Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 maart 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1968,
adres: [woonadres], [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren onder oplegging van een bijzondere voorwaarde zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en de inbeslaggenomen goederen zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij één of meerdere keren in of omstreeks de periode van 1 september 2016 tot en met 1 december 2016 te 's-Gravenhage, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2003, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten
- het (meerdere malen) in de anus van [slachtoffer] duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, penis en/of
- het (meerdere malen) in de mond van [slachtoffer] duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, penis en/of (waarbij) hij, verdachte het hoofd van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en stil gehouden en/of daarbij zijn, verdachtes penis (telkens) in en uit de mond van die [slachtoffer] te bewegen en/of
- het (meerdere malen) vastpakken van de penis van [slachtoffer] en/of
- het in de mond nemen van de penis van [slachtoffer] en/of
- het (tong)zoenen met [slachtoffer].
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing omtrent de benadeelde partij [slachtoffer] en vordert dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, onder oplegging van bijzondere voorwaarden inhoudende een meldplicht, een ambulante behandeling en het vermijden van contact met minderjarigen.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.
Bespreking bewijsverweer
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. Hij heeft hiertoe - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer] niet betrouwbaar is. Op grond hiervan dient deze verklaring van het bewijs te worden uitgesloten, aldus de raadsman.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De verklaring van [slachtoffer] is gedetailleerd, consistent en niet innerlijk tegenstrijdig. Zo heeft hij specifiek verklaard over de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden, waar deze hebben plaatsgevonden, welke kleding hij aanhad en wat de seksuele handelingen met hem deden. Hij heeft daarnaast verklaard over hetgeen is voorafgegaan aan de momenten waarop er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, te weten het bekijken van beelden in de beeldenkamer van de verdachte, het spelen van Mikado en het helpen van de verdachte met het downloaden van muziek van zijn computer. Hij heeft tevens verklaard over de pijn die hij had toen de verdachte hem de eerste keer anaal met zijn penis penetreerde, dat hij als gevolg van de anale seks heeft gebloed en dat de pijn de volgende keren minder werd. Hij heeft ook verklaard over de bittere smaak van het sperma en dat hij het sperma heeft uitgespuugd. [slachtoffer] is hierop nimmer teruggekomen.
Voorts overweegt het hof dat de moeder van [slachtoffer] in 2016 weliswaar haar boosheid heeft geuit richting de verdachte na het ontdekken van het WhatsApp contact tussen de verdachte en [slachtoffer], maar ook na het informatieve gesprek zeden in 2018, toen zij de politie heeft verteld over de seksuele handelingen die de verdachte jegens haar zoon zou hebben verricht, geen aangifte tegen de verdachte heeft gedaan. [slachtoffer] heeft zijn verklaring pas in 2020 desgevraagd afgelegd nadat de officier van justitie ambtshalve had besloten tot vervolging over te gaan. Dit tijdsverloop en het uitblijven van een aangifte vormen naar het oordeel van het hof een contra-indicatie voor de stelling van de verdediging dat [slachtoffer] een onjuiste verklaring heeft afgelegd, zoals om de verdachte weg te krijgen uit de buurt.
De moeder van [slachtoffer] [moeder slachtoffer] zal enige druk op [slachtoffer] hebben uitgeoefend om een verklaring af te leggen, maar naar het oordeel van het hof is op geen enkele wijze gebleken dat [moeder slachtoffer] daarbij een zodanige invloed heeft uitgeoefend op of sturing heeft gegeven aan de inhoud van de verklaring van [slachtoffer] dat deze niet meer in vrijheid zou zijn afgelegd.
Met de rechtbank is het hof derhalve van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar is, mede nu deze verklaring steun vindt in het overige bewijsmateriaal. De verklaring van [slachtoffer] kan derhalve worden gebezigd voor het bewijs.
Het hof verwerp het gevoerde verweer.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij één of meerdere keren in of omstreeks de periode van 1 september 2016 tot en met 1 december november 2016 te 's-Gravenhage, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2003, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten
- het (meerdere malen) in de anus van [slachtoffer] duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, penis en/of
- het (meerdere malen) in de mond van [slachtoffer] duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, penis en/of (waarbij) hij, verdachte het hoofd van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en stil gehouden en/of daarbij zijn, verdachtes penis (telkens) in en uit de mond van die [slachtoffer] te bewegen en/of
- het (meerdere malen) vastpakken van de penis van [slachtoffer] en/of
- het in de mond nemen van de penis van [slachtoffer] en/of
- het (tong)zoenen met [slachtoffer].
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft gedurende een periode van twee maanden ontuchtige handelingen verricht met zijn toen dertienjarige buurjongen, op de bewezenverklaarde wijze. De verdachte heeft daarmee een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het minderjarige slachtoffer. Het verbod op ontuchtige handelingen met iemand die twaalf jaren of ouder is maar jonger dan zestien jaren, strekt ertoe jeugdige personen te beschermen tegen de schadelijke gevolgen die seksuele handelingen op hen kunnen hebben voor hun(seksuele) ontwikkeling en geestelijk welzijn. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van delicten als de onderhavige nog geruime tijd kunnen lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen hen is aangedaan.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 mei 2023, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de inhoud van een de verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 8 juni 2023. De reclassering adviseert om een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling, alsmede het vermijden van contact met minderjarigen.
Het hof stelt vast dat in onderhavige strafzaak de termijn van berechting in eerste aanleg 2 jaar en 13 dagen heeft geduurd. De redelijke termijn in die fase is daardoor met 13 dagen overschreden. Het hof is van oordeel, gelet op genoemd procesverloop, dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden en dat dit matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.
Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk passend en geboden, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk. Hieraan zullen de na te melden bijzondere voorwaarden worden verbonden.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 90.000,00.
In hoger beroep is deze vordering verlaagd tot een bedrag van € 7.500,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 5.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].
In beslag genomen voorwerpen
Het na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een telefoontoestel, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het bewezenverklaarde is voorbereid. Het hof zal daarom dit voorwerp verbeurd verklaren. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
Ten aanzien van de inbeslaggenomen brieven, het inbeslaggenomen schrift en de inbeslaggenomen map zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24, 33, 33a, 36f, 57 en 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet de verdachte zich zo spoedig mogelijk melden bij GGZ Reclassering Fivoor op het volgende adres: Johanna Westerdijkplein 40, 2521 EN te Den Haag of een soortgelijke instelling. Hierna moet hij zich gedurende twee jaren blijven melden zo frequent als de reclassering gedurende deze periode nodig acht.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich laat behandelen door een forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1. STK Telefoontoestel Kl: zwart.
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 3 STK brief
- 1 STK schrift
- 1 STK map.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 60 (zestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 november 2016.
Dit arrest is gewezen door mr. L.A. Pit, mr. A.S.I. van Delden en mr. V.C.E. de Jong, in bijzijn van de griffier mr. J.H.M. Peusken.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 juni 2023.