. Het totaalbedrag aan coupures is aangetroffen in een tas, drie portemonnees en een brillenkoker. Het hof gaat ervan uit, mede gelet op het proces-verbaal van de rechter-commissaris ter zake, dat het gaat om bovengenoemd bedrag (i.p.v. € 2.760,58) en dat al het geld zich deels in de genoemde voorwerpen in de tas bevond.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat dit bedrag de opbrengst van verkopen op Markplaats zou zijn. Het hof acht dit onaannemelijk nu er geen stukken – zoals een kopie van de historie van het profiel op Markplaats waarop de spullen zouden zijn verkocht - door de verdediging zijn overgelegd waaruit blijkt dat er daadwerkelijk spullen zijn verkocht op Markplaats en evenmin is gesteld wat de kosten van aanschaf van die spullen zijn geweest, zodat niet kan worden vastgesteld of er enige opbrengst is geweest, laat staan wat daarvan (bij benadering) het beloop is geweest.

Voor wat betreft de drie contante stortingen van € 1.000,- stelt het hof vast dat de partner van betrokkene ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verklaard dat dit verjaardagsgeld betrof van de kinderen en dat zij niet meer weet of het precies € 1.000,- was, dat het kan zijn dat zij het bedrag heeft afgerond en dat zij zelf ook wat had gespaard per kind. Het hof acht het onaannemelijk dat de kinderen van betrokkene dergelijke bedragen aan geld krijgen van vrienden en familie van betrokkene en zijn partner. Daarom acht het hof het aannemelijk dat dit geld aan de betrokkene toebehoort.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat de betrokkene een bedrag van € 83.000,- heeft ontvangen van zijn moeder. Weliswaar heeft zijn partner bij de rechter-commissaris bevestigd dat zij ongeveer € 80.000,- van de moeder van de betrokkene hebben ontvangen, maar dat acht het hof met de rechtbank niet voldoende. Haar verklaring en de verklaring die de betrokkene daarover heeft afgelegd, bevatten nauwelijks concrete feiten en omstandigheden met betrekking tot de overdracht van het geld. Dit doet afbreuk aan de aannemelijkheid van die verklaringen. De betrokkene heeft voorts geen enkel onderdeel van zijn verweer onderbouwd met stukken. Hij heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij zoveel geld van zijn moeder heeft ontvangen, dat zijn moeder - die leefde van een AOW-uitkering - zo'n groot geldbedrag in haar bezit zou hebben gehad of dat zij een grote Swarovski-verzameling had die zij heeft verkocht. De (vage) foto’s die zijn overgelegd van een vitrinekast met daarin (delen van de) beweerdelijk genoemde verzameling, is voor dit laatste volstrekt onvoldoende. Het hof neemt mede in aanmerking dat betrokkene heeft verklaard dat zijn moeder vanaf 1992 het bedrag onder meer heeft opgespaard uit een uitkering uit Griekenland. Ook deze stelling is niet nader onderbouwd en het hof acht dit daarom onaannemelijk.

Ten aanzien van de geldtransfer bij Western Union ter hoogte van € 1.200,- heeft de betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat dit geld aan een ander toebehoort. Het verweer wordt in zoverre verworpen.

Omdat uit onderzoek, zoals vermeld in het rapport, volgt dat de betrokkene tussen 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016 veel meer contant heeft uitgegeven dan hij op legale wijze contant beschikbaar had en de betrokkene niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij zich op een legale wijze heeft verrijkt, acht het hof aannemelijk dat de betrokkene voordeel heeft genoten uit andere strafbare feiten. Dit voordeel dient hem te worden ontnomen.

Het hof gaat met de rechtbank bij de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, evenals de advocaat-generaal, uit van de methode van de eenvoudige kasopstelling op basis van het voornoemde rapport. Het hof acht de berekening voldoende onderbouwd. De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de kasopstelling wordt, voor zover de verweren niet zijn gehonoreerd, overgenomen.

Gelet op bovenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 104.172,91 (€ 104.415,00 - € 242,09).

Vaststelling van de betalingsverplichting

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, nu tussen de datum van het instellen van het hoger beroep op 10 augustus 2020 en de datum van dit eindarrest meer dan 2 jaren zijn verstreken, een termijnoverschrijding van ruim 4 maanden.

Voorts stelt het hof vast een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. In eerste aanleg is die termijn aangevangen op 7 maart 2017, de dag waarop blijkens een kennisgeving inbeslagneming beslag is gelegd in het kader van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Pas ruim 3 jaar en 4 maanden later, namelijk op 30 juli 2020, is vonnis gewezen.

Het hof ziet aanleiding deze overschrijdingen van de redelijke termijn te compenseren door vermindering van de betalingsverplichting met € 5.000,00.

Het hof zal het door de betrokkene aan de Staat te betalen bedrag derhalve vaststellen op

€ 99.172,91 (€ 104.172,91 – € 5.000,-).

Toepasselijk wettelijk voorschrift

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 104.172,91 (honderdvierduizend honderdtweeënzeventig euro en eenennegentig cent).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 99.172,91 (negenennegentigduizend honderdtweeënzeventig en eenennegentig cent).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd, in geval van niet (volledige) betaling, op 540 dagen.

Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, mr. A.J.M. Kaptein en mr. G.C. Haverkate, in bijzijn van de griffier mr. M. Rouw.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 december 2022.

Mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?