Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 22 juni 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1963,
opgegeven adres: [woonadres], [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 11 mei 2021, te Rotterdam, althans in Nederland van één of meerdere voorwerpen, te weten (een) geldbedrag(en) van in totaal € 19.000,-, althans enig geldbedrag
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende was en/of
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of
- gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte, primair nu geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Stafvordering en subsidiair nu het gestelde verzuim niet heeft te leiden tot bewijsuitsluiting, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 11 mei 2021, te Rotterdam, althans in Nederland van één of meerdere voorwerpen, te weten (een) geldbedrag(en) van in totaal € 18.950,-, althans enig geldbedrag
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende was en/of
- heeft verworvenvoorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of
- gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat/die dit geldbedrag voorwerp(en)
- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere overwegingen
Verweer ter zake artikel 359a Wetboek van Strafvordering
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging, evenals in eerste aanleg, zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde. Daartoe heeft de verdediging – kort gezegd – aangevoerd dat geen voldoende verdenking bestond voor uitoefening van de bevoegdheid op grond van artikel 96 van het Wetboek van Strafvordering en daarmee om de machtiging tot binnentreden van de woning af te geven. Dit is een onherstelbaar vormverzuim, waardoor de rechten van de verdachte zoals opgenomen in artikelen 8 EVRM en 6 EVRM zijn geschonden, wat dient te leiden tot bewijsuitsluiting van hetgeen in de woning is aangetroffen.
Het hof overweegt als volgt.
Bewijsuitsluiting kan – in het geval dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim - uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen en komt slechts in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsvergaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Of bewijsuitsluiting in een concreet geval de aangewezen sanctie is, dient te worden beoordeeld op grond van de beoordelingsfactoren van artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en de omstandigheden van het geval. De Hoge Raad heeft voorts in zijn arrest van 19 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY5321) overwogen dat bewijsuitsluiting noodzakelijk kan zijn ter verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Hierbij geldt dat een schending van het in artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet zonder meer een inbreuk oplevert op de in artikel 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces en dat aan een niet gerechtvaardigde inbreuk op het door het eerste lid van artikel 8 EVRM gewaarborgde recht in de strafprocedure tegen de verdachte geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden, mits zijn recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM wordt gewaarborgd.
Het hof dient voorafgaand aan voornoemde beoordeling van de aangewezen sanctie eerst te beoordelen of er in het onderhavige geval sprake is geweest van een vormverzuim. Het hof leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 11 mei 2021 is onder meer het volgende gebleken ter zake de aanleiding van het afgeven van de machtiging tot binnentreden. Op
23 maart 2021 is door het Flexteam Rotterdam-Zuid een man aangehouden terwijl hij een blok cocaïne op zijn lichaam droeg. Gedurende de hieraan voorafgaande observatie werd gezien dat deze man werd afgezet door een Renault Clio met kenteken [kenteken]. Op 14 april 2021 werd deze Renault Clio opnieuw gezien. De bijrijder verliet de auto met een gevulde rugtas, liep een zogeheten ‘schudrondje’ met een onbekend gebleven man en ging naar binnen in een woning aan de [straat], vermoedelijk nummer [huisnummer 1] tot en met [huisnummer 2], te Rotterdam. Hij verliet de woning zonder de rugtas. Op 7 mei 2021 werden de inzittenden van dezelfde Renault Clio gecontroleerd en bleek één van de inzittenden een link te hebben met de doelgroep Top Albanese Criminelen.
Een en ander heeft ertoe geleid dat de politie onderzoek heeft ingesteld in het desbetreffende portiek aan de [straat]. De bewoonster van nummer [huisnummer 2] heeft de politie vervolgens verwezen naar de woning op nummer [huisnummer 3] in hetzelfde portiek. Nadat de politie daar had aangebeld, hoorde zij iemand in die woning lopen. Vervolgens werd er door de politie nogmaals diverse keren aangebeld en geklopt, maar de deur van de woning werd niet geopend.
Verbalisant [verbalisant 1] heeft vanuit een positie aan de achterzijde van de woning, zo blijkt uit het
proces-verbaal, gezien dat de verdachte op het balkon verscheen, schichtig rondkeek, weer naar binnen ging en de balkondeur en de gordijnen sloot. Nadat de politie opnieuw had aangebeld en geklopt en zich als politie kenbaar had gemaakt, zag verbalisant [verbalisant 1] dat de verdachte “gehurkt zat en dat hij ‘iets’ weglegde op het balkon naast de deur”. Verbalisant [verbalisant 2] heeft vanaf een naastgelegen balkon op het balkon van de woning met nummer [huisnummer 3] een blauwe stoffen tas zien liggen.
Gelet op al deze omstandigheden is door de hulpofficier van justitie een machtiging binnentreden op grond van artikel 96 van het Wetboek van Strafvordering afgegeven ter inbeslagname van “geld/verdovende middelen”. Na het afgeven van deze machtiging heeft verbalisant [verbalisant 2] zoekend rondgekeken in de woning en de desbetreffende tas op het balkon in beslag genomen. In de tas zaten twee pakketten geld, verpakt in folie. Volgens de verdachte betrof het in totaal € 19.000,- aan contanten.
Het hof is, alle feiten en omstandigheden van het geval in samenhang bezien, van oordeel dat er aan de voorwaarden voor de uitoefening van de bevoegdheid als genoemd in artikel 96 van het Wetboek van Strafvordering was voldaan, dat de machtiging daarmee op de juiste gronden is afgegeven en dat er derhalve geen sprake is van een vormverzuim. Het tot bewijsuitsluiting strekkende verweer van de verdediging kan hierdoor niet slagen.
Het hof verwerpt dan ook dit verweer van de verdediging.
Verweer ter zake de verklaring van de verdachte over de herkomst van het aangetroffen geldbedrag
Door de verdediging is ter terechtzitting aangevoerd dat de verdachte bij de politie een verklaring over de herkomst van het geld heeft gegeven en dat aan hem geen nadere eisen kunnen worden gesteld om de verifieerbaarheid hiervan te staven.
Het hof overweegt dat de verdachte verbleef in een woning en het portiek van die woning in verband werd gebracht met de handel in harddrugs. Toen de politie aanbelde bij de woning waar de verdachte verbleef werd de voordeur niet geopend. Enkele minuten na het aanbellen verscheen de verdachte aan de achterzijde van de woning op het balkon. Hij keek schichtig rond en ging vervolgens weer naar binnen, sloot de balkondeur en sloot het gordijn daarvoor. De politie heeft vervolgens opnieuw aangebeld en geroepen dat zij van de politie waren. Daarop verscheen de verdachte weer op het balkon, zat hierbij gehurkt en legde een tas op het balkon met – naar later bleek - daarin € 18.950 cash en een vals biljet van 50 euro. De biljetten waren geseald en in folie verpakt.
Op grond van deze gang van zaken acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat het voorwerp in de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig is, wat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
De verdachte heeft bij de politie – kort gezegd – verklaard dat het geld van ene ‘[vriend verdachte]’ is en dat hij het zou gebruiken voor de aanschaf van een vrachtwagen door diens bedrijf. [vriend verdachte] was vijf dagen vóór de aanhouding van de verdachte vertrokken naar Albanië en had het geld bij hem achtergelaten, terwijl de verdachte in zijn woning verbleef. De verdachte heeft verder verklaard [vriend verdachte] uit Albanië te kennen en zijn achternaam niet te weten.
Nu de verdachte heeft verklaard dat [vriend verdachte] een vriend uit een stad in Albanië is die hij in het café treft, met wie hij telefonisch contact heeft en over wiens werkzaamheden in de vrachtwagenbranche hij van alles weet te vertellen, zouden meer gegevens zoals (onder meer) een achternaam, een telefoonnummer en een adres bij hem bekend moeten zijn. Deze heeft de verdachte echter niet verstrekt omdat hij zegt die niet te kennen. Dat laatste maakt de verklaring van de verdachte hoogst onwaarschijnlijk.
Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit wist, zodat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.
Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
witwassen.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 18.950,-, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Bovendien bevordert het handelen van de verdachte het plegen van delicten omdat zonder het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst aan criminele gelden, het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn.
Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie
d.d. 21 juni 2023.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
In beslag genomen geldbedrag en valse bankbiljet
Het na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 18.950,- zoals dit vermeld is op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, volgens opgave van de verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met betrekking waarvan het bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal daarom dit voorwerp verbeurd verklaren.
Het hierna als zodanig te melden in beslag genomen valse biljet van 50 euro, dat aan de verdachte toebehoort, dient te worden verbeurdverklaard en is daarvoor vatbaar aangezien het bewezen verklaarde met betrekking tot dat voorwerp is begaan. Het valse biljet dat in één pakket met de geldige bankbiljetten zat verpakt, is net zo goed als die biljetten afkomstig uit enig misdrijf. Het hele pakket behoorde de verdachte toe.
Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) weken.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
€ 18.950,00.
Een vals bankbiljet van 50 euro.
Dit arrest is gewezen door mr. D.M. Thierry,
mr. O.M. Harms en mr. R.K. Pijpers, in bijzijn van de griffier mr. K. Roos.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 juli 2023.