ECLI:NL:GHDHA:2023:2924

ECLI:NL:GHDHA:2023:2924, Gerechtshof Den Haag, 14-12-2023, 22-002130-19

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 14-12-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22-002130-19
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Ontnemingsvordering na veroordeling wegens gewoontewitwassen. Vordering vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel op ruim € 366.000,-. Hof stelt vast dat de betrokkene ruim BTC 625 heeft ontvangen op zijn account. Deze bitcoins vertegenwoordigden een waarde van ruim € 613.000,-, terwijl de verdachte in de betreffende periode niet over een legale inkomensbron beschikte. Geen afdoende verklaring van de verdachte omtrent de legale herkomst van deze bitcoins. Vaststelling van wederrechtelijke voordeel en betalingsverplichting op ruim € 613.000,-.

Uitspraak

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 mei 2019 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres] [woonplaats],

ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in penitentiaire inrichting Veenhuizen, locatie Norgerhaven te Veenhuizen.

Procesgang

Bij arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van dit gerechtshof van 14 december 2023 is de betrokkene, voor zover hier van belang, ter zake van het in zijn strafzaak onder 1 bewezenverklaarde,

gekwalificeerd als:

gewoontewitwassen,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden met aftrek van voorarrest.

De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 3 mei 2019 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 350.894,- en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

Namens de betrokkene is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.

Vordering van het Openbaar Ministerie

De in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 366.572,00, ter ontneming van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna ‘Sr”).

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie gepersisteerd bij de schriftelijke vordering met dien verstande dat bij de executie de opbrengsten van de

in beslag genomen voertuigen en de bitcoins van het te betalen bedrag dienen te worden afgetrokken, indien deze goederen verbeurd worden verklaard.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd en dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, zal worden vastgesteld op een bedrag van € 366.572,00 en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Grondslag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het hof stelt vast dat het in de strafzaak bewezenverklaarde feit is begaan in de periode van 1 oktober 2016 tot en met 29 november 2017. Dit feit betreft een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Gelet op het dossier is het naar het oordeel van het hof aannemelijk geworden dat het feit waarvoor de betrokkene in de strafzaak is veroordeeld of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat hij wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Immers volgt uit het dossier dat de betrokkene de beschikking heeft gehad over bitcoins die in totaal een waarde vertegenwoordigen die niet kan worden verklaard door het van hem vastgestelde legale inkomen en bezit.

Het hof zal op grond van artikel 36e, derde lid, Sr de verplichting opleggen tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het hof leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.

In november 2017 is informatie ontvangen van [bedrijf 1] waaruit blijkt dat de betrokkene daar een account had Verder blijkt uit de informatie van [bedrijf 1] dat door de betrokkene verschillende transacties zijn uitgevoerd via zijn account. In totaal zijn er 625,3 bitcoins gestort op het account van de betrokkene bij [bedrijf 1]. Deze bitcoins zijn op verschillende wijzen omgezet in chartaal geld:

- In de maand oktober 2017 is een totaalbedrag van € 5.412,00 overgeschreven naar een tweetal bankrekeningen. Deze bankrekeningen staan op naam van [naam 1] en [naam 2].

- In de maanden oktober 2016 tot en met september 2017 zijn er 193,1 bitcoins, met een tegenwaarde van € 199.326,85, overgeboekt naar bitcoinadressen die behoren bij [bedrijf 2]. De kaart met nummer [kaartnummer 1] is met deze bitcoins geladen.

- In de maanden november en december 2016 zijn in totaal 107,47 bitcoins met een tegenwaarde van € 76.165,00 naar een onbekend bitcoinadres verstuurd.

- Aan het [bedrijf 1] account van de betrokkene zijn twee Visa prepaid debetkaarten gekoppeld, te weten de prepaid USD kaart met nummer [kaartnummer 2] en de prepaid EUR kaart met nummer [kaartnummer 3]. Beide kaarten zijn geladen doordat de bitcoins zijn omgezet in euro’s en dollars. Op de kaart met nummer [kaartnummer 2] hebben in de maanden maart tot en met juni 2017 stortingen plaatsgevonden tot een totaal geldbedrag van $ 20.695,45 (omgerekend in Euro op basis van de slotkoers op de dag van de respectieve transacties: € 19.012,30). Op de kaart met nummer [kaartnummer 3] hebben in de maanden oktober 2016 tot en met november 2017 stortingen plaatsgevonden tot een totaal geldbedrag van € 313.344,77.

In totaal vertegenwoordigen de omgezette bitcoins derhalve een geldwaarde van € 5.412,00 + € 199.326,85 + € 76.165,00 + € 313.344,77 + € 19.012,30 = € 613.260,92.

Er is onderzoek gedaan naar het inkomen, de bezittingen en de eenmanszaak van de betrokkene. Daaruit blijkt het volgende. De laatst bekende loongegevens van de betrokkene dateren uit 2011. De betrokkene ontving toen een UWV-uitkering van € 3.802. Vanaf 2012 zijn er geen loongegevens of andere legale inkomsten bekend van de betrokkene. Verder had de betrokkene in de jaren 2014 en 2015 een bankrekening. Het saldo op die rekening bedroeg in beide jaren € 0,-. Sinds 2015 zijn er geen bankrekeningen meer bekend van de betrokkene in Nederland. Van de betrokkene zijn evenmin andere bezittingen bekend. Weliswaar heeft de betrokkene blijkens informatie van de Kamer van Koophandel vanaf 1 april 2000 een eenmanszaak gehad die zich zou bezighouden met de verkoop van auto’s, maar de KvK-inschrijving van die eenmanszaak is op 10 januari 2011 ambtshalve doorgehaald wegens opheffing van de onderneming.

Voorts heeft de betrokkene naar het oordeel van het hof geen afdoende verklaring gegeven over de legale herkomst van de bitcoins.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de wederrechtelijke opbrengst € 613.260,92 bedraagt. Op basis van het dossier is het hof van oordeel dat er geen sprake is van kosten die in mindering moeten worden gebracht op deze wederrechtelijke opbrengst. Derhalve stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 613.260,92.

Het hof zal tevens de betrokkene de verplichting opleggen het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat aan de Staat te betalen.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

Het hof heeft gelet op artikel 36e Sr.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 613.260,92 (zeshonderddertienduizend tweehonderdzestig euro en tweeënnegentig cent).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 613.260,92 (zeshonderddertienduizend tweehonderdzestig euro en tweeënnegentig cent).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.

Dit arrest is gewezen door mr. J.W. van den Hurk, mr. Chr.A. Baardman en mr. A.R.O. Mooy, in bijzijn van de griffiers mr. L.I. Appels en mr. J.H.M. Peusken.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 december 2023.

Mr. A.R.O. Mooy is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?