GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummers : 200.302.371/01 en 200.302.373/01
zaaknummer rechtbank : C/01/353976/ FA RK 19-6164
beschikking van de meervoudige kamer van 19 april 2023
inzake
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat voorheen mr. H.J.M. van Arkel-van Gasselt te Nijmegen, thans zonder advocaat,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. C.J. Rouwet te Lichtenvoorde.
1. Verzoek ex artikel 31 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Het hof heeft in de zaak op 15 maart 2023 een beschikking gegeven.
Het hof heeft kennis genomen van een verzoek van mr. C.J. Rouwet bij brief van 23 maart 2023, tot verbetering van deze beschikking. Mr. Rouwet voert namens de man aan dat door het hof ten onrechte geen rekening is gehouden met de door de man als zijnde DGA te betalen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW ter hoogte van € 3.284,- netto in 2022. Volgens de man is het evident dat rekening had moeten worden gehouden met de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW, nu:
- de man DGA is en als zodanig ook in de draagkrachtberekening dient te worden aangemerkt;
- uit de overgelegde jaaropgaven blijkt van de ingehouden ZVW-premie;
- in de berekeningen van partijen steeds rekening is gehouden met de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW;
- de rechtbank in de bestreden beschikking rekening heeft gehouden met de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.
De vrouw is in de gelegenheid gesteld op het verzoek van de man te reageren. Bij brief van 4 april 2023 heeft zij verklaard zich te refereren aan de uitspraak van het hof. Het hof begrijpt hieruit dat zij geen bezwaar heeft tegen de verbetering van de beschikking.
Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 31 Rv verbetert de rechter op verzoek van een partij dan wel ambtshalve kennelijke rekenfouten, schrijffouten of andere kennelijke fouten die zich voor eenvoudig herstel lenen. Het hof is van oordeel dat sprake is van een kennelijke rekenfout die voor partijen en derden kenbaar was en die zich voor eenvoudig herstel leent.
Bij de brief van 23 maart 2023 is een berekening gevoegd, waarbij alle uitgangspunten zoals gehanteerd door het hof gelijk zijn gebleven, maar waarin wel rekening is gehouden met de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. De uitkomst hiervan is dat de kinderalimentatie € 554,- per kind per maand dient te bedragen en de partneralimentatie € 1.386,- per maand. Naar het oordeel van het hof is de door de man bij de brief van 23 maart 2023 gevoegd berekening juist en dient deze berekening als uitgangspunt te worden genomen. Dit heeft tot gevolg dat enkele bedragen in de overwegingen van de beschikking van 15 maart 2023 wijzigen, te weten de bedragen onder punt 5.22 en 5.23. De beschikking van 15 maart 2023 zal dienen te worden gelezen in het licht van deze nieuwe berekening. Het hof zal het dictum van de beschikking van 15 maart 2023, wijzigen als volgt.
2. De beslissing
Het hof bepaalt dat waar staat
“bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (11 oktober 2021) als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding € 562,- per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;”
dit wordt gewijzigd in:
“bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (11 oktober 2021) als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding € 554,- per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;”
en dat waar staat
“bepaalt dat de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot haar levensonderhoud met ingang van 11 oktober 2021 op € 1.620,- bruto per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;”
dit wordt gewijzigd in:
“bepaalt dat de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot haar levensonderhoud met ingang van 11 oktober 2021 op € 1.386,- bruto per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;”
bepaalt dat deze verbetering met vermelding van de dag van deze uitspraak op de minuut van voornoemde beschikking wordt gesteld;
handhaaft de beschikking van 15 maart 2023 voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, A. Zonneveld en R.L.M.C. Janssen, bijgestaan door mr. F.W. Zalm als griffier, en is op 19 april 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.