Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-000930-25
Parketnummer: 10-134485-23
Datum uitspraak: 13 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van `
19 maart 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [plaats] op [geboortedatum] 1964,
[BRP adres].
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het tenlastegelegde vrijgesproken en de benadeelde partijen zijn in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Nu de benadeelde partij 1 in eerste aanleg in de vordering niet-ontvankelijk is verklaard en zich in hoger beroep niet opnieuw heeft gevoegd, is deze vordering thans niet meer aan de orde.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 augustus 2020 tot en met
18 april 2023, te Nieuwe-Tonge, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, auto’s en/of auto-onderdelen (waaronder banken, stoelen, stuurhuis, motorblokken, deuren, bumpers, achterkleppen, stuurschakelaar, stuurbekrachtigingspompen, uitlaat, dashboard, banden al dan niet met velgen, airbags) en/of een graafmachine, althans één of meer voorwerpen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik van heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die/dat voorwerp(en),
- onmiddellijk en/of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf of uit enig eigen misdrijf, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt en/of die/dat feit(en) heeft/hebben gepleegd in de uitoefening van zijn/hun beroep of bedrijf.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Beslissing omtrent een door de verdediging gevoerd verweer
De raadsman heeft namens de verdachte aangevoerd dat het binnentreden van de loods van de verdachte onrechtmatig was, hetgeen een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), oplevert. Er was immers geen redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Dit vormverzuim dient volgens de raadsman te leiden tot uitsluiting van het bewijs dat is verkregen door de op het binnentreden volgende, eveneens onrechtmatige doorzoeking van de loods.
Het hof overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 96, eerste lid, Sv hebben opsporingsambtenaren de bevoegdheid om bij verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv daarvoor vatbare voorwerpen in beslag te nemen en daartoe elke plaats te betreden.
Ingevolge artikel 96c, eerste lid, Sv kan de officier van justitie in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv ter inbeslagneming elke plaats doorzoeken, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner en een kantoor van een persoon met bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in de artikelen 218 en 218a Sv. Ingevolge het tweede lid kan bij dringende noodzakelijkheid en indien het optreden van de officier van justitie niet kan worden afgewacht, een hulpofficier deze bevoegdheid uitoefenen. Hij behoeft daartoe de machtiging van de officier van justitie.
Uit het dossier blijkt het volgende. Tijdens een lopend onderzoek naar diefstallen van auto’s van met name het merk Renault was de politie gebleken dat [medeverdachte] vermoedelijk gebruik maakte van een loods aan de [adres] om daar gestolen auto’s ‘weg te zetten’.
Op 17 april 2023 hebben verbalisanten gezien dat [medeverdachte] een auto van het merk Renault, type Espace, kenteken [ ], wegnam, daarmee reed naar voormelde loods, waar hij op 18 april 2023 omstreeks 01.03 uur aankomt. Vervolgens wordt door een verbalisant waargenomen dat [medeverdachte] uitstapt, naar de loopdeur van de loods loopt, daar bukt, met zijn rechterhand naar de grond reikt en daarop direct terugloopt naar de auto en wegrijdt. Omstreeks 01.30 uur ziet de verbalisant dat er in een opening in de rechterzijde van het kozijn van de loopdeur een kaart ligt, die volgens de verbalisant vermoedelijk een afstandsbediening van een personenauto is. Dit alles heeft de politie aanleiding gegeven om vervolgens omstreeks 01.45 uur de loods te betreden, omdat zij het vermoeden hadden dat in de loods goederen aanwezig waren die afkomstig waren van diefstal. Na betreding van de loods zag de politie drie Renault motorblokken, diverse auto-onderdelen en bovenop een kast achterin de loods een registratiekaart coronavaccinatie. Dit document stond op naam van [naam], geboren op [datum]. Bij onderzoek in de bedrijfsprocessystemen van de politie bleek dat deze persoon aangifte had gedaan van diefstal van haar Renault Captur in de nacht van 22 maart 2023. Bij de politie bestond toen het vermoeden dat de auto-onderdelen in de loods afkomstig waren van diefstal. Omdat er gespecialiseerde kennis noodzakelijk was voor het beoordelen van de status van de aangetroffen goederen, heeft de politie op 18 april 2023 omstreeks 04:15 uur de loods verlaten, afgedicht en verzegeld. Een hulpofficier van justitie heeft vervolgens overleg gepleegd met een officier van justitie, die toestemming gaf om de loods te doorzoeken. Op 18 april 2023 om 10:06 uur is de doorzoeking aangevangen.
De feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het binnentreden van de loods, vormden naar het oordeel van het hof een redelijk vermoeden van schuld ter zake van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. De politie mocht de loods dan ook betreden met het oog op inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen. De daarop volgende doorzoeking van de loods heeft plaatsgevonden na machtiging van een officier van justitie. Van enig vormverzuim is niet gebleken. Dat die machtiging zich niet in het dossier bevindt, zoals de raadsman heeft gesteld, doet daaraan niet af, in het bijzonder nu uit het dossier kan worden opgemaakt dat de machtiging mondeling is gegeven.
Het verweer wordt verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op tijdstippen in de periode van 14 augustus 2020 tot en met 18 april 2023, te Nieuwe-Tonge, motorblokken, deuren, een dashboard en een graafmachine, voorhanden heeft gehad,
terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden dat die voorwerpen, - onmiddellijk en/of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte niet wist dan wel redelijkerwijs kon vermoeden dat de in de loods aangetroffen goederen van diefstal afkomstig waren. De verdachte sleutelt aan auto’s en koopt daarom allerlei onderdelen van auto’s in. Hij heeft op de website www.stopheling.nl gezocht of de onderdelen die hij binnenkreeg van diefstal afkomstig waren. Volgens de raadsman dient dit te leiden tot vrijspraak.
Het hof overweegt als volgt.
In de loods waar de verdachte zijn autobedrijf runde, zijn meerdere auto-onderdelen aangetroffen die van diefstal afkomstig zijn, te weten drie motorblokken die uit gestolen auto’s afkomstig waren, alle van het merk Renault, waarvan één motorblok was gemonteerd in een Renault Clio met kenteken[ ], welk kenteken op naam van de verdachte stond, autodeuren afkomstig uit een gestolen auto en een dashboard afkomstig uit dezelfde gestolen auto als het motorblok in de Clio. Tevens is in de loods een graafmachine aangetroffen waarvan het VIN-nummer was uitgeslepen en die voorzien was van een vals typeplaatje en een vals VIN-nummer, waarbij steek-/krassporen om het typeplaatje zichtbaar waren, op grond waarvan het hof concludeert dat deze graafmachine ook van misdrijf afkomstig was. Ten slotte is er in de loods de hiervoor genoemde registratiekaart coronavaccinatie op naam van [naam] aangetroffen, die aangifte heeft gedaan van diefstal van haar Renault Captur, gepleegd in de nacht van 22 maart 2023.
Verder is door de politie waargenomen, zoals hiervoor reeds is beschreven, dat op 17 april 2023 door twee personen een auto werd gestolen, een Renault Espace met kenteken [ ], dat die auto werd "koudgezet" in Oude-Tonge en vervolgens dat de sleutelkaart van deze auto door [medeverdachte] in een holle ruimte werd geplaatst van een deurkozijn van de loods van de verdachte aan de [adres] te Nieuwe-Tonge.
Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte minst genomen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat voormelde in de loods aangetroffen goederen afkomstig waren van misdrijf. Het hof betrekt daarbij de grote hoeveelheid gestolen goederen in de loods, hoofdzakelijk afkomstig uit gestolen auto’s van het merk Renault, het feit dat er een op naam van een ander gesteld, persoonlijk document is aangetroffen dat – naar het hof aanneemt – afkomstig was uit een gestolen Renault personenauto, de duidelijk zichtbare falsificatie van het typeplaatje van de graafmachine, de hoogst ongebruikelijke wijze waarop [medeverdachte] de sleutelkaart van een gestolen Renault Espace bij de loods van de verdachte heeft verstopt en de verklaring van de verdachte dat hij nooit aan iemand die een auto bij hem komt brengen vraagt of diegene de eigenaar is van die auto.
De verklaring van de verdachte dat hij het motorblok dat in zijn Renault Clio was gemonteerd heeft gekocht op Facebook, acht het hof ongeloofwaardig, in aanmerking genomen dat in de loods een dashboard is aangetroffen dat afkomstig was uit dezelfde gestolen auto als het motorblok.
Het hof acht het tenlastegelegde schuldwitwassen wettig en overtuigend bewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
schuldwitwassen.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldwitwassen van een fors aantal auto-onderdelen en een graafmachine. Deze voorwerpen vertegenwoordigen een aanzienlijke economische waarde. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van voertuigcriminaliteit en daarmee – indirect – aan de schade en overlast die dergelijke criminaliteit veroorzaakt voor de eigenaren van gestolen auto’s.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het voorwaardelijke deel strekt ertoe de verdachte ervan te weerhouden zich wederom aan strafbare feiten schuldig te maken.
Beslag
De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een Renault Clio Rs 200ed, kenteken [ ], en een graafmachine, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, nu het bewezenverklaarde feit met betrekking tot deze voorwerpen is begaan, terwijl deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. In de Renault Clio bevindt zich een gestolen motorblok en de graafmachine is voorzien van een vals VIN-nummer. Het ongecontroleerde bezit van dergelijke voertuigen doet afbreuk aan een effectieve voorkoming en bestrijding van met gestolen voertuigen bedreven handel (vgl. Hoge Raad 11 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6178).
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 2.940,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Het hof overweegt dat uit de ter onderbouwing van de vordering overgelegde stukken blijkt dat de auto van de benadeelde partij is gestolen, dat de benadeelde partij een (nieuwe) auto heeft gekocht voor € 14.000,- en dat door de verzekeringsmaatschappij een bedrag van € 11.060,- is vergoed, naar het hof begrijpt: de dagwaarde van de gestolen auto. Het gevorderde bedrag is het verschil tussen de aanschafprijs van de nieuwe de auto en de uitkering van de verzekering. Dat verschil kan – zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt – niet als rechtstreekse schade worden aangemerkt. Het hof zal daarom bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof begroot op nihil.
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 3]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 5.636,31, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat de gestelde schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering strekt tot vergoeding van schade geleden als gevolg van de diefstal van een Renault Espace, kenteken [ ]. Weliswaar heeft die diefstal geleid tot de verdenking tegen de verdachte, maar hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd heeft daarop geen betrekking. De benadeelde partij dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof begroot op nihil.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c en 420quater van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- een Renault Clio Rs 200ed, kenteken [ ];
- een graafmachine.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2]
Verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 3]
Verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. G. Knobbout, als voorzitter, mr. B.W. Mulder en mr. M.E.L. Hendriks, leden, in bijzijn van de griffier mr. C.E. Koppelaars.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 maart 2026.
Mr. M.E.L. Hendriks is buiten staat dit arrest te ondertekenen.