ECLI:NL:GHDHA:2023:693

ECLI:NL:GHDHA:2023:693, Gerechtshof Den Haag, 19-01-2023, BK-22/00007

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 19-01-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer BK-22/00007
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:597
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0002320

Samenvatting

Art. 3.8 Wet IB 2001; kostenaftrek; rechtmatigheid boekenonderzoek; zelfstandigenaftrek; FSV en project 1043; algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Uitspraak van 19 januari 2023

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-22/00007

in het geding tussen:

[X] te [Z] ( [buitenland] ), domicilie gekozen hebbend te [Z-1] , belanghebbende,

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 18 november 2021, in de zaak met nummer SGR 20/6785.

Procesverloop

Aan belanghebbende is met dagtekening 30 november 2017 tot behoud van rechten voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.615. Daarbij is bij beschikking € 341 belastingrente in rekening gebracht.

De Inspecteur heeft bij uitspraak van 14 juni 2018 het bezwaar tegen de aanslag (en de beschikking inzake belastingrente) afgewezen. Belanghebbende heeft op 26 december 2019 een verbeterde aangifte ingediend. De Inspecteur heeft deze aangifte mede aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en het verzoek op 4 augustus 2020 afgewezen.

Belanghebbende heeft tegen de ambtshalve beslissing van de Inspecteur geen bezwaar maar rechtstreeks beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is door de griffier van de Rechtbank, evenals in de zaken met de nummers SGR 20/3686, SGR 20/5306 en SGR 20/7526, een griffierecht van € 48 geheven. In de zaak met nummer SGR 20/3955 is geen griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep, conform het verzoek van de Inspecteur, om proceseconomische redenen als ontvankelijk aangemerkt en inhoudelijk behandeld. De beslissing van de Rechtbank luidt:

”De rechtbank:

- verklaart de beroepen met zaaknummers SGR 20/3868, SGR 20/3955, SGR 20/5306 en SGR 20/7526 gegrond;

- verklaart het beroep met zaaknummer SGR 20/6785 ongegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar van 28 april 2020 en 27 november 2020;

- vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2013;

- vernietigt de beschikking belastingrente IB/PVV 2013:

- draagt verweerder op de aanslagen IB/PVV 2015, 2016 en 2017 nader vast te stellen (te verminderen) met inachtneming van wat hiervoor is overwogen onder 23, 26 en 29;

- draagt verweerder op de beschikkingen belastingrente IB/PVV 2015, 2016 en 2017 dienovereenkomstig te verminderen;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 1.000;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 144 aan eiseres te vergoeden.”

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 136. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 december 2022, gehouden te Den Haag. Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van belanghebbende in de zaak met nummer BK-22/00005, het hoger beroep van [A] in de zaak met nummer BK-22/00003 en het hoger beroep van [naam praktijk] in de zaak met nummer BK-22/00004. De Inspecteur is wel, doch belanghebbende is niet verschenen. Belanghebbende, die door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 27 juli 2022, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen, heeft schriftelijk bericht niet ter zitting aanwezig te zullen zijn en heeft daarbij niet om uitstel van de zitting verzocht. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

Belanghebbende heeft op [datum] 2008 de eenmanszaak ” [naam eenmanszaak] ” opgericht. Daarnaast heeft belanghebbende op [datum] 2009 samen met haar zus [A] de maatschap ” [naam praktijk] ” opgericht. Zowel de eenmanszaak als de maatschap staan bij de KvK geregistreerd als praktijk van psychotherapeuten, psychologen en pedagogen. Daarnaast heeft belanghebbende tot en met 2015 inkomsten uit dienstbetrekking genoten en in 2015 deels ook een uitkering van het UWV.

Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.679. In haar aangifte heeft belanghebbende een verlies uit onderneming aangegeven van € 6.936 en een bedrag van € 8.064 aan bedrijfslasten opgenomen.

In het kader van de aanslagregeling IB/PVV voor het jaar 2014 heeft de Inspecteur op 31 oktober 2016 een brief aan belanghebbende gestuurd, waarin hij kenbaar heeft gemaakt voornemens te zijn om van de ingediende aangifte af te wijken. De Inspecteur was gelet op de verliezen uit de jaren 2012 tot en met 2015 van mening dat geen sprake is van een bron van inkomen voor de inkomstenbelasting. Belanghebbende heeft daarop gereageerd en aan de Inspecteur een brief gestuurd met daarbij een specificatie van de kosten over de jaren 2012 tot en met 2015. Hierop heeft de Inspecteur besloten om een boekenonderzoek te laten instellen, zodat voor de inkomstenbelasting nader onderzoek kon worden gedaan naar de bron van inkomen en de geclaimde bedrijfslasten.

Op 18 september 2017 is bij belanghebbende telefonisch een boekenonderzoek aangekondigd. Per brief van 28 september 2017 is de aankondiging van het boekenonderzoek schriftelijk bevestigd. Het doel van het onderzoek is om de aanvaardbaarheid vast te stellen van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2012 tot en met 2015.

Op 16 oktober 2017 heeft belanghebbende een klacht ingediend tegen de controleambtenaar. Vooruitlopend op het boekenonderzoek heeft de Inspecteur vanwege het verlopen van de aanslagentermijn voor het jaar 2014 een aanslag tot behoud van rechten opgelegd met dagtekening 30 november 2017. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag geen rekening gehouden met het door belanghebbende opgenomen resultaat uit de onderneming, het belastbaar inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 50.615.

Na behandeling van de klacht is de klacht op 29 maart 2018 deels gegrond verklaard. In de brief over de klachtafhandeling spreekt de klachtbehandelaar de verwachting uit dat de controleambtenaar contact op zal nemen met belanghebbende over het vervolg van het boekenonderzoek.

De controleambtenaar heeft geen contact opgenomen met belanghebbende en heeft op grond van de door belanghebbende ingediende aangiften IB/PVV en aangiften OB een controlerapport opgesteld. Het controlerapport is op 25 juli 2018 aan belanghebbende verzonden. In het controlerapport staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

”3.1Bron van inkomen

De opbrengsten uit de activiteiten zijn voor de heffing inkomstenbelasting alleen belast als deze een bron van inkomen vormen. De activiteiten vormen een bron van inkomen indien er sprake is van:

• deelname aan het economisch verkeer;

• het beogen van structureel geldelijk voordeel (subjectief criterium) en

• een redelijkerwijs te verwachten geldelijk voordeel (objectief criterium).

De bedrijfsresultaten bedragen over de jaren 2012 tot en met 2016:

2012 € -6.166

2013 € -5.998

2014 € -8.064

2015 € -8.389

2016 € -18.396

De omzetten over die jaren bedragen:

2012 € 0

2013 € 0

2014 € 0

2015 € 1.636

2016 € 2.988

Aangifte inkomstenbelasting 2014

Met betrekking tot de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2014, heeft belastingplichtige op 31 oktober 2016 een brief ontvangen van de Belastingdienst, namens deze de heer [B] . In deze brief is belastingplichtige kenbaar gemaakt dat de heer [B] voornemens was om af te wijken van de ingediende aangifte. Als reden daarvoor is in de brief aangegeven dat er in de jaren 2012 tot en met 2015 jaarlijks een verlies is geleden en dat er slechts in 2015 een lage omzet is behaald. Om deze reden is en was in de afgelopen jaren een voordeel redelijkerwijs niet te verwachten. De heer [B] gaf daarbij aan dat het verlies over het jaar 2014 en de volgende jaren niet meer geaccepteerd zullen worden. Belastingplichtige is in de gelegenheid gesteld binnen drie weken na dagtekening van de brief schriftelijk te reageren indien zij van mening was dat er wel een voordeel te verwachten was. De brief is als bijlage 1 aan dit rapport toegevoegd.

Belastingplichtige heeft per brief van 9 november 2016 schriftelijk gereageerd op bovenstaande brief. In deze brief heeft zij aangegeven (fragmentarisch weergegeven) dat de reden voor het verlies dat zij in de jaren 2012 tot en met 2015 heeft geleden, is ontstaan door veranderende wetgeving. De opdrachten voor haar op het gebied van forensische psychologie zijn daardoor drastisch gedaald. Hierdoor moest zij zich gaan oriënteren op andere marktgebieden van de psychologie. In de brief geeft belastingplichtige aan dat het lijkt dat haar inspanningen zijn vruchten afwerpen. Op dat moment behandelde zij drie mensen voor een gereduceerd tarief van 30 euro per sessie. Daarnaast gaf belastingplichtige in de brief aan gestart te zijn met een opleiding tot yogadocent en had zij in [buitenland] een verzoek ingediend om daar als psycholoog erkend te worden. Deze erkenning is volgens belastingplichtige in 2016 goedgekeurd, waardoor zij haar markt daar kon uitbreiden. Ook gaf belastingplichtige aan dat zij daarnaast een samenwerkingsverband is aangegaan door middel van een maatschap, te weten [naam praktijk] , om krachten te bundelen, cliënten binnen te halen en kosten te delen. Belastingplichtige gaf in de brief aan dat zij zichzelf een tijdspad heeft voorgehouden en wel dat indien zij de leeftijd van 40 jaar bereikte op [geboortedatum] 2017 en zij nog steeds niet financieel zelfredzaam zou zijn door de winst uit haar onderneming, zij zich zou laten uitschrijven bij de Kamer van Koophandel. Zij vraagt om de kans om tot die tijd haar bedrijf uit te laten groeien naar een winstgevende onderneming. De brief is als bijlage 2 toegevoegd bij dit rapport.

Naar aanleiding van bovenstaande inhoudelijke reactie van belastingplichtige, heeft de heer [B] belastingplichtige verzocht om een uitgebreide kostenspecificatie van de bedrijfskosten over de jaren 2012 tot en met 2015. Deze heeft belastingplichtige overgelegd. Het kwam de heer [B] voor dat er getwijfeld kon worden aan de zakelijkheid van de in aftrek gebrachte kosten. Hij heeft daarop besloten een boekenonderzoek in te laten stellen.

Aanslag ter behoud van rechten inkomstenbelasting 2014

Met verwijzing naar het verloop van het in te stellen onderzoek zoals weergegeven onder punt 1.3, is voor de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting ter behoud van rechten aan belastingplichtige opgelegd. Dit is door de heer [C] met belastingplichtige gecommuniceerd tijdens een gesprek op het Belastingkantoor te Rotterdam op 16 november 2017 en per brief van 17 november 2017. De heer [C] heeft belastingplichtige te kennen gegeven dat het raadzaam was in het licht van het nog in te stellen boekenonderzoek om een pro forma bezwaarschrift tegen de aanslag in te dienen en heeft haar gewezen op de mogelijkheid van een verzoek om uitstel van betaling.

Belastingplichtige heeft op 24 december 2017 een bezwaarschrift tegen de aanslag inkomstenbelasting 2014 ingediend. Deze is in behandeling genomen door de Belastingdienst, namens deze de heer [D] (hierna: de heer [D] ). Derhalve verwijst dit rapport met betrekking tot de aangifte inkomstenbelasting 2014 naar de afhandeling van dit bezwaarschrift door de heer [D] . Een afschrift hiervan is als bijlage 3 aan dit rapport toegevoegd.”

Op 24 december 2017 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2014. De Inspecteur heeft op 14 juni 2018 uitspraak bezwaar gedaan en de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende heeft op 26 december 2019 een aangepaste aangifte IB/PVV 2014 ingediend. De Inspecteur heeft deze aangifte als bezwaar aangemerkt. Het bezwaar is op 4 augustus 2020 niet-ontvankelijk verklaard en als verzoek om ambtshalve vermindering behandeld, dit verzoek is afgewezen. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingediend.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

”Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid 2014

15. Eiseres heeft tegen de beslissing van verweerder op het verzoek om ambtshalve vermindering geen bezwaarschrift ingediend, maar heeft daartegen rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank. De ambtshalve toetsing door verweerder is een voor bezwaar vatbare beschikking. Op grond van artikel 7:1 van de Awb in samenhang met artikel 8:1 van de Awb en artikel 26 Awr dient eerst bezwaar gemaakt te worden tegen een voor bezwaar vatbare beschikking voordat beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter. Het beroep is daarom in beginsel niet-ontvankelijk. Het beroepschrift had moeten worden doorgestuurd aan verweerder om als bezwaarschrift in behandeling te worden genomen. De rechtbank zal conform het verzoek van verweerder het beroep om proceseconomische redenen toch inhoudelijk behandelen. Het beroep is derhalve ontvankelijk.

(…)

19. In het onderhavige geval heeft verweerder aan de navordering ten grondslag gelegd dat tijdens de aanslagregeling voor het jaar 2014 en bij het boekenonderzoek over de jaren 2013, 2015 en 2016 is gebleken dat sprake was van een structurele verliessituatie. Voorts waren er naar aanleiding van het door eiseres overlegde kostenoverzicht bij verweerder vragen ontstaan over de zakelijkheid van de kosten. (…)

(…)

Aanslagen IB/PVV 2014 en 2017

24. Tussen partijen is niet meer in geschil dat de met de werkzaamheden onder de naam “ [naam eenmanszaak] ” door eiseres verworven inkomsten zijn aan te merken als winst uit onderneming als bedoeld in artikel 3.8 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich mee dat eiseres, die beweert dat een bepaald bedrag als bedrijfslasten in aanmerking moet worden genomen, aannemelijk moet maken dat deze kosten zijn gemaakt en dat de kosten een zakelijk karakter hebben.

25. Eiseres stelt dat de in de aangiften IB/PVV op het resultaat in mindering gebrachte kosten ten onrechte door verweerder zijn gecorrigeerd. Nu verweerder stelt dat er een bron van inkomen is dienen volgens eiseres de aanslagen te worden vastgesteld conform de door haar ingediende aangiften. Met deze enkele blote stelling heeft eiseres niet voldaan aan de op haar rustende bewijslast. De rechtbank neemt ook in aanmerking dat de aanslagen IB/PVV 2014 en 2017 niet op grond van het boekenonderzoek zijn opgelegd, de aanslag 2014 is zelfs voor de start van het boekenonderzoek vastgesteld. Eiseres heeft in de bezwaarfase maar ook nu in de beroepsfase gelegenheid gehad om alsnog bewijsstukken aan te leveren. Eiseres heeft dat evenwel nagelaten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht de door eiseres over de jaren 2014 en 2017 op de winst uit onderneming in aftrek gebrachte kosten heeft gecorrigeerd.

26. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat voor het jaar 2017 eiseres in haar aangifte een bedrag van € 11.482 aan bedrijfslasten heeft opgegeven, en dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van het bedrag van € 11.842. De aanslag IB/PVV 2017 dient derhalve te worden verminderd met € 360. De rechtbank sluit zich hierbij aan.

27. Artikel 3.76, eerste lid, van de Wet IB 2001 bepaalt dat de zelfstandigenaftrek geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, van de Wet IB 2001, wordt aan het urencriterium voldaan indien gedurende het kalenderjaar ten minste 1.225 uren worden besteed aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet. De bewijslast dat aan het urencriterium wordt voldaan, ligt bij eiseres.

28. Eiseres heeft gesteld dat zij in 2014 aan het urencriterium heeft voldaan, maar tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder heeft eiseres geen onderbouwing van haar stellingen overgelegd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat voldaan is aan het urencriterium in 2014. Voor het jaar 2014 heeft eiseres dan ook geen recht op de zelfstandigenaftrek.

29. Voor het jaar 2017 is tussen partijen niet in geschil dat eiseres recht heeft op toepassing van de zelfstandigenaftrek. Voorts heeft eiseres in 2017 gelet op hetgeen reeds is overwogen onder 23 recht op toepassing van de niet eerder benutte zelfstandigenaftrek van de jaren 2015 en 2016 ter hoogte van € 1.806.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

30. Naar het oordeel van de rechtbank is van schending van enig door eiseres genoemd beginsel van behoorlijk bestuur geen sprake. Daarbij merkt de rechtbank op dat zo al sprake zou zijn van schending van een beginsel van behoorlijk bestuur bij het opleggen van de (navorderings)aanslagen, dat niet tot gevolg heeft dat de (navorderings)aanslagen moeten worden vernietigd. Belastingheffing vloeit immers voort uit de wet. De (navorderings)aanslagen zijn daarom een zogenoemde gebonden beschikkingen, waarbij verweerder geen discretionaire bevoegdheid heeft.

Belastingrente

31. Nu eiseres geen afzonderlijke gronden tegen de beschikking belastingrente heeft aangevoerd, zal de met betrekking tot de aanslagen IB/PVV 2015, 2016 en 2017 in rekening gebrachte belastingrente dienen te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslagen.

32. Gelet op wat hiervoor is overwogen dienen de beroepen met betrekking tot de jaren 2013, 2015, 2016 en 2017 gegrond te worden verklaard. Het beroep met betrekking tot het jaar 2014 dient ongegrond te worden verklaard.

Immateriële schadevergoeding

33. Eiseres heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding in verband met de duur van de behandeling van het geschil. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 20051. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Hiervan komt een half jaar toe aan de bezwaarfase.

(…)

Proceskosten

35. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

In geschil is of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd en de belastingrente tot het juiste bedrag in rekening is gebracht. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de Inspecteur bevestigend. Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van proceskosten en alsnog recht heeft op vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van immateriële schade, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de aanslag tot een berekend conform de door haar ingediende aangifte met dienovereenkomstige vermindering van belastingrente en vergoeding van de proceskosten.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is van aftrekbare kosten en of recht bestaat op de zelfstandigenaftrek. Net als de Rechtbank stelt het Hof voorop dat de bestreden aanslag is vastgesteld vóór de start van het boekenonderzoek. Of dat onderzoek rechtmatig is geweest of niet, doet voor het onderhavige jaar niet ter zake.

Kostenaftrek

De Rechtbank heeft terecht overwogen dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat belanghebbende aannemelijk moet maken dat zij kosten heeft gemaakt en dat deze kosten een zakelijk karakter moeten hebben.

De Rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de Inspecteur de op de winst in aftrek gebrachte kosten terecht heeft gecorrigeerd. Het Hof maakt dat oordeel en de onderliggende gronden tot de zijne. Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat haar aangifte moet worden gevolgd, maar niets aangevoerd of met stukken gestaafd op grond waarvan anders moet worden geoordeeld. De Inspecteur heeft de correctie terecht toegepast.

Zelfstandigenaftrek

Ter zake van het recht op de zelfstandigenaftrek heeft de Rechtbank overwogen dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur geen onderbouwing van haar stelling dat zij aan het urencriterium heeft voldaan, heeft overgelegd. De Rechtbank heeft daarom geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in 2014 aan het urencriterium heeft voldaan en dan ook geen recht heeft op de zelfstandigenaftrek. Het Hof maakt, omdat belanghebbende het ook in hoger beroep bij een blote stelling heeft gelaten, het juiste oordeel van de Rechtbank en de onderliggende gronden tot de zijne. Belanghebbende heeft dus voor het jaar 2014 geen recht op toepassing van de zelfstandigenaftrek.

FSV en project 1043

De stelling van belanghebbende dat nu haar zus voorkomt in de databank Fraude Signalering Voorziening (FSV) en haar gegevens zijn verwerkt in het kader van het project 1043, de aanslag zou moeten worden vernietigd, doet niet af aan het oordeel van het Hof. Het Hof hecht geloof aan de verklaring van mevrouw [E] ter zitting van de Rechtbank dat bij de aanvang van de beoordeling van belanghebbendes aangiften voor de omzetbelasting en de start van het boekenonderzoek in het geheel geen sprake was van enig signaal uit de databank FSV of van het project 1043. De controle van de aangifte heeft dus niet plaatsgevonden op basis van een criterium dat jegens belanghebbende leidt tot een schending van een grondrecht en dus niet plaatsgevonden op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat de aanslag moet worden vernietigd. Ook de omstandigheid dat gegevens van de zus van belanghebbende zijn opgenomen in de databank FSV, leidt om die reden niet tot een vernietiging van de aanslag (vgl. HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748 en HR 14 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:14). Dat belanghebbende vanwege haar tweede nationaliteit zou zijn gediscrimineerd, is niet gebleken.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat van schending van enig door belanghebbende genoemd beginsel van behoorlijk bestuur geen sprake is. Belanghebbende heeft niets aangevoerd waardoor hierover anders moet worden geoordeeld.

Belastingrente

Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.

Vergoeding van materiële schade

Voor zover belanghebbende verzoekt om vergoeding van materiële schade, ontstaan door handelen van de Inspecteur, geldt het volgende.

Voor zover het verzoek betrekking heeft op een ander jaar dan het onderhavige kan het Hof daarover geen oordeel over geven, nu het geschil alleen betrekking heeft op het onderhavige jaar. De per 1 juli 2013 in werking getreden schadevergoedingsregeling van de artikelen 8:88 tot en met 8:95 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) is op grond van het overgangsrecht (artikel V van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten) niet van toepassing op de onderhavige zaak. Artikel 8:73 Awb (oud) geldt alleen bij een gegrond (hoger) beroep. Daarvan is in dit geval geen sprake. Voor zover belanghebbende verzoekt om een schadevergoeding buiten het kader van de Awb, geldt dat de belastingrechter onbevoegd is. Belanghebbende dient zich met een dergelijk verzoek te wenden tot de civiele rechter. Het Hof wijst daarom het verzoek om vergoeding van materiële schade af.

Vergoeding van immateriële schade

Voor belanghebbendes verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, heeft als uitgangspunt te gelden dat het Hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld. De redelijke termijn is op het moment waarop deze uitspraak wordt gedaan niet overschreden. Het Hof wijst daarom het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.

Griffierecht in beroep

Belanghebbende stelt dat de Rechtbank de Inspecteur had moeten opdragen € 192 aan griffierecht aan haar te vergoeden in plaats van € 144. De Rechtbank heeft echter het beroep dat ziet op het jaar 2014 ongegrond verklaard, zodat de Inspecteur terecht niet is opgedragen € 48 extra aan belanghebbende te vergoeden.

Slotsom

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

Het Gerechtshof;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank; en

- wijst de verzoeken om vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, W.M.G. Visser en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 19 januari 2023 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?