ECLI:NL:GHDHA:2023:1797

ECLI:NL:GHDHA:2023:1797, Gerechtshof Den Haag, 06-07-2023, BK-22/00601

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 06-07-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer BK-22/00601
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2022:6045
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002320

Samenvatting

BPM: bevoegdheid nationale rechter; leeftijdskorting; bewijslastverdeling; naheffen na belastbaar feit; belanghebbende heeft niet onderbouwd welke stukken de Inspecteur zou hebben achtergehouden; geen schending hoorplicht; geen schending Europees evenredigheidsbeginsel; equality of arms; het Hof ziet geen reden het HvJ EU prejudiciële vragen voor te leggen; immateriëleschadevergoeding; verzoek om vergoeding van materiële schade niet onderbouwd; geen vergoeding van integrale proceskosten

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Uitspraak van 6 juli 2023

[X] te [Z] , belanghebbende,

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-22/00601

in het geding tussen:

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 28 juni 2022, nummer SGR 21/5531.

Procesverloop

De Inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd ten bedrage van € 2.194.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 181. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld in de vergoeding van immateriële schade van € 1.000 en de Inspecteur opgedragen het griffierecht en de proceskosten van € 759 te vergoeden.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is € 274 aan griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de voormalige gemachtigde, A.F.M.J. Verhoeven, na ontvangst van een processtuk met zeer beledigende taal een voornemen tot weigering als gemachtigde gestuurd. In antwoord op dit voornemen heeft belanghebbende [A] aangesteld. Uit de op 31 mei 2023 ontvangen pleitnota leidt het Hof af dat A.F.M.J. Verhoeven als gemachtigde optreedt.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 juni 2023. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

Belanghebbende heeft op 6 maart 2019 met betrekking tot een Mercedes Benz GLE-klasse Coupé 350d (de auto) aangifte gedaan waarbij de verschuldigde Bpm van € 17.058 is berekend met behulp van een taxatierapport van [naam taxateur] .

Met dagtekening 22 november 2019 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag Bpm opgelegd van € 2.194, omdat de waardebepaling in het taxatierapport van belanghebbende gebaseerd is op onjuiste referentievoertuigen en een aantal opties van de auto niet is meegenomen in de berekening. Hierdoor zijn de handelsinkoopwaarde en de historische nieuwprijs van de auto beide op een te laag bedrag vastgesteld. De Inspecteur heeft de handelsinkoopwaarde van de auto en de historische nieuwprijs op grond van de koerslijst Autotelex vastgesteld op respectievelijk € 68.293 en € 123.703. De handelsinkoopwaarde volgens de koerslijst is vervolgens verminderd met het door [naam taxateur] getaxeerde schadebedrag. De Inspecteur heeft de verschuldigde Bpm berekend op € 19.252. Daarbij is geen belastingrente in rekening gebracht.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, voor zover in hoger beroep van belang, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

Bevoegdheid

4. Het is aan de nationale rechter een inhoudelijke beslissing op het aanhangige

geschil te geven.1 Al hetgeen eiser in dit kader heeft aangevoerd en de jurisprudentie

waarnaar hij daarbij heeft verwezen, geeft de rechtbank geen aanleiding voor een ander

oordeel.

1. Zie bijvoorbeeld: HvJ EU, 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68.

Stukken van het geding

5. Eiser heeft ter zitting gesteld dat in een andere zaak is gebleken dat verweerder

stukken heeft achtergehouden. Voor zover eiser bedoeld heeft dat dat in de onderhavige

zaak ook het geval is, heeft eiser niet onderbouwd om welke stukken het zou gaan.

Schending hoorplicht

6. De rechtbank leidt uit de overgelegde stukken af dat verweerder eiser in de periode

van 5 oktober 2020 tot 2 februari 2021 drie keer heeft uitgenodigd om op een hoorgesprek te

verschijnen, maar dat de gemachtigde van eiser om uiteenlopende redenen (drukte,

organisatorische moeilijkheden en corona) hier geen gebruik van heeft gemaakt. Verweerder

heeft tevens aangeboden om het horen op een alternatieve manier te organiseren, zoals

telefonisch of via een beeldverbinding, en om de dossiers elektronisch op te sturen. Ook

heeft verweerder aan de gemachtigde van eiser gevraagd om alternatieve data voor het

hoorgesprek op te geven. De gemachtigde van eiser heeft hier niet aan mee willen werken

en ook alternatieve data zijn door hem niet verstrekt. Gelet hierop heeft verweerder voldaan

aan de op hem rustende verplichting om (de gemachtigde van) eiser in de gelegenheid te

stellen te worden gehoord. In het licht van de hiervoor genoemde omstandigheden kan van

verweerder niet worden verlangd dat hij nog meer inspanningen doet om een hoorgesprek te

laten plaatsvinden. Het niet plaatsvinden van het hoorgesprek komt dan ook voor rekening

van eiser. Verweerder heeft de hoorplicht dan ook niet geschonden.

Bewijslast

7. Eiser stelt dat op verweerder de last rust om na te gaan of niet te veel bpm op

aangifte is voldaan. Uit de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 20172 en

17 januari 20203 volgt dat op de belastingplichtige die zich beroept op een vermindering van

de door hem op aangifte voldane bpm, de plicht rust om feiten testellen en, zo nodig,

aannemelijk te maken die kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde

belasting.

2 ECLI:NL:HR:2017:847.

3 ECLI:NL:HR:2020:63.

Schending Europees verdedigingsbeginsel

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het Europees verdedigingsbeginsel niet

heeft geschonden. Zoals uit het arrest van de Hoge Raad van 13 april 20184 volgt, strekt het

verdedigingsbeginsel niet verder dan dat de geadresseerde van een besluit zijn of haar

opmerkingen kenbaar kan maken over liet voordien kenbaar gemaakte voornemen van

verweerder. Er is dan ook geen rechtsregel die verweerder verplicht de geadresseerde van

het voorgenomen besluit expliciet voor een gesprek uit te nodigen. Eiser is bij brief van

16 september 2019 door verweerder op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een

naheffingsaanslag op te leggen. Eiser is daarbij in de gelegenheid gesteld om op dat

voornemen te reageren. Eiser heeft daar geen gebruik van gemaakt. Onder die

omstandigheden is geen sprake van schending van het Europeesrechtelijk

verdedigingsbeginsel.

4 ECLI:NL:HR:2018:591

Niet naheffen na belastbaar feit

9. Eiser stelt zich op het standpunt dat het niet is toegestaan een naheffingsaanslag op

te leggen nadat de registratie heeft plaatsgevonden omdat dit ook bij registratie van

binnenlandse voertuigen niet kan. De rechtbank volgt eiser daarin niet. De Bpm wordt

verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het kentekenregister en moet

ingevolge artikel 6 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992

op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan.

Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald,

kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de algemene wet inzake rijksbelastingen de te

weinig geheven belasting naheffen.

Equality of arms

10. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van de door eiser gestelde

schending van het beginsel van equality of arms. In deze zaak is geen sprake van een door

verweerder ingebracht taxatierapport. De vraag of de eisen die worden gesteld aan een door

eiser in te brengen taxatierapport ook dienen te worden gesteld aan een door verweerder

overgelegd rapport, behoeft daarom geen behandeling.

Taxatierapport [naam taxateur]

11. Voor zover eiser stelt dat de waarde van de auto in dit rapport op een juiste manier

is bepaald, slaagt dit niet. Zoals verweerder heeft toegelicht is de auto in dit rapport

vergeleken met auto's met andere kenmerken, zonder dat aannemelijk is geworden dat met

die verschillen rekening is gehouden. Daarnaast zijn niet alle wel aanwezige opties van de

auto in dit rapport betrokken in de berekening.

Schadepercentage

12. Nu uit de door verweerder bij de kennisgeving naheffingsaanslag overgelegde

stukken blijkt dat verweerder 100% en niet 72% van de door [naam taxateur] begrootte

schade als waardevermindering in aanmerking heeft genomen, behoeft hetgeen eiser in dit

verband heeft aangevoerd geen behandeling.

Leeftijdskorting

13. Eiser stelt dat recht bestaat op extra leeftijdskorting. Eiser heeft echter geen feiten

gesteld op basis waarvan ten onrechte geen leeftijdskorting bij de berekening van de bpm in

aanmerking is genomen.

Rentevergoeding over teruggaaf

14. Aangezien uit het voorgaande volgt dat eiser niet teveel bpm heeft betaald, behoeft

de vraag of over een teruggaaf van bpm rente moet worden vergoed geen behandeling.

Slotsom

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

Verbod op uitlegging Unierecht en verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen

16. Eiser stelt dat de rechtbank niet bevoegd is het Unierecht uit te leggen zodat —

mocht de rechtbank overwegen ten nadele van eiser te beslissen — de rechtbank eerst

prejudiciële vragen moet stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU).

De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen

van prejudiciële vragen. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen

reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.

Materiele schade

17. Eiser heeft ter zitting verzocht om een vergoeding van materiële schade. De

rechtbank wijst het overigens niet onderbouwde verzoek om vergoeding van materiële

schade af, aangezien de rechtbank op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet

bestuursrecht alleen bij een gegrond beroep de mogelijkheid heeft om een partij te

veroordelen tot betaling van een (materiële) schadevergoeding.

Immateriële schade

18. Eiser heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens

overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is overschreden wanneer de

behandeling van het bezwaar en het beroep gezamenlijk langer duurt dan tweejaar. De

behandeltermijn vangt aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt en

eindigt met de uitspraak van de rechtbank. Als uitgangspunt voor de hoogte van de

schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke

termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

Heeft de procedure tot de uitspraak van de rechtbank langer dan twee jaar geduurd, dan

dient vervolgens voor de bezwaar- en de beroepsfase afzonderlijk te worden bezien of

sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij in beginsel geldt

dat de bezwaarfase binnen een halfjaar en de beroepsfase binnen anderhalf jaar zou moeten

worden afgerond.

19. Verweerder heeft het bezwaarschrift op 27 november 2019 ontvangen. Tot de

datum van deze uitspraak zijn dus afgerond 2 jaren en 8 maanden verstreken. Dit leidt tot

een overschrijding van de redelijke termijn van 8 maanden en daarmee tot een vergoeding

wegens geleden immateriële schade van € 1.000. De overschrijding is volledig toe te

rekenen aan de bezwaarfase. Gelet hierop zal de rechtbank verweerder veroordelen tot

betaling van een vergoeding van immateriële schade aan de zijde van eiser van € 1.000.

Proceskosten

20. Nu aan eiser een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, ziet de

rechtbank aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De voor vergoeding in

aanmerking komende kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten

bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand

vast op € 759 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen

ter zitting met een waarde per punt van € 7595 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank gaat

uit van een wegingsfactor van 0,5 omdat de kostenvergoeding uitsluitend wordt toegekend

vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank is van oordeel dat deze

kostenvergoeding niet in strijd is met artikel 47 van liet Handvest van de Europese Unie.

Ook het geheven griffierecht moet worden vergoed.

5 Dit gelet op Hoge Raad 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752

21. Voor een integrale proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. Een

hogere dan forfaitaire vergoeding op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit kan

slechts worden toegepast indien er sprake is van een bijzondere omstandigheid. Uit de

gedingstukken en hetgeen eiser heeft gesteld, valt naar het oordeel van de rechtbank niet op

te maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden.

Hoogte griffierecht

22. Nu verweerder is opgedragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden,

behoeft de stelling van eiser dat de hoogte van het griffierecht moet worden afgestemd op de

hoogte van de onderliggende vordering daarom geen behandeling.

Rente

23. Eiser heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van rente ter zake van het

griffierecht. De rechtbank honoreert die aanspraak in zoverre dat recht bestaat op een

vergoeding van wettelijke rente indien het griffierecht niet aan eiser wordt uitbetaald binnen

vier weken na de datum van deze uitspraak. Dit heeft ook te gelden voor de overige op

grond van deze uitspraak aan eiser te betalen vergoedingen.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

In hoger beroep is in geschil of de uitspraak van de Rechtbank juist is.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag ten onrechte dan wel tot een te hoog bedrag is opgelegd. Belanghebbende verzoekt om vergoeding van schade, de integrale proceskosten en het in hoger beroep geheven griffierecht.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

De Rechtbank heeft op goede gronden juiste beslissingen genomen. Het Hof maakt deze beslissingen en de gronden waarop zij berusten tot de zijne. Belanghebbende heeft in hoger beroep niets aangevoerd dat tot een andere uitkomst kan leiden.

Dat de Inspecteur stukken zou achterhouden is niet gebleken. Belanghebbende heeft niet aangegeven over welke stukken deze klacht zou kunnen gaan en op loze beschuldigingen slaat het Hof geen acht. Over de gestelde schending van de hoorplicht voegt het Hof nog toe dat er geen enkel vertrouwen is dat het partijen nog lukt om over de geschilpunten tijdens een gesprek nuttig van gedachten te wisselen. De Rechtbank heeft de bewijslast juist verdeeld en belanghebbende heeft niet het van hem te verlangen bewijs geleverd. Het is aan belanghebbende om het bewijs te leveren dat de auto een ex-rental is of dat andere waarde verminderende omstandigheden aan de orde zijn. Dat de Inspecteur is tekortgeschoten in het van hem te verlangen bewijs, is evenmin gebleken. De Rechtbank heeft de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn juist vastgesteld. Het verzoek om vergoeding van materiële schade heeft belanghebbende niet onderbouwd. Het Hof wijst dit af. Het Hof ziet geen aanleiding om een hogere schadevergoeding toe te kennen dan de Rechtbank heeft gedaan.

Het Hof ziet voor deze procedure geen reden het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële vragen voor te leggen. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat het Hof van Justitie in zijn arrest Consorzio Italian Management e Catania Multiservizi (HvJ EU 6 oktober 2021, ECLI:EU:C:2021:799, m.nt. P.J. Wattel) nog maar eens duidelijk maakt dat de prejudiciële procedure geen rechtsmiddel van partijen is. De gemachtigde lijkt dat nog steeds uit het oog te verliezen. Artikel 267 VWEU gaat uitsluitend over rechtstreekse samenwerking tussen rechters. Dat een procespartij stelt dat uitleg van het Unierecht in het geding is, is voor de hoogste nationale rechter dan ook op zichzelf geenszins reden om te verwijzen (punt 54). De nationale rechter (ook de lagere op wie geen verwijsplicht rust ex artikel 267 VWEU) mag zelf beslissen, los van wat de partijen al dan niet wensen, of en zo ja, in welke stand van de procedure, en welke vragen hij noodzakelijk of zinvol acht (punten 53-56).

Slotsom

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, H.A.J. Kroon en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 6 juli 2023 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?