ECLI:NL:GHDHA:2023:3005

ECLI:NL:GHDHA:2023:3005, Gerechtshof Den Haag, 20-09-2023, 22-001928-19

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 20-09-2023
Datum publicatie 03-12-2025
Zaaknummer 22-001928-19
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2019:4231
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0005289

Samenvatting

Grootschalige phishingfraude. Deelname aan criminele organisatie (art. 140 Sr). Gedeeltelijke bevestiging vonnis. Overwegingen over ontvankelijkheid Openbaar Ministerie: geen schending gelijkheidsbeginsel. Overwegingen over betrouwbaarheid verklaringen (voormalige) medeverdachten. Overschrijding redelijke termijn en strafkorting: gevangenisstraf van 20 maanden i.p.v. 24 maanden. De ten aanzien van de verdachte bewezenverklaarde deelname aan een criminele organisatie (feit 2) is naar het oordeel van de het hof niet zonder meer voldoende om te kunnen vaststellen dat alle schade die het gevolg is van de door de criminele organisatie gepleegde misdrijven een rechtstreeks gevolg is van het ten aanzien van hem bewezenverklaarde feit. Wel schadevergoeding voor slachtoffer van concreet strafbaar feit dat niet afzonderlijk op de tenlastelegging van de verdachte staat, maar waarvan wel kan worden vastgesteld dat de verdachte daarbij was betrokken. Niet aannemelijk geworden dat de aard en de ernst van de normschending een aantasting in de persoon oplevert. De benadeelde partij wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering voor zover die ziet op vergoeding van de gestelde immateriële schade door oplichting. Verwerping draagkrachtverweer. Opheffing geschorst bevel voorlopige hechtenis.

Uitspraak

Gerechtshof Den Haag

Arrest

[verdachte] ,

Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen een standpunt ingenomen, overeenkomstig het overzicht dat door de advocaat-generaal als bijlage is gevoegd bij het door haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde requisitoir. De advocaat-generaal heeft - in het geval van toewijzing - geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vorderingen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt verdediging

Beoordeling hof

Immateriële schade

BESLISSING

Rolnummer: 22-001928-19

Parketnummer: 09-842210-14

Datum uitspraak: 20 september 2023

TEGENSPRAAK

meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 29 april 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

geboren te [geboorteplaats] ( [land] ) op [geboortedatum] 1972,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn er beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Zoals hierboven reeds vermeld is de verdachte in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:

2.hij in of omstreeks de periode van 4 januari 2014 tot en met 7 mei 2014 te Amsterdam en/of Diemen en/of Haarlem, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten onder meer verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het plegen van oplichting en/of (gewoonte)heling en/of (gewoonte)witwassen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden en met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van de opgelegde straf, de motivering daarvan, de beslissingen ten aanzien van de benadeelde partijen en de toepasselijke wettelijke voorschriften.

In dit opzicht zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Voor het overige verenigt het hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis, met dien verstande dat het hof daarin de hierna te vermelden verbetering en aanvullingen aanbrengt.

Het vonnis waarvan beroep zal derhalve - behoudens voor zover het wordt vernietigd - onder aanvulling van gronden worden bevestigd.

Het hof schrapt uit het vonnis van de rechtbank de zin “Het dossier bevat twee registraties uit het politiesysteem Blue View, waaruit blijkt dat [verdachte] de hoofdbewoner van de woning aan de [adres 1] was”, alsmede de verwijzing in voetnoot 164 (zie pagina’s 15 en 16 van het vonnis).

Het hof gaat er echter wel degelijk met de rechtbank van uit dat de verdachte enige tijd op dat adres heeft gewoond. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft immers verklaard dat de verdachte enige tijd heeft gewoond op het adres [adres 1] (zie de hieronder als bewijsmiddel 3 opgenomen verklaring van 14 januari 2022).

Het hof zal het vonnis aanvullen met de hieronder genoemde bewijsmiddelen en overwegingen.

Aanvulling bewijsmiddelen:

1. Een geschrift, zijnde een brief van de medeverdachte [medeverdachte 1] aan het hof, d.d. 4 december 2020, Het houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:

Ik kwam in contact met een man (het hof begrijpt dat hiermee wordt bedoeld [getuige 1] ), op dat moment waren mijn schulden zo hoog opgelopen dat ik mijn koophuis zou kwijtraken. Hij kon mij hierbij helpen. Mijn huis was niet meer te redden en is per executie verkocht. Ik mocht gratis verblijven in het huis van een broer van de man die ik had ontmoet, hierna verbleef ik in het huis van een neef van hem.

Ik ben toen in contact gekomen met een vriend van hem. Die wilde weten of ik extra geld wilde verdienen. Ze waren op zoek naar een dame zoals mij. Ik zou niet veel hoeven doen, enkel een paar telefoontjes plegen. Ik kon natuurlijk niet voor niets in het huis blijven waar ik verbleef. Ik kon die vriend van hem (het hof begrijpt dat hiermee de medeverdachte [verdachte] wordt bedoeld) toch wel helpen, dat was ik de man ook wel verschuldigd die mij had geholpen met mijn huis, gaf hij aan.

Het huis zat vol met veel mannen en een andere dame. De man kende ze allemaal. De dame en de verdachte (het hof begrijpt [verdachte] ) legde mij uit wat er moest gebeuren en wat ik moest zeggen, er was een soort van script. Ik moest mij voordoen als een medewerker van de bank en stap voor stap maakte de verdachte en de dame geld over van de rekening van de mensen die gebeld werden. De andere mannen in het huis, brachten steeds informatie aan van mensen die gebeld moesten worden.

Na verloop van tijd vroegen ze mij meer te doen. Ik werd ’s ochtends gebeld of geappt dat ik moest komen, het adres verschilde nog wel eens. De andere dame was er niet meer bij. Ook nu waren er vaak andere mannen aanwezig.

Wanneer de dag startte gaven de verdachte en de man mij gegevens die ik moest de noteren en waarmee ik contact moest zoeken (voor bijvoorbeeld dure auto’s en horloges). Er werd mij aangegeven wat ik moest zeggen. Er zat steeds iemand naast mij die mee

luisterde en ingreep wanneer het nodig was. Zo werden de gesprekken gecontroleerd. Daarnaast waren er andere mannen aanwezig. Zij beschikten over informatie van personen, die ook gebeld moesten worden. Ook hier werd een soort script weer gevolgd en werden de gesprekken die ik moest voeren nauwgezet in de gaten gehouden.

Het verschilde wanneer ik geld kreeg voor de telefoontjes die ik had gepleegd. Ook waren daar geen vaststaande bedragen voor. Ik moest het doen met wat ze me gaven. Ik heb in totaal om en nabij tussen de 20.000 en 30.000 euro ontvangen.

2. Een proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 2 juni 2021 afgelegd bij de raadsheer-commissaris. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :als de op 2 juni 2021 afgelegde verklaring van :Het klopt dat ik met twee mannen in de woning was op het moment dat ik werd aangehouden. U toont mij een politiefoto (bijlage 18, dossierpagina 5369). U vraagt mij of ik de man op die foto herken. Ja, ik ken hem, dat is [verdachte] , sommige mensen noemde hem ook [verdachte] .

[verdachte] en [medeverdachte 2] waren de twee mannen die in de woning aanwezig waren toen ik werd aangehouden.

Het klopt dat ik op enig moment informatie kreeg, contactgegevens, om mensen te bellen met als het doel het ontfutselen van gegevens die het mogelijk maakten dat iemand kon inloggen in iemands online bankomgeving en dat wij dan keken of er veel geld op die rekeningen stond. Het klopt ook dat er vervolgens contact werd opgenomen met een juwelier voor de aanschaf van sieraden of een autodealer, daarna weer contact werd opgenomen met de rekeninghouder om het geld over te maken naar de juwelier. Ik ben best wel vaak degene geweest die contact opnam met mensen voor hun bankgegevens en met juweliers en autodealers.

De contactgegevens van rekeninghouders werden mij aangereikt. Het wisselde van wie ik die informatie kreeg. Onder andere van de heer [medeverdachte 2] en af en toe van [verdachte] .

Alle informatie stond op een laptop, tablet of het werd doorgestuurd. Ik moest gaan bellen. De heren bleven naast mij zitten en hielden dan goed in de gaten of ik wel deed wat ik moest doen. Ik moest eerst bellen om te kijken of er geld op de rekening stond, degene die naast mij zat checkte dat dan. Er zat altijd iemand naast mij, ik was nooit alleen. [verdachte] zat ook wel eens naast mij, hij was er eigenlijk altijd en zorgde dat iedereen aanwezig was en bij elkaar. Hij sprak voornamelijk Engels, maar hij spreekt wel een beetje Nederlands en verstaat het ook goed.

[verdachte] zocht voornamelijk naar de juwelen en auto’s. Meneer ‘X’ (het hof begrijpt dat hiermee [getuige 1] wordt bedoeld) was er ook vaak bij betrokken. Dit is de man die mij onderdak had gegeven.

Ik moest bij de juwelier of de autohandelaar polsen of hetgeen men op het oog had nog aanwezig was. Ik moest aangeven dat ik geïnteresseerd was en vragen of het geld overgemaakt kon worden. Ook moest ik checken of het bedrijf een [rekening] had, dan was een snelle overboeking mogelijk. Ik plande dan een moment in om de rekeninghouder weer te bellen. De heren die aanwezig waren in het kantoor zorgden dan dat er iemand klaar stond om het goed direct af te halen zodra het geld was overgemaakt. Ik moest dan terugbellen naar het bedrijf dat bijvoorbeeld mijn zus of partner de auto of het juweel zou komen ophalen en ik moest een naam doorgeven. Ik kreeg die naam dan door van [verdachte] .

[verdachte] en meneer ‘X’ gingen voornamelijk over de afhandeling. Zij verkochten de sieraden en de voertuigen. Ik was daar niet bij.

Het klopt dat ik de informatie die mij werd aangereikt vaak opschreef in het notitieblok. Het was een soort van administratie. [verdachte] heeft denk ik ook wel eens aan het notieblok gezeten. Hij schreef er ook wel eens iets in op terwijl ik aan het bellen was.

De dynamiek was niet gelijkwaardig. Er werd mij verteld wat ik moest doen door [verdachte] en meneer ‘X’. Vooral meneer ‘X’ heeft veel druk op mij gelegd.

Ik weet niet wat er in totaal werd verdiend of wat de opbrengst was. Ik was daar eerst niet bij en daar werd ook niet over gepraat. Soms kreeg ik iets en soms ook niets. Ik denk dat ik maximaal tussen de € 20.000,- en € 30.000,- heb ontvangen.

3. Een proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 1] als getuige in de zaken van de medeverdachten, d.d. 14 januari 2022 afgelegd bij de raadsheer-commissaris. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :als de op 14 januari 2022 afgelegde verklaring van[medeverdachte 1] :[getuige 1] is dezelfde persoon als [getuige 1] . [getuige 1] is zijn bijnaam. Hij heeft een broertje en die heette [getuige 2] , zo noemden we hem. Ik weet dat [getuige 2] de eigenaar was van de woning aan de [adres 1] in Amsterdam, ‘het kantoor’. Als [verdachte] of [getuige 1] aanwezig was, dan was het wel zo dat we het gingen doen zoals zij het zeiden. En als er iemand anders aanwezig was dan bepaalden zij wat we gingen doen. [verdachte] heeft wel in de woning aan de [adres 1] gewoond, maar toen de politie binnenviel in mei 2014 woonde hij daar volgens mij niet meer. Hij heeft daar wel een tijdje verbleven. Ik kreeg de opdracht om mails te versturen. Ik liet de volgende dag op het kantoor zien wat ik had verstuurd. Dat werd toen besproken en daarna ook gecontroleerd. Ik kende [verdachte] via [getuige 1] . Ik zag [verdachte] heel regelmatig.

Aanvullende overweging

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de overgelegde pleitaantekeningen - op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Hiertoe heeft de verdediging – kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat ten aanzien van twee medeverdachten, de broers [getuige 2] en [getuige 1] , geen vervolging heeft plaatsgevonden. Er is dus sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel, aldus de verdediging.

Het hof stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend om zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Een uitzonderlijk geval doet zich onder meer voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang kan zijn gediend. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur. Volgens de Hoge Raad strekt de jurisprudentie met betrekking tot de in artikel 167, eerste lid, Sv neergelegde bevoegdheid ertoe dat, indien het openbaar ministerie met de beslissing tot (voortzetting van de) vervolging een zaak ter beoordeling aan de rechter heeft voorgelegd, alleen uitzonderlijke met die vervolgingsbeslissing samenhangende omstandigheden beletten dat de rechter een inhoudelijk oordeel velt over de in de tenlastelegging vervatte beschuldiging door de beraadslaging omtrent de in artikel 350 Sv genoemde vragen.

Het hof is van oordeel dat op basis van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, niet (voldoende) aannemelijk is geworden dat sprake is van zodanige gelijkenis van de zaken van de broers [achternaam getuige 1 en 2] enerzijds en de zaak van de verdachte anderzijds op het punt van haalbaarheid en van opportuniteit dat daaruit de conclusie moet worden getrokken dat in het onderhavige geval het gelijkheidsbeginsel is geschonden omdat de verdachte vervolgd is en de broers [achternaam getuige 1 en 2] niet. De vervolgingsbeslissingen zijn in het licht van het opportuniteitsbeginsel en de daarmee samenhangende discretionaire bevoegdheid van het openbaar ministerie ook niet onbegrijpelijk. Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn niet aannemelijk geworden.

Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van het hof dan ook niet worden gezegd dat het openbaar ministerie in redelijkheid niet tot de bestreden vervolgingsbeslissing(en) had kunnen komen.

Het hof verwerpt het verweer. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 3]

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep voorts op het standpunt gesteld dat de verklaring van [medeverdachte 3] onbetrouwbaar zou zijn en dat zijn verklaring niet gebezigd kan worden voor het bewijs. Gelet op hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaring. Dat [medeverdachte 3] niet volledig consistent heeft verklaard doet daar niet aan af. Het hof constateert dat [medeverdachte 3] op hoofdlijnen consequent heeft verklaard over zijn eigen rol en de rol van de verdachte bij de feiten waarvan [medeverdachte 3] werd verdacht. De op 31 januari 2018 en 8 april 2019 afgelegde verklaringen van [medeverdachte 3] vinden bovendien steun in (ander) objectief bewijsmateriaal zoals de ping-gesprekken op de Blackberry-telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 1] en de aanwezigheid van de verdachte in de woning aan de [adres 1] op 7 mei 2014. Ook het gegeven dat [medeverdachte 3] geregeld de naam ‘ [verdachte] ’ noemde in de gesprekken die door de politie zijn afgeluisterd, ondersteunt naar het oordeel van het hof de betrouwbaarheid van diens verklaring. Tot slot merkt het hof op dat [medeverdachte 3] tijdens zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris op 20 april 2022 zijn eigen betrokkenheid én die van de verdachte bij de feiten heeft bevestigd. Het hof gaat, net als de rechtbank, voorbij aan het verweer van de raadsvrouw en zal de verklaring van [medeverdachte 3] voor het bewijs gebruiken.

Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 1]

Namens de verdachte is tevens aangevoerd dat de door de medeverdachte [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn om als bewijs te kunnen worden gebruikt, omdat zij heeft verklaard dat de verdachte er eigenlijk altijd wel bij was als zij moest bellen, terwijl uit het dossier zou blijken dat de telefoons van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] op 12 dagen waarop de medeverdachte [medeverdachte 1] met strafbare handelingen bezig was, niet dezelfde zendmast aanstraalden.

De verdediging heeft ter onderbouwing van deze stelling met name verwezen naar een door een verbalisant opgestelde ‘presentatie’, die als bijlage is gevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen van 8 mei 2015 (pagina 1449 e.v.). In deze presentatie is over de periode van 11 februari 2014 tot en met 1 mei 2014 met betrekking tot de zaaksdossiers 16 tot en met 39 aangegeven wiens of welke telefoons, alsmede de Huawei internet dongel, op welke tijdstippen bepaalde zendmasten aanstraalden. Ten aanzien van de verdachte betreft het de telefoontoestellen waarin de nummers [nummer 1] en [nummer 2] actief waren.

Met betrekking tot het telefoonnummer [nummer 2] stelt het hof op grond van de verklaringen afgelegd door [medeverdachte 1] en op grond van volgende overwegingen van de rechtbank, welke zij tot de hare maakt, vast dat de verdachte hiervan de gebruiker was.

Tijdens de doorzoeking in de woning aan de [adres 1] is een BlackBerry Q10 aangetroffen met daarin een simkaart met telefoonnummer [nummer 2] en ping nummer [nummer 3] . Het telefoonnummer [nummer 2] straalde tussen 1 juni 2013 en 8 mei 2014 ‘s nachts en in het weekend voornamelijk twee zendmasten binnen het bereik van de [adres 1] aan.

Voorts blijkt dit uit de verklaringen afgelegd door [medeverdachte 1] (haar brief van 4 december 2020 alsmede tegenover de raadsheer-commissaris op 2 juni 2021 en 14 januari 2022), welke zakelijk weergegeven erop neerkomen dat de verdachte haar een aantal maal informatie gaf over rekeninghouders die zij moest bellen, dat hij er altijd bij was als zij belde en iedereen bij elkaar bracht, dat hij zocht naar juwelen en auto’s, informatie gaf over de personen die deze ophaalden, en haar betaalde voor haar werkzaamheden.

Uit onderzoek is voorts gebleken dat tussen ping-nummer [nummer 3] en ping-nummer [nummer 4] , toebehorend aan [medeverdachte 1] , is gepingd, waarbij de gebruiker van [nummer 3] “ [verdachte] ” of “ [verdachte] ” werd genoemd en de ping naam [pingnaam 1] had. Deze [pingnaam 1] sprak de andere gebruiker aan met [pingnaam 2] . [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij deze telefoon gebruikte om te pingen met “ [verdachte] ”. Met deze [verdachte] doelt zij op verdachte [verdachte] , die samen met haar in de woning aan de [adres 1] werd aangehouden.

Het telefoonnummer [nummer 2] heeft op 6 mei 2014 de zendmast [adres 2] te Haarlem aangestraald. Het adres [adres 3] ligt binnen het bereik van die zendmast. Het telefoonnummer [nummer 5] dat aan verdachte [medeverdachte 2] wordt toegeschreven straalde eveneens masten die vanaf de [adres 3] konden worden bereikt. Telefoonnummer [nummer 5] werd op dat moment afgeluisterd (TA10). In het gesprek werd door [medeverdachte 2] gezegd dat “ [pingnaam 1] ” bij hem was.

Het hof stelt vast dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om de verdachte aan te wijzen als de gebruiker van het telefoonnummer [nummer 1] . Dat betekent dat voor zover in de presentatie dat nummer wel aan de verdachte wordt toegeschreven, die bevindingen in het navolgende geen rol zullen spelen. Nu steeds zowel dit nummer als het nummer [nummer 2] tezamen als bij de verdachte in gebruik zijn wordt genoemd, heeft het hof zich de vraag gesteld of dit ook betekent dat steeds beide nummers de betreffende zendmasten aanstraalden. Bij het ontbreken van de onderliggende historische verkeersgegevens (deze zijn blijkens het proces-verbaal vanwege de omvang ervan niet bij het proces-verbaal gevoegd) dient het antwoord op deze vraag elders gevonden te worden.

Nadere bestudering van de presentatie leert dat met betrekking tot de medeverdachte [medeverdachte 2] sprake is van in totaal drie verschillende telefoonnummers. Op drie dagen (5, 8 en 11 april) wordt steeds één nummer als actief op een bepaalde zendmast genoemd. Op vijf andere dagen (16, 28, 29 en 30 april en 1 mei) worden naast dat nummer nog twee andere nummers als actief op een bepaalde zendmast genoemd. Het hof maakt hieruit op dat indien in de presentatie een telefoonnummer wordt genoemd, dat nummer daadwerkelijk op het genoemde moment een of meer bepaalde zendmasten aanstraalden.

Het voorgaande houdt in dat uit de presentatie kan worden opgemaakt dat het aan de verdachte toe te schrijven telefoonnummer [nummer 2] op 5 dagen (16, 28, 29 en 30 april en 1 mei) op bepaalde momenten dezelfde zendmast heeft aangestraald als een of meer telefoonnummers in gebruik bij [medeverdachte 1] (en overigens ook als een of meer telefoonnummers in gebruik bij [medeverdachte 2] en van diverse werktelefoons alsmede van de dongel). Een en ander doet derhalve niet af aan de betrouwbaarheid van de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen.

De omstandigheid dat ten aanzien van 12 andere in de presentatie genoemde dagen niet is vastgesteld dat een aan de verdachte toe te schrijven telefoon dezelfde mast aanstraalde als een door [medeverdachte 1] gebruikt nummer, diverse werktelefoons en de dongel, maakt evenmin de verklaringen van [medeverdachte 1] minder betrouwbaar. Met het hiervoor genoemde nummer [nummer 2] , dat bij de verdachte in gebruik was, is immers pas op 17 april 2014 voor de eerste keer een daadwerkelijk gesprek gevoerd (blz. 73 p.v.). Het ligt daarom voor de hand dat de verdachte in de maanden daaraan voorafgaand geen telefoontoestel waarin dit nummer was geactiveerd bij zich droeg.

Ter terechtzitting in hoger beroep op 28 juni 2023 heeft de getuige [getuige 1] een nadere verklaring afgelegd. Het hof stelt vast dat deze verklaring in hoger beroep niets af doet aan de rol van de verdachte en tevens niet maakt dat de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1] minder betrouwbaar zouden zijn. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de rol die getuige [getuige 1] volgens de medeverdachte [medeverdachte 1] zou hebben gespeeld maakt dat de getuige er mogelijk belang bij heeft om als getuige niet naar waarheid te verklaren.

Voorwaardelijke verzoeken

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting — voor het geval het hof op basis van de in het dossier voorkomende stemherkenningen van de verdachte tot de conclusie zou komen dat de telefoons met de nummers [nummer 1] en [nummer 2] toebehoren aan dan wel in gebruik waren bij de verdachte — verzocht om aanhouding van de zaak voor nader stemvergelijkend onderzoek.

Verder heeft de raadsvrouw — voor het geval het hof op basis van het proces-verbaal van observatie van 7 mei 2014 in combinatie met de ter zitting in eerste aanleg getoonde beelden tot de conclusie zou komen dat de verdachte is waargenomen in Haarlem op de dag van zijn aanhouding — verzocht om aanhouding van de zaak voor het horen van de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (die voornoemd proces-verbaal van observatie hebben ondertekend).

Nu het hof, net als de rechtbank, de aan laatstgenoemd voorwaardelijke verzoek ten grondslag liggende (bewijs)stukken niet heeft gebruikt voor het bewijs, komt het hof niet toe aan de verdere bespreking van dat verzoek.

Ten aanzien van het eerstgenoemde verzoek overweegt het hof als volgt.

Het hof acht gelet op hetgeen blijkt uit de bewijsvoering in dit arrest en in het vonnis van de rechtbank - en mede gelet op de onderbouwing van het verzoek daartoe - een stemvergelijkend onderzoek niet noodzakelijk. Het hof acht zich voldoende ingelicht ten aanzien van het antwoord op de vraag wie welk telefoonnummer gebruikte (voor zover in het licht van de bewijsvoering van belang).

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte is betrokken geweest bij een organisatie die zich gedurende een langere periode, op grote schaal en op professionele wijze bezighield met ‘phishingfraude”. De verdachte en zijn medeverdachten hebben door middel van deze vorm van oplichting misbruik gemaakt van de onwetendheid en het vertrouwen van veel rekeninghouders. Zij hebben op slinkse wijze de beschikkingsmacht over bankrekeningen van een aantal klanten van de [bank] verkregen en geld overgemaakt naar bankrekeningen van - vooral -juweliers en autohandelaren om kostbare horloges en dure auto’s aan te schaffen. In een aantal gevallen is het niet gelukt om het aldus buitgemaakte geld om te zetten in goederen. Dat is zeker niet de verdienste van de verdachte geweest maar van oplettende juweliers, autohandelaren en medewerkers van de afdeling fraudebestrijding van de [bank] , waardoor de overboekingen vanaf de betreffende rekeningen soms konden worden geblokkeerd of werden bestelde goederen soms niet afgeleverd aan door de verdachte of zijn medeverdachten ingeschakelde katvangers.

De verdachte heeft zich blijkens de bewezenverklaring schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie. Door zo te handelen, heeft hij ertoe bijgedragen dat uiteindelijk vooral de betreffende rekeninghouders van de [bank] forse schade is berokkend. In deze zaak ging het om grote bedragen van (tien)duizenden euro’s die afhandig werden gemaakt van particulieren en midden- en kleinbedrijven, waarbij doorgaans niet alleen de betaalrekening, maar ook de spaarrekening werd geplunderd. De enorme impact die dit heeft gehad op de gedupeerden blijkt ook uit hun aangiftes en de toelichting bij de vorderingen die zij hebben ingediend. Verschillende gedupeerden hebben (nog steeds) slaapproblemen, kampen met schuldgevoelens en schaamte en een aantal van hen heeft zijn of haar volledige oudedagvoorziening zien verdampen.

De bijdrage van de verdachte aan de in georganiseerd verband gepleegde misdrijven heeft het economisch systeem en het vertrouwen van de getroffen rekeninghouders in het

betalingsverkeer en bankwezen ernstig ondermijnd. Wanneer het vertrouwen in het betalingsverkeer en bankwezen bij consumenten in het algemeen niet meer aanwezig is,

bestaat bovendien het risico van een ernstige ontwrichting van het maatschappelijk en economisch verkeer.

Aangenomen mag worden dat de organisatie erop uit is geweest geldelijk gewin te behalen, zonder zich daarbij te laten weerhouden door deze gevolgen.

Ook is de verdachte niet op enig moment uit eigen beweging gestopt met zijn deelname aan de organisatie, maar wekt het dossier juist de indruk dat hij en zijn medeverdachten voortdurend bezig waren hun modus operandi te professionaliseren (zoals door het verkleinen van de pakkans door niet meer de fictieve aliassen, maar de namen van de rekeninghouders te gebruiken bij de aankoop van goederen). Het hof constateert voorts dat de verdachte — hij heeft immers volhard in een ontkennende houding en zich voor het overige beroepen op zijn zwijgrecht - op geen enkele wijze van enige spijt van zijn handelen of van enig mededogen met de door hem benadeelden heeft doen blijken.

Justitiële documentatie

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 juni 2023, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortelijke feiten.

Redelijke termijn

De advocaat-generaal en de raadsvrouw hebben betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1, EVRM is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.

Het hof stelt voorop dat in artikel 6, lid 1, EVRM het recht van iedere verdachte is vastgelegd om binnen een redelijke termijn te worden berecht.

Met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep overweegt het hof als volgt.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.

Het hof overweegt met betrekking tot het totale procesverloop in deze zaak het volgende.

De verdachte is op 7 mei 2014 in verzekering gesteld. Het vonnis waarvan beroep is op 29 april 2019 uitgesproken. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim 35 maanden overschreden.

Namens de verdachte is op 10 mei 2019 hoger beroep ingesteld. Het arrest wordt op 20 september 2023 uitgesproken. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 28 maanden overschreden.

Het hof is van oordeel, gelet op genoemd tijdsverloop, dat de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep in zeer ernstige mate, te weten met in totaal ongeveer 64 maanden, is overschreden. Ondanks de ingewikkeldheid en de omvang van de zaak en het feit dat er door en namens de verdachte onderzoekswensen zijn ingebracht, is het hof van oordeel dat deze overschrijding een aanzienlijke matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

Conclusie

Gelet op de aard en ernst van de feiten en de rol die de verdachte in de organisatie heeft gehad, acht het hof oplegging van een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur noodzakelijk. Gelet op de straffen die in soortgelijke fraude- en oplichtingszaken worden opgelegd zou – daarbij ook rekening houdend met de duur van de bewezen verklaarde periode en het grote tijdsverloop sinds het feit - een gevangenisstraf van 24 maanden onvoorwaardelijk passend en geboden zijn. Vanwege

de forse overschrijding van de redelijke termijn zal het hof aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 maanden opleggen, met aftrek van voorarrest.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vorderingen tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft een groot aantal (natuurlijke en rechts-)personen zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden (im)materiële schade. Gesteld voor de uitdaging om enerzijds recht te doen aan al die vorderingen en anderzijds de leesbaarheid c.q. begrijpelijkheid van dit arrest te dienen en tegelijk een balans te vinden tussen de overwegingen en de beslissingen die specifiek betrekking hebben op de veelheid en verscheidenheid van de vorderingen van elk van de benadeelde partijen binnen de beoordeling van de strafzaak als geheel, heeft het hof ervoor gekozen op de vorderingen in te gaan, voor zover mogelijk ingedeeld in clusters van vorderingen waarop dezelfde uitgangspunten van toepassing zijn.

De volgende benadeelde partijen hebben zich in onderhavige zaak gevoegd:

Het merendeel van de benadeelde partijen heeft zich in hoger beroep opnieuw gesteld voor het bedrag van hun oorspronkelijke vordering.

Benadeelde partijen [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 13] zijn in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering. Nu zij hun vordering in hoger beroep niet hebben gehandhaafd, zullen deze vorderingen in hoger beroep niet langer aan de orde zijn.

Namens de verdachte is ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen - overeenkomstig de door de verdediging overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen – aangevoerd dat de benadeelde partijen primair niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in verband met de verzochte vrijspraak.

Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld, ten aanzien van alle vorderingen, dat het causale verband ontbreekt tussen het handelen van de verdachte en de ontstane schade nu de verdachte is vrijgesproken van de oplichtingshandelingen waardoor de schade zou zijn ontstaan. Niet kan worden vastgesteld dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde onder feit 2.

De verdediging heeft in het bijzonder ten aanzien van de vordering van de [benadeelde partij 12] nog aangevoerd dat deze vordering ziet op een zestal zaaksdossiers waarin zij de slachtoffers hebben gecompenseerd. Drie van deze dossiers zijn door de rechtbank niet genoemd als zaken waar aanwijzingen zouden zijn dat de verdachte hier betrokkenheid bij heeft gehad, te weten zaaksdossier 12, 16 en 20.

Het hof overweegt ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen als volgt.

Gelet op artikel 361 lid 2 onder b Sv is een benadeelde partij alleen ontvankelijk in haar vordering indien haar rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit (of door een ad informandum gevoegd feit). De concrete omstandigheden van het geval zijn bepalend voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde geleden schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (vgl. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959. NJ 2014/256).

De ten aanzien van de verdachte bewezenverklaarde deelname aan een criminele organisatie (feit 2) is naar het oordeel van de het hof niet zonder meer voldoende om te kunnen vaststellen dat alle schade die het gevolg is van de door de criminele organisatie gepleegde misdrijven een rechtstreeks gevolg is van het ten aanzien van hem bewezenverklaarde feit. Van de verschillende oplichtingen, tenlastegelegd onder feit 1, is de verdachte vrijgesproken, omdat zijn betrokkenheid bij deze concrete feiten niet wettig en overtuigend bewezen kon worden verklaard. Gelet daarop kan niet worden vastgesteld dat de schade van de benadeelde partijen die in de betreffende zaaksdossiers een vordering hebben ingediend, een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte. De benadeelde partijen die in de zaaksdossiers genoemd in feit 1 een vordering hebben ingediend, zijn dan ook niet-ontvankelijk in hun vorderingen jegens de verdachte. Datzelfde geldt voor [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 14] , aangezien geen rechtstreeks verband bestaat tussen de gevorderde schade en het bewezen verklaarde feit.

Proceskosten

Alle benadeelde partijen die in de zaaksdossiers genoemd in feit 1 een vordering hebben ingediend, dienen te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met die vorderingen heeft gemaakt, welke kosten het hof tot op heden begroot op nihil.

Ten aanzien van de vordering van de [benadeelde partij 12] stelt het hof vast dat de raadsvrouw terecht heeft opgemerkt dat de zaaksdossiers 12, 16 en 20 niet terugkomen op de tenlastelegging van de verdachte. Ten aanzien van de zaaksdossiers 23, 24 en 27 stelt het hof vast dat deze tevens onder feit 1 vallen, waarvan de verdachte is vrijgesproken. De [benadeelde partij 12] zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering jegens de verdachte.

Voorgaande brengt voorts mee dat ook de [benadeelde partij 12] dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met deze vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof tot op heden begroot op nihil.

Uit de bewijsmiddelen blijkt anderzijds wel dat de verdachte betrokken is geweest bij de handelingen die hebben geleid tot de concrete strafbare feiten van zaaksdossier 26, welke niet afzonderlijk op de tenlastelegging van de verdachte staat. De verdachte heeft immers de katvanger ( [medeverdachte 3] ) opdracht gegeven om - tegen een vergoeding - naar een garagebedrijf te gaan om daar een auto op te halen. Onder deze concrete omstandigheden is het hof van oordeel dat de schade die naar aanleiding van deze oplichting en het daarmee samenhangende witwassen van het buitgemaakte geld is ontstaan een rechtstreeks gevolg is van het ten aanzien van de verdachte onder 2 bewezen verklaarde feit, te weten de deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk onder meer het plegen van oplichting, (gewoonte)heling en (gewoonte)witwassen.

De benadeelde partij [benadeelde partij 8] (ZD 26) is dan ook ontvankelijk in haar vordering jegens de verdachte.

[benadeelde partij 8] (ZD 26)

Materiële schade

Het hof is van oordeel dat de gevorderde materiële schade tot een bedrag van € 49.950,-, te weten het op frauduleuze wijze aan de autohandelaar overgemaakte bedrag, toewijsbaar is als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde.

Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade overweegt het hof als volgt.

In het licht van het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019 (HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379) over de vordering van de benadeelde partij, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2019 (HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376 (EBI-arrest)), overweegt het hof als volgt.

Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘BW’) geeft een opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade te weten - voor zover in onderhavige zaak relevant - in geval van:

1) door het oplopen van lichamelijk letsel,

2) door schade in zijn eer of goede naam, of

3) op andere wijze.

Het hof is van oordeel dat geen sprake is een situatie als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder a, BW, noch van lichamelijk letsel en evenmin van aantasting in eer of goede naam (als hiervoor bedoeld onder b, sub 1 en 2). Het hof dient derhalve te onderzoeken/vast te stellen of de benadeelde partijen op andere wijze in hun persoon zijn aangetast in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b sub 3, zoals hiervoor genoemd.

Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan sprake zijn als psychische schade is ontstaan of wanneer de benadeelde op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Psychische schade

Degene die stelt psychische schade te hebben geleden, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partijen die een beroep hebben gedaan op vergoeding van immateriële schade in onderhavige zaak geen concrete informatie hebben verstrekt waaruit het bestaan van enig geestelijk letsel naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld.

Aard en ernst normschending en gevolgen daarvan

Een benadeelde kan ook recht hebben op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding wanneer hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast vanwege de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

In HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721

(Oudejaarsrellen) was die aantasting gelegen in de gevoelens van angst, onveiligheid en onzekerheid met betrekking tot het lijf en goed van de benadeelden die een aantal uren in hun woning in een zeer bedreigende situatie verkeerden, terwijl een reactie op hun verzoek om hulp en bijstand van de politie uitbleef. En in HR 18 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5213 (Wrongful life) bestond die aantasting in de ernstige inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht van de moeder waardoor zij niet ervoor heeft kunnen kiezen de geboorte van een zwaar gehandicapt kind te voorkomen. In een recenter arrest van de strafkamer van de Hoge Raad werd een aantasting in de persoon aanvaard in het geval van stelselmatige belaging en beschuldiging van de benadeelde door zijn ex-vriendin gedurende meer dan een jaar en plaatsing van fake-advertenties op internet (HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1956). In zijn arrest van 15 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:2012) liet de Hoge Raad het oordeel in stand dat sprake was van aantasting in de persoon op andere wijze doordat de benadeelde in zijn woning was overvallen, vastgebonden en ernstig was bedreigd.

Het hof leidt uit de rechtspraak van de Hoge Raad af dat op ernstige wijze en in forse mate (fundamentele) persoonsbelangen moeten zijn geschonden. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of hiervan in de onderhavige zaak sprake is.

De benadeelde partij is op zeer geraffineerde wijze opgelicht door de verdachte en zijn medeverdachten. Hierbij is misbruik gemaakt van haar vertrouwen en is een grote geldsom afhandig gemaakt. Begrijpelijkerwijs heeft dit tot gevoelens van woede, frustratie, schaamte en verdriet bij de benadeelde geleid. Evenwel is zonder nadere toelichting niet aannemelijk geworden dat de aard en de ernst van deze normschending een aantasting in de persoon oplevert.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er geen grond bestaat voor toewijzing van de immateriële schade. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering voor zover die ziet op vergoeding van immateriële schade. Zij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Hoofdelijke aansprakelijkheid

Nu de verdachte het bewezen verklaarde feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met zijn mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover een van de mededaders een benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens die betreffende benadeelde partij van zijn betalingsverplichting bevrijd.

Wettelijke rente

Het hof zal ten aanzien van de toegewezen vordering, die betrekking heeft op het geldbedrag dat door oplichtingshandelingen van de rekening van de benadeelde partij is afgeschreven, de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van de datum waarop het geldbedrag van de rekening van de benadeelde partij is afgeschreven, omdat vast is komen te staan dat de schade in elk geval met ingang van die datum is ontstaan.Proceskosten

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij [benadeelde partij 8] tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel Nu de verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezen verklaarde feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het toegewezen bedrag als hieronder in de beslissing vermeld, ten behoeve van de hiervoor genoemde slachtoffer.

Draagkracht

Het verzoek van de verdediging om in geval van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel de maximale duur van de eventueel toe te passen gijzeling op 1 dag te bepalen en/of in verband met de draagkracht van de verdachte te komen tot een lager schadebedrag wijst het hof af. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Een gebrek aan draagkracht kan onder omstandigheden voor de rechter reden zijn ervan af te zien de schade-vergoedingsmaatregel op te leggen (vgl. HR 22 december

2015, ECLI:NL:HR:2015:3694). Ook het beperken van de duur van de gijzeling is in dat kader een mogelijkheid. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan daarvan sprake zijn, bijvoorbeeld wanneer op voorhand vaststaat dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel slechts zal leiden tot het in de toekomst ten uitvoer leggen van gijzeling. Hiervan is naar het oordeel van het hof niet gebleken. Hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht over de huidige persoonlijke omstandigheden is daartoe niet toereikend. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte pas 51 jaar oud is. Overigens is hetgeen naar voren is gebracht over de financiële situatie van de verdachte niet voldoende om te oordelen dat sprake is vaan een uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld. Dat de verdachte onder bewind staat maakt dat niet anders. Voor het verlagen van het schadebedrag ziet het hof eveneens geen aanleiding.

In aanvulling daarop overweegt het hof nog dat artikel 6:4:20 lid 1 Sv sinds 1 januari 2020 bepaalt dat het openbaar ministerie beslist over toepassing van het dwangmiddel gijzeling jegens de veroordeelde indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt bij een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ten behoeve van het slachtoffer of diens nabestaanden. Zoals volgt uit het derde lid van die bepaling wordt gijzeling niet toegepast indien de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij buiten staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling. Het hof ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat het openbaar ministerie ook in het geval van gebleken betalingsonmacht zal overgaan tot toepassing van gijzeling.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 36f en 140 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

Opheffing geschorst bevel voorlopige hechtenis

De voorlopige hechtenis van de verdachte is ruim negen jaar geleden geschorst. In de tussentijd is de verdachte niet veroordeeld, zodat de recidivegrond is komen te vervallen.

Ook overigens is het hof niet gebleken van gronden voor het voortduren van de voorlopige hechtenis. Dat de verdachte thans ook in hoger beroep ter zake van het tenlastegelegde is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van aanzienlijke duur doet daar in de omstandigheden van het geval niet aan af. Het hof zal dan ook de opheffing van de voorlopige hechtenis bevelen.

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak van feit 1.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep (voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen) ten aanzien van de opgelegde straf, de motivering daarvan en de toepasselijke wettelijke voorschriften en de vorderingen van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis van de verdachte.Benadeelde partij [benadeelde partij 8]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 8] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij 8] hoofdelijk voor een bedrag van € 49.950,- (negenenveertig duizend negenhonderdenvijftig euro), te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover met ingang van 27 maart 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening:

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de immateriële schade, niet-ontvankelijk is en haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verlichting tot hoofdelijke betaling aan de Staat van

een bedrag van € 49.950,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover met ingang van 27 maart 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 8] ;

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 284 (tweehonderdvierentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de

betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededaders aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededaders opgelegde verplichting tot betaling aan de staat zal zijn bevrijd tot de hoogte van het

betaalde bedrag;

De overige vorderingen benadeelde partijen

bepaalt dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] . [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 9] , [benadeelde partij 10] , [benadeelde partij 11] , [benadeelde partij 12] en [benadeelde partij 14] niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen tot schadevergoeding en dat de benadeelde partijen hun vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partijen in de proceskosten van de verdachte, die begroot worden op nihil.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door mr. J.W. van den Hurk, mr. B.P. de Boer, en mr. J. Candido, in bijzijn van de griffier mr. C.M. Jellema.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 september 2023

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?