Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 februari 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
BRP-adres: [woonadres], [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
Voorts is in eerste aanleg beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 september 2018 tot 08 december 2019 te Puttershoek, gemeente Binnenmaas, in elk geval in Nederland, met zijn, verdachtes, minderjarige zoon ([slachtoffer 1], geboren [geboortedatum slachtoffer 1] 2011) die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het, meermalen, althans eenmaal, (telkens)
- betasten van de penis van die [slachtoffer 1] en/of
- laten betasten en/of laten aftrekken van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer 1];
2.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 september 2018 tot 11 november 2019 te Puttershoek, gemeente Binnenmaas, in elk geval in Nederland, met zijn, verdachtes, dochter, [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] 2007), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], namelijk het, meermalen, althans eenmaal, (telkens)
- wrijven met zijn, verdachtes, vinger(s) over de clitoris van die [slachtoffer 2], althans het brengen en/of (vervolgens) houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 2], terwijl die [slachtoffer 2] aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd;
3.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 september 2018 tot 08 december 2019 te Puttershoek, gemeente Binnenmaas, in elk geval in Nederland, met zijn, verdachtes, minderjarige dochter ([slachtoffer 2], geboren [geboortedatum slachtoffer 2] 2007) die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het, meermalen, althans eenmaal, (telkens)
- betasten en/of bevoelen van en/of wrijven over de vagina, althans de schaamstreek van die [slachtoffer 2] en/of
- betasten en/of knijpen in de borsten van die [slachtoffer 2] en/of
- laten betasten en/of laten aftrekken van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer 2].
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen integraal worden toegewezen, met vermeerdering van die vorderingen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 juli 2019 tot 08 december 2019 te Puttershoek, gemeente Binnenmaas, in elk geval in Nederland, met zijn, verdachtes, minderjarige zoon, [slachtoffer 1], geboren [geboortedatum slachtoffer 1] 2011, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het, meermalen, althans eenmaal, (telkens)
- betasten van de penis van die [slachtoffer 1] en/of
- laten betasten en/of laten aftrekken van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer 1];
2.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 juli 2019 tot 11 november 2019 te Puttershoek, gemeente Binnenmaas, in elk geval in Nederland, met zijn, verdachtes, dochter, [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] 2007, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], namelijk het, meermalen, althans eenmaal, (telkens)
- wrijven met zijn, verdachtes, vinger(s) over de clitoris van die [slachtoffer 2], althans het brengen en/of (vervolgens) houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 2], terwijl die [slachtoffer 2] aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd;
3.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 juli 2019 tot 08 december 2019 te Puttershoek, gemeente Binnenmaas, in elk geval in Nederland, met zijn, verdachtes, minderjarige dochter, [slachtoffer 2], geboren [geboortedatum slachtoffer 2], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het, meermalen, althans eenmaal, (telkens)
- betasten en/of bevoelen van en/of wrijven over de vagina, althans de schaamstreek van die [slachtoffer 2] en/of
- betasten en/of knijpen in de borsten van die [slachtoffer 2] en/of
- laten betasten en/of laten aftrekken van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer 2].
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Bewijsoverweging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota - op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. De verdediging heeft daartoe – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat het wettig bewijs voor de tenlastegelegde handelingen ontbreekt, omdat naast de verklaringen van de kinderen en de aangifte van moeder namens hen, geen bewijs voorhanden is dat niet afkomstig is uit dezelfde bron. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat er discrepanties bestaan tussen hetgeen is verklaard tijdens het eerste informatieve gesprek met [moeder slachtoffers], de moeder van de kinderen, de later door haar in het kader van de aangifte afgelegde verklaring en de verklaringen van de kinderen. Dit maakt volgens de verdediging dat niet gesteld kan worden dat de verklaringen consistent en derhalve authentiek en betrouwbaar zijn.
Algemene overwegingen
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat - bij seksueel misbruikzaken – waar het veelal gaat om zaken waarin slechts twee personen (een dader en een slachtoffer) aanwezig zijn geweest - het gebruik van steunbewijs in de vorm van zogenaamd schakelbewijs onder omstandigheden is toegelaten. Voor de bewezenverklaring van een feit wordt in dat geval mede redengevend geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij moet het gaan om bewijs ten aanzien van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit, zoals een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte, ook wel aangeduid als modus operandi.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een overeenkomende modus operandi kunnen betrokken worden de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de betreffende feiten, waaronder begrepen de context waarbinnen zij zich hebben afgespeeld, de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven en het desbetreffende handelen van de verdachte alsmede de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd. Daarbij kan het bewijs over en weer redengevend worden geacht, ook als geen enkel feit afzonderlijk – dus los van de schakelbewijsconstructie – wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Overwegingen met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kinderen
Het hof volgt de verdediging niet in haar standpunt ten aanzien van de betrouwbaarheid van de aangifte door moeder en de verklaringen van de kinderen. Het hof is van oordeel dat de kinderen bij de politie op hoofdlijnen consistente, gedetailleerde, authentieke en specifieke verklaringen hebben afgelegd over de inhoud van de seksuele handelingen die zij hebben ondergaan en hebben moeten verrichten, zeker wanneer daarbij de zeer jeugdige leeftijd van de kinderen ten tijde van het afleggen van die verklaringen in aanmerking wordt genomen.
Zo heeft de dochter van de verdachte verklaard dat zij een stukje van de piemel heen en weer moest bewegen - zij wees de punt aan – en dat daar dan “wit” uit komt maar dat papa dat niet wilde en zij ook niet dus dat hij daarvoor dan stop zei.
De zoon van de verdachte heeft de penis van de verdachte in erectie als volgt beschreven: “Hem ze staat rechtop. Hij staat eigenlijk nooit schuin of naar beneden. Hij zat elke keer omhoog. (…) Mijn buitenkant komt er niet uit. Alleen als je zo doet (doet voor, maakt bewegingen van aftrekken). Alleen bij papa, bij papa staat die wel er uit. (…) Aan papa’s ding zitten. Maar ik weet dat die niet groter kan worden. Ik weet dat die niet groter kan worden, want mijn binnenkant is al helemaal uitgegaan bij hem.”
He hof is van oordeel dat de discrepanties tussen de verklaringen slechts zien op ondergeschikte onderdelen en niet afdoen aan de kern van hetgeen de kinderen verklaren en hetgeen hun moeder namens hen heeft verklaard.
Overwegingen steunbewijs
Het hof stelt vast dat uit de door de beide kinderen afgelegde verklaringen volgt dat er overeenkomsten bestaan in de modus operandi van de verdachte ten aanzien van hetgeen hem wordt verweten.
De beide kinderen hebben verklaard dat de seksuele handelingen in de regel op weekenddagen – te weten op vrijdag of zaterdag - ‘s-avonds boven plaatsvonden in de slaapkamer van verdachte, wanneer er met de verdachte gekroeld werd op het bed van verdachte. De kleding van de kinderen (en van de verdachte) moest dan uit of naar beneden. Voorts hebben beide kinderen verklaard dat zij handelingen moesten verrichten aan de penis van de verdachte.
Het hof is van oordeel dat het om overeenkomsten op essentiële punten gaat. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verklaringen van de kinderen als schakelbewijs kunnen dienen. Het hof zal de verklaringen dan ook over en weer gebruiken als steunbewijs voor de ten laste gelegde feiten.
De wijze waarop beide kinderen hebben verklaard over het besneden geslachtsdeel van de verdachte acht het hof niet alleen authentiek. De verklaringen worden ook ondersteund door de verklaring van de verdachte dat hij inderdaad besneden is en dit nooit aan de kinderen heeft verteld. De eigen verklaring van de verdachte op dit punt beschouwt het hof – evenals de rechtbank - derhalve als steunbewijs. Weliswaar heeft de verdachte verklaard dat hij zijn penis ooit aan zijn zoon heeft laten zien, maar het hof acht niet aannemelijk dat de verdachte toen zijn penis in erectie heeft getoond.
Het hof is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de aan hem tenlastegelegde feiten heeft begaan.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 en 3 bewezenverklaarde levert op:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met zijn minderjarige zoon en dochter, destijds 8 en 11 jaren oud. Door aldus te handelen heeft de verdachte niet alleen zijn vertrouwenspositie als vader misbruikt, maar ook een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van zijn kinderen. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke misdrijven hier nog lange tijd, soms zelfs blijvend, lichamelijke en vooral ook psychische klachten van kunnen ondervinden. Dat dit ook in deze zaak het geval is, blijkt uit de namens de slachtoffers ter terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2023 gegeven toelichting op de vorderingen tot schadevergoeding.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 oktober 2023, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten en ook nadien niet is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Redelijke termijn
Het hof neemt in aanmerking dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden. Immers, de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is met ruim elf maanden overschreden, omdat die termijn is aangevangen op 2 maart 2020 en het vonnis waarvan beroep is gewezen op 27 februari 2023. De rechtbank heeft deze overschrijding verdisconteerd in de opgelegde straf door de helft van die straf voorwaardelijk op te leggen.
Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf recht doet aan de ernst van de feiten en dat de overschrijding van de redelijke termijn daarin voldoende verdisconteerd is.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Het voorwaardelijk strafdeel strekt ertoe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst strafbare feiten te plegen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 2.500,-.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 2.500,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1].
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 en 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 10.000,-.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 5.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2].
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 244, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling, die kan worden toegepast bij niet (volledige) betaling, op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 juli 2019
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,- (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,- (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling, die kan worden toegepast bij niet (volledige) betaling op ten hoogste 60 (zestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 juli 2019
Dit arrest is gewezen door
mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans,
mr. A. de Lange en mr. M.J. de Haan-Boerdijk,
in bijzijn van de griffier mr. J.A. Gram.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 31 oktober 2023.
mr. M.J. de Haan-Boerdijk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.