ECLI:NL:GHDHA:2023:1605

ECLI:NL:GHDHA:2023:1605, Gerechtshof Den Haag, 09-08-2023, 22-001898-22

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 09-08-2023
Datum publicatie 21-01-2026
Zaaknummer 22-001898-22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2026:38

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldwitwassen. Gepubliceerd naar aanleiding van gepubliceerd arrest van de Hoge Raad.

Uitspraak

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 16 juni 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren te vervangen door 40 dagen hechtenis, alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de politierechter in de rechtbank Den Haag vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1, 2 en 3 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging voor zover in hoger beroep aan de orde:

Aan de verdachte is onder 4 tenlastegelegd dat:

4.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 3 juli 2018 tot en met 6 juli 2018, te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, een of meerdere voorwerp(en), te weten

- een of meer geldbedragen (van in totaal 79.443,75 euro) en/of

- twee horloges (merk: Rolex, type: Oyster Perpetual Datejust en/of Oyster Perpetual Day-date), heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dat dit/deze voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren te vervangen door 40 dagen hechtenis, alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotitie op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Hiertoe is – kort gezegd – aangevoerd dat de verklaring van cliënt over de herkomst van de gelden concreet, niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk en verifieerbaar is. Dat maakt dat het Openbaar Ministerie onderzoek had moeten doen naar die verklaring. Nu het Openbaar Ministerie dit heeft nagelaten, kan niet worden geconcludeerd dat het niet anders kan zijn dan dat de gelden een criminele herkomst hebben.

Beoordeling door het hof

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, onder b Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.

Het hof is van oordeel dat het door de advocaat-generaal aangedragen proces-verbaal en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep het vermoeden rechtvaardigen dat het op 4 juli 2018 op de ING-bankrekening gestorte geldbedrag van € 79.443,75 afkomstig is uit enig misdrijf. Gelet op dit vermoeden mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van dit geldbedrag.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep over de herkomst van het geldbedrag het volgende verklaard. Verdachte is eigenaar geweest van een franchiseonderneming, te weten een tabakswinkel. Toen hij deze winkel nog dreef had hij vaak contact met de uitbater van een naburige winkel. Via deze uitbater is hij in contact gekomen met twee neven van deze uitbater. Met een deze neven heeft verdachte naar eigen zeggen een overeenkomst gesloten. Bij deze overeenkomst werd de tabakswinkel van de verdachte door hem voor € 80.000 verkocht aan deze neef. De overeengekomen prijs was de optelsom van de waarde van de inventaris en de waarde van de goodwill. Toen er nagenoeg € 80.000 op zijn rekening werd overgemaakt beschouwde de verdachte dit als de betaling van de zojuist bedoelde koopprijs. Hij ging er daarbij van uit dat de rekening waar het geld vandaan kwam, toebehoorde aan (een bedrijf van) een oom van zijn contractuele wederpartij (niet zijnde de uitbater van de buurwinkel, maar een andere oom). Vervolgens, dus na de betaling, zou, aldus de verdachte, de koper alsnog hebben willen afzien van de overeenkomst. Dit hield in dat het betaalde bedrag terug moest naar de koper. De koper wilde echter geen girale overboeking, maar een restitutie in contanten en in de vorm van twee (dure) horloges.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte, net als in eerste aanleg, gezegd niet in staat te zijn een schriftelijk contract te tonen dat het bestaan van de overeenkomst bewijst. Evenmin heeft hij bereikbaarheidsgegevens kunnen verstreken van de beide neven of van een van hen.

Naar een voorloper van de zojuist bedoelde verklaring van de verdachte – te weten de door de verdachte bij de politie afgelegde verklaring – is reeds onderzoek verricht. Dit onderzoek van de politie was gericht op het nader identificeren en traceren van de neven. Dit onderzoek heeft geen succes gehad.

Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat de verklaring die de verdachte over de herkomst van het geld heeft gegeven niet als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring kan worden aangemerkt.

Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft derhalve geen aanleiding tot een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

4.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 3 juli 2018 tot en met 6 juli 2018, te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, een of meerdere voorwerp(en), te weten

- een of meer geldbedragen (van in totaal 79.443,75 euro) en/of

- twee horloges (merk: Rolex, type: Oyster Perpetual Datejust en/of Oyster Perpetual Day-date), heeft verworven,voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dat dit/deze voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

schuldwitwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldwitwassen van een geldbedrag van € 79.443,75, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Bovendien bevordert het handelen van verdachte het plegen van delicten omdat zonder het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst aan criminele gelden, het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 juli 2023.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 1]

In het onderhavige strafproces heeft de coöperatie [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van € 79.433,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 79.433,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezenverklaarde. Dat de benadeelde partij wellicht ook op andere wijze haar schade vergoed had kunnen krijgen, doet aan het voorgaande niet af. Het is immers aan de benadeelde partij zelf om te bepalen welke weg zij kiest c.q. welke partij zij aanspreekt om haar schade vergoed te krijgen. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 79.433,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de Staat te betalen ten behoeve van [slachtoffer 1]

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van € 480,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 480,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 420quater van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 79.433,00 (vierhonderdtachtig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 79.433,00 (negenenzeventigduizend vierhonderd drieëntachtig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 9 (negen) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 3 juli 2018.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 480,00 (vierhonderdtachtig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 3 juli 2018.

Dit arrest is gewezen door mr. V.M. de Winkel, mr. G.C. Haverkate en mr. M.A.C.L.M. Bonn, in bijzijn van de griffier mr. R. Dieteren.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 augustus 2023.

Mr. M.A.C.L.M. Bonn is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?