22. In eerste aanleg heeft de curator primairgevorderd, samengevat:
23. De curator had ook een subsidiaire vordering ingesteld, maar deze is gezien de uitkomst van dit hoger beroep niet meer van belang.
23. [appellant] heeft zich verweerd tegen de vorderingen van de curator en gevorderd dat de curator wordt veroordeeld in de proceskosten.
23. De rechtbank heeft de primaire vorderingen van de curator – geparafraseerd – toegewezen.
De zaak B
26. In eerste aanleg heeft APK Keuring in conventiegevorderd, samengevat:
27. De curator heeft in reconventie primairgevorderd, samengevat:
28. Ook hier geldt dat de curator tevens een subsidiaire vordering had ingesteld, maar dat deze gezien de uitkomst van dit hoger beroep niet meer van belang is.
28. De rechtbank heeft de vordering van APK Keuring in conventie afgewezen. De rechtbank heeft in reconventie (a) voor recht verklaard dat APK Keuring onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van MKB en (b) APK Keuring veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan de curator, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. APK Keuring is veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie. Het door de curator in reconventie meer of anders gevorderde is afgewezen.
De vorderingen in hoger beroep
30. De vorderingen van [appellant] in het exploot van 17 mei 2021 en de memorie van grieven wijken ten opzichte van elkaar enigszins af. Het hof begrijpt de vorderingen van [appellant] in hoger beroep als volgt.
In zaak A vordert [appellant] vernietiging van het vonnis en, alsnog, afwijzing van de vorderingen van de curator, met veroordeling van de curator in de proceskosten van beide instanties.
In zaak B vordert [appellant] vernietiging van het vonnis, afwijzing van het door de curator gevorderde en alsnog toewijzing van “de vorderingen van appellant”. Met dit laatste doelt [appellant] kennelijk op de vordering van APK Keuring, die aan hem is gecedeerd. Verder vordert [appellant] dat de curator ook in zaak B wordt veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.
Bij wijze van eisvermeerdering vordert [appellant] daarnaast (in zaak B) een “voorschot op de nader te begroten schade en wel voor een bedrag van € 600.000,-- ter zake de opbrengst van de onrechtmatige verkoop van de onderhavige machines.”
De beoordeling van het hoger beroep
De zaak A
31. Het gaat in zaak A om de aansprakelijkheid van [appellant] als voormalig direct en middellijk en/of feitelijk bestuurder van MKB voor het boedeltekort in het faillissement van MKB. Het debat spitst zich toe op het schenden van de publicatieplicht van art. 2:394 BW, waarbij de curator er aandacht voor heeft gevraagd dat hij [appellant] evenzeer een schending van de administratieplicht ex art. 2:10 BW verwijt.
Publicatieplicht en onbehoorlijke taakvervulling
32. Op grond van art. 2:394 BW diende de jaarrekening van MKB van 2014 binnen acht dagen na vaststelling te worden openbaar gemaakt en binnen dertien maanden na afloop van het boekjaar te worden gepubliceerd, dat wil zeggen uiterlijk 31 januari 2016. Dat is echter - onweersproken - niet gebeurd. Daarmee is de verplichting tot openbaarmaking geschonden. Dit wordt niet anders doordat de bedrijfsactiviteiten voor het verstrijken van laatstbedoelde termijn waren verhangen/gestaakt en er (op papier) een adreswijziging van de statutair in Rotterdam gevestigde/gezetelde onderneming was doorgevoerd.
32. Deze schending van de deponeringsplicht is een onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur, die wordt vermoed een belangrijke oorzaak te zijn van het faillissement van MKB (art. 2:248 lid 2 BW).
Bestuurder
34. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] van 3 juli 2013 tot 4 juni 2015 direct bestuurder en aansluitend tot 10 juni 2016 middellijk bestuurder was van het op 5 juni 2016 gefailleerde MKB en dat daarom de publicatieplicht op hem rustte (r.o. 4.7 en 4.8 van het bestreden vonnis). [appellant] heeft tegen dit oordeel in hoger beroep geen concrete grief aangevoerd. Met grief 3 snijdt hij dit punt wel aan. Zo betoogt [appellant] onder meer dat hij op 2 november 2015 al als formeel bestuurder was afgetreden en dat in ieder geval [betrokkene 1] (r.o. 21.17) daarvan op de hoogte was. Dit betoog is kennelijk niet gericht tegen genoemd oordeel van de rechtbank over [appellant] hoedanigheid van middellijk bestuurder, te minder omdat [appellant] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verklaard (pleitaantekeningen mr Soebhag onder 18) dat “niet is gegriefd tegen de vaststelling van het feit dat hij aan te merken valt als middellijk bestuurder van curanda”. Het hof zal er daarom van uitgaan dat [appellant] tot 10 juni 2016 (middellijk) bestuurder was van MKB en dat daarom de publicatieplicht op hem rustte. Ten overvloede wordt erop gewezen dat de in het vonnis gemaakte koppeling tussen de publicatieplicht en het middellijk bestuurderschap niet is bestreden op de grond dat het middellijk bestuurderschap werd uitgeoefend via MKBM. Was die betwisting er wel geweest dan was deze (conform het standpunt van de curator) verworpen met toepassing van art. 10:8 lid 1BW.
34. De rechtbank heeft bovendien ook geoordeeld dat [appellant] moet worden aangemerkt als feitelijk bestuurder van MKB in de zin van art. 2:248 lid 7 BW, omdat hij in de relevante periode – dat wil zeggen: de periode waarin de jaarrekening had moeten worden gedeponeerd – behalve enig (direct/indirect) bestuurder van MKB, binnen MKB (ook) degene was die het beleid bepaalde, waardoor hij ook in die hoedanigheid aansprakelijk is voor het boedeltekort indien sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement (r.o. 4.3 van het bestreden vonnis). Ook hiertegen is geen concrete grief aangevoerd, anders dan de (herhaalde) stelling dat genoemde [betrokkene 1] eigenlijk ook feitelijk bestuurder was. Deze stelling is onvoldoende uitgewerkt en onderbouwd. Zo is niet concreet inzichtelijk gemaakt welke betekenis het gestelde, maar niet toegelichte, feitelijk bestuurderschap van [betrokkene 1] had voor dat van [appellant]. Indien al zou komen vast te staan of ervan moet worden uitgegaan dat [betrokkene 1], dan wel het bedrijf ISpire waaraan hij verbonden was, [appellant] desverzocht heeft geadviseerd en/of op verzoek van [appellant] op zoek is gegaan naar een koper en na die te hebben gevonden opdracht tot verkoop aan de notaris heeft gegeven, maakt hem dat niet tot (mede) feitelijk beleidsbepaler, laat staan (mede) bestuurder van MKB.
34. Kortom, [appellant] is aansprakelijk vanwege onbehoorlijke taakvervulling, behalve indien hij zich kan disculperen.
Disculpatie [appellant]?
37. In art. 2:248 lid 3 BW is bepaald dat niet aansprakelijk is de bestuurder die bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.
37. Met zijn grieven 1 tot en met 3 doet [appellant] kennelijk een beroep op deze disculpatiemogelijkheid. Zo stelt hij dat de aandeelhouder eerst de jaarrekening behoort vast te stellen voordat deze kan worden gedeponeerd. [appellant] gaat er daarbij aan voorbij dat, ook als de aandeelhouder de jaarrekening niet (tijdig) heeft vastgesteld, voor het bestuur een openbaarmakingsplicht geldt, die is geregeld in art. 2:394 lid 2 BW. Los daarvan heeft [appellant] de betwisting door de curator dat de jaarrekening al wel was opgemaakt en dat de voorlopige cijfers klaar waren onvoldoende gemotiveerd weersproken.
37. [appellant] heeft ook niet uiteengezet en onderbouwd welke maatregelen hij heeft getroffen om de gevolgen van de onbehoorlijke taakvervulling af te wenden.
37. In de toelichting op grief 3 heeft [appellant] wel aangevoerd – samengevat – dat zijn toenmalige adviseur [betrokkene 1] kennelijk “de inschrijving van de uittreding bij Companies House gemanipuleerd heeft” (memorie van grieven 35) en dat hij na jarenlange samenwerking met [betrokkene 1] erop mocht vertrouwen dat deze en/of ene Burckhardt en/of Euro Secretary Services Ltd het jaarverslag 2014 op correcte wijze zou(den) deponeren en verder dat [betrokkene 1] ook ernstig is tekortgeschoten in het vinden van een koper voor MKB. Uit dit betoog, vol verwijten aan derden, is niet af te leiden dat hijzelf een in redelijkheid van hem te vergen mate van oplettendheid heeft betracht dat de bestuurstaken daadwerkelijk naar behoren (door hem, dan wel door (al dan niet rechtstreeks door hem) ingeschakelde derden) werden vervuld/waargenomen. Zelfs blijkt er niet uit dat de door [appellant] bedoelde derden zich ervan bewust waren of moeten zijn geweest dat [appellant] erop rekende dat zij de bestuurstaken zouden waarnemen, wat op zichzelf genomen [appellant] nog niet zou vrijpleiten. Ook overigens volgt uit wat [appellant] in het kader van deze en andere grieven heeft aangevoerd niet dat hij adequate maatregelen heeft genomen om de gevolgen van de onbehoorlijke taakvervulling af te wenden.
37. De conclusie moet dan ook zijn dat [appellant] zich niet kan disculperen.
Vermoeden belangrijke oorzaak faillissement
42. Omdat MKB niet heeft voldaan aan de deponeringsplicht staat vast dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Daardoor wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (art. 2:248 lid 2 BW). Het is dan aan Kunne om aannemelijk te maken dat andere omstandigheden dan de onbehoorlijke taakvervulling tot het faillissement hebben geleid.
Andere omstandigheden?
43. Bedoelde ‘andere omstandigheden’ blijken niet uit het relaas van [appellant], meer in het bijzonder ook niet uit wat daaruit hieronder kort wordt weergegeven.
43. In het kader van grief 1 betoogt [appellant] dat de voorlopige jaarcijfers van MKB “reeds op tijd door administratiekantoor Servicebureau West [waren] opgesteld”. Volgens [appellant] was er sprake van een onophoudelijke jarenlang durende terreur door de politie, de belastingdienst en de gemeente Rotterdam, waardoor hij gedwongen werd te stoppen met MKB “zodat hij zich geheel kon gaan richten op de oorzaak en het stoppen van voornoemd terreur”. Verder is naar zijn mening de curator in een aantal opzichten ernstig tekortgeschoten in diens taak. [appellant] vindt dat alle betrokkenen bij bedoelde terreur als getuigen dienen te worden gehoord.
45. In de toelichting op grief 2betoogt [appellant] onder meer het volgende.
De rechtbank had zelf uit het door hem als productie 42 overgelegde stuk kunnen afleiden welke specifieke omstandigheden ertoe hebben geleid dat MKB niet meer presteerde als voorheen.
De belastingdienst heeft de advocaatkosten van de curator betaald “bij de procedure die APK tegen de curator aanspande”.
De belastingdienst Rotterdam en de curator willen niet voldoen aan zijn inzageverzoek op basis van de AVG en de Wet bescherming persoonsgegevens.
Door de toepassing van een “FSV applicatie” is een gigantische beerput ontstaan (FSV staat voor fraude signalering voorziening, opm. hof).
Er is sprake van “een complot waar naar het standpunt van [appellant] de honden geen brood van lusten”.
De politie heeft zijn zes maanden zwangere en daarmee kwetsbare vriendin ontvoerd en misbruikt.
Tot op de dag van vandaag voert [appellant] allerlei procedures om opheldering te verkrijgen over de terreur die hem achtervolgt.
De voormalige bedrijfsleider [betrokkene 2] en salesmanager [betrokkene 3] van MKB hebben [appellant] bestolen.
Verder: ”Het beschuldigen van [appellant] van mensenhandel is aan te merken als een politiek speerpunt en een vogel vrije verklaring van [appellant] voor de politie”.
46. In de toelichting op grief 3betoogt [appellant] onder meer het volgende.
[appellant] wordt geterroriseerd door verschillende overheidsinstanties, waaronder de belastingdienst vanwege de registratie van zijn naam in de FSV applicatie.
Daarnaast heeft [appellant] gezien zijn jarenlange samenwerking met [betrokkene 1] erop mogen vertrouwen dat [betrokkene 1] en/of Burckhardt – de mogelijke koper van MBK - en/of EURO SECRETARY SERVICES LTD het jaarverslag 2014 op correcte wijze zou(den) deponeren. Op basis van voorgaande externe omstandigheden kan er geen sprake zijn van een onbehoorlijke taakvervulling zijdens [appellant].
[appellant] heeft ruim op tijd, te weten voordat een eventueel boedeltekort zou ontstaan, [betrokkene 1] benaderd of hij een koper voor curanda kon vinden. Het aandeel van [betrokkene 1] in het faillissement van MKB dient dan nader onderzocht en zo nodig strafrechtelijk vervolgd te worden.
Als [appellant] gewild zou hebben om na 2 november 2015 jaarstukken over het jaar 2014 te deponeren dan zou hij dat niet mogen. Ten eerste omdat hij op 2 november 2015 al als bestuurder was afgetreden, waar in ieder geval [betrokkene 1] van op de hoogte was en ten tweede omdat de aandeelhouder eerst de jaarrekening behoort vast te stellen. Dit valt ook af te leiden uit de deponeertermijnen en uitzonderingen van de Kamer van Koophandel.
[betrokkene 1] en [betrokkene 4] van respectievelijk ISpire Nederland LLP en EURO SECRETARY SERVICES LTD zouden dan ook als getuigen opgeroepen dienen te worden om gehoord te worden om daarmee de waardering van de tot nu toe overlegde bewijsmiddelen in perspectief te brengen, zodat het gerechtshof correcte conclusies kan trekken.
47. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is door [appellant] over de ‘andere omstandigheden’ gesteld dat “de combinatie van tegenvallende resultaten met de omstandigheid van de toenmalige bedrijfsleider van MKB, de heer [betrokkene 2], […] heeft geleid tot het uiteindelijk faillissement” (pleitaantekeningen mr. Soebhag onder 10). Ook daarbij gaat het echter om een te algemene, onvoldoende onderbouwde stelling. Zo is bijvoorbeeld niet inzichtelijk gemaakt waardoor en in welke mate de resultaten tegenvielen en wat de “omstandigheid” van genoemde Kreischer concreet inhield. Toegevoegd wordt nog dat ook, en wellicht juist, als de bedrijfsresultaten tegenvallen en de onderneming in zwaar weer beland, van een naar behoren functionerend bestuur mag worden verwacht dat het zelf, als eind-verantwoordelijke, de teugels in handen neemt/houdt en alert is op verdere ontwikkelingen (mede aan de hand van een beschikbare deugdelijke administratie), om tijdig te kunnen bijsturen/ingrijpen. Feiten of omstandigheden die erop wijzen dat hieraan door [appellant] naar behoren invulling is gegeven, zijn gesteld noch gebleken. Wat daarentegen wel blijkt, is dat energie is gestoken in (het doorvoeren van) constructies met andere rechtspersonen/entiteiten (al dan niet gepaard gaande met het elders onderbrengen van bedrijfsactiviteiten en/of activa), terwijl niet is toegelicht/onderbouwd en evenmin gebleken dat die constructies en dat verhangen/verplaatsen ten doel had(den) om, mede in het belang van de schuldeisers, de continuïteit van de bestaande onderneming te waarborgen, dan wel, mocht dat niet mogelijk zijn, de bedrijfsvoering op ordentelijke wijze te beëindigen. Dit getuigt van een onbehoorlijke taakvervulling. In elk geval wordt hiermee het vermoeden van het onbehoorlijk bestuur niet weerlegd. Voor het geval [appellant] ingang wil doen vinden dat hij hier geen invloed op heeft gehad, noch kunnen hebben en dat hem hiervan geen verwijt treft, volgt de betwiste juistheid hiervan niet uit wat hij heeft aangevoerd. Ten overvloede wordt toegevoegd dat [appellant] ook het verwijt van de curator dat een deugdelijke administratie ontbrak onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken en dat hetzelfde geldt voor de betwisting door de curator dat de voorlopige cijfers klaar waren.
48. Grief 4is een veeggrief zonder zelfstandige betekenis.
Slotsom grieven in zaak A
49. Kortom, de grieven in zaak A falen alle. Het (tegen)bewijsaanbod wordt gepasseerd, omdat bij gebreke aan een gemotiveerde betwisting niet aan bewijsvoering wordt toegekomen. [appellant] heeft de hem verweten schending van de deponeringsverplichting niet gemotiveerd weersproken en onvoldoende ingebracht tegen het vermoeden van een onbehoorlijk bestuur als oorzaak van het faillissement. Los daarvan ziet het bewijsaanbod niet op enigszins geconcretiseerde stellingen die, indien bewezen, de beoordeling in het voordeel van [appellant] kunnen doen uitvallen, wat een zelfstandige afwijzingsgrond is naast de vorige.
De zaak B
50. Deze zaak betreft twee vorderingen:
De vordering van APK Keuring in conventie op de curator
51. In geschil is of de machines toebehoorden aan APK Keuring. De vordering van APK Keuring tot schadevergoeding is gebaseerd op de door haar/[appellant] gestelde eigendom van deze machines. Volgens APK Keuring heeft de curator haar eigendomsrecht geschonden door deze machines te verkopen. Op APK Keuring – en thans [appellant] – rusten de stelplicht en de bewijslast van haar eigendomsrecht (art. 150 Rv). De curator heeft het door [appellant] gestelde eigendomsrecht van APK Keuring gemotiveerd betwist. Tegenover die betwisting heeft [appellant] zijn stelling dat APK Keuring eigenaar was onvoldoende onderbouwd, reden waarom die stelling moet worden verworpen, met een afwijzing van het gevorderde als gevolg. Het volgende wordt hier nog aan toegevoegd.
51. Het processuele debat bij grief 5 spitst zich toe op de vraag of [holding] bij het nemen van een aandeel in MKB de machines heeft ingebracht in MKB (zie r.o. 21.5 en 21.6). Een bevestigend antwoord volgt niet alleen uit de hierboven geciteerde notariële akte, met daarbij de door [appellant] getekende bijlage, maar ook uit het door [appellant] in eerdere procedures ingenomen standpunt. [appellant] heeft niet uitgelegd waarom dat eerdere ingenomen standpunt, dat dus in lijn was met de notariële akte, niet als juist mag worden beschouwd en zijn huidige standpunt dat wel is.
51. Daarbij komt nog dat, ook indien niet kan worden uitgegaan van een inbreng van de machines in MKB, daarmee niet gezegd is dat zij aan APK Keuring toebehoorden. De curator heeft namelijk subsidiair aangevoerd, dat zelfs in het geval de machines niet zouden zijn ingebracht in MKB, maar bij [holding] zijn achtergebleven, [holding] de eigendom ervan heeft overgedragen aan MKB Machinery Ltd en niet aan APK Keuring (conclusie van antwoord 4.5 en herhaald in hoger beroep in memorie van antwoord 49). De toelichting van de curator op dit standpunt is de volgende.
Op de facturen die door APK Keuring als productie 6 bij inleidende dagvaarding in het geding zijn gebracht staat expliciet MKB Machinery als koper van de machines vermeld; niet APK Keuring (conclusie van antwoord 2.22).
In de kortgedingprocedure die APK Keuring en MKB Machinery tegen de curator hebben gevoerd is door hen het standpunt ingenomen dat MKB Machinery de eigendom van de machines had verworven (conclusie van antwoord 2.22). Dat is verwoord in de dagvaarding van die zaak onder 9 (productie 39 bij conclusie van antwoord), als volgt:
“Op 1 januari 2016 heeft MKB Machinery een Kotterbank gekocht van [holding] voor een bedrag van € 19.995,- en Dorries carrousseldraaibank voor € 13.000, , welke bedragen door MKB Machinery zijn voldaan. De overige goederen zijn eveneens geleverd en voldaan aan/door MKB Machinery.”
54. Dit subsidiaire standpunt van de curator en de door hem daarin weergegeven gang van zaken is door APK Keuring en [appellant] niet gemotiveerd weersproken. Uitgaande van de juistheid van dit subsidiaire verweer van de curator was APK Keuring geen eigenaar van de machines toen deze door de curator zijn verkocht. Van onrechtmatig handelen door de curator jegens APK Keuring is daarom geen sprake. Er hoeft dus hoe dan ook niet nader te worden onderzocht of MKB door inbreng eigenaar van de machines is geworden.
54. Bij deze stand van zaken is het aanbod van [appellant] om mevrouw Bierenbroodspot- Erwich van PwC als getuige te doen horen over wat er door [holding] is ingebracht bij het nemen van een aandeel in MKB, niet ter zake dienend. Het hof zal dan ook niet op dit bewijsaanbod ingaan.
De vordering van de curator in reconventie op APK Keuring
56. De grieven 6 tot en met 9 richten zich tegen de overwegingen 4.25 tot en met 4.39 uit het vonnis over de hierboven in punt 50.b genoemde tweede vordering; die van de curator op APK Keuring.
56. De curator stelt zich op het standpunt dat [appellant] tegen het toewijzen van deze vordering niet in hoger beroep kan komen. Daarbij wijst de curator erop dat het een vordering op APK Keuring betreft en niet op [appellant]; dat de cessie waar [appellant] zich op beroept geen betrekking heeft op de vordering van de curator op APK Keuring en dat gesteld noch gebleken is dat APK Keuring aan [appellant] last heeft gegeven – en kunnen geven – om in hoger beroep te gaan (memorie van antwoord 8 en 9).
56. Dit, door [appellant] niet gemotiveerde weersproken, verweer van de curator slaagt. De cessie op basis waarvan [appellant] procedeert ziet uitsluitend op de vordering van APK Keuring op de curator. In zijn appeldagvaarding noteerde [appellant] (dan ook) dat hij, behalve van het tussen partijen gewezen vonnis, in hoger beroep kwam als cessionaris van de vordering van APK Keuring. Er blijkt niet van het (met instemming van de curator) overnemen van de schuld van APK Keuring. Voor die schuld is [appellant] ook niet aansprakelijk; de vordering van de curator, voor zover toegewezen, kan niet op hem worden verhaald, terwijl de curator niet in incidenteel hoger beroep kan komen van het afgewezen deel ervan. [appellant] standpunt, dat met de cessie van een vordering waarover in conventie is of wordt geprocedeerd, automatisch een reconventionele vordering overgaat op de cessionaris, die daardoor dan behalve schuldeiser tevens schuldenaar wordt, kan niet als juist worden aanvaard. Bij het ontbreken van een andere gestelde of gebleken toereikende grondslag voor dit deel van zijn hoger beroep, is [appellant] daarin daarom niet ontvankelijk. Was dit anders geweest, dan waren de grieven op de door de curator aangevoerde gronden verworpen, maar dit ten overvloede.
Slotsom grieven in zaak B
59. De grieven falen alle, terwijl de bij wege van eisvermeerdering ingestelde vordering dient te worden afgewezen. Het bewijsaanbod wordt gepasseerd. Aan bewijsvoering wordt niet toegekomen omdat de aan de vordering op de curator ten grondslag gelegde stellingen door de curator gemotiveerd zijn betwist en in reactie op die betwisting niet zijn voorzien van een behoorlijke onderbouwing. Los daarvan is het bewijsaanbod te vaag. [appellant] heeft geen concrete feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel dan het voorgaande nopen. Dit is een zelfstandige afwijzingsgrond. Het bewijsaanbod wordt daarom gepasseerd.
Afrondend in de zaken A en B
60. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep faalt. De vordering van de curator en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen zijn door [appellant] onvoldoende gemotiveerd betwist, terwijl omgekeerd de op de curator gepretendeerde vordering, tegenover de betwisting ervan door de curator, niet voldoende is onderbouwd. Als gezegd wordt daarom aan bewijsvoering niet toegekomen.
60. Toegevoegd wordt nog dat de aanvullende stukken die [appellant] in de loop van de mondelinge behandeling in het geding heeft gebracht geen aanknopingspunten bevatten voor een ander oordeel. De bezwaren van de curator tegen het in het geding brengen van die stukken kunnen daarom onbesproken blijven.
60. De bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd; het vonnis in zaak B voor zover in conventie gewezen, omdat ten aanzien van de reconventie een niet-ontvankelijkverklaring volgt. De vordering die [appellant] bij wijze van eisvermeerdering heeft ingesteld wordt als ongegrond afgewezen en [appellant] wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het arrest zal, als gevorderd, ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
Beslissing
Het hof:
bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 17 februari 2021 in de zaken C/10/546550 /HA ZA 18-266 en C/10/548962 /HA ZA 18-419 (conventie);
verklaart [appellant] niet ontvankelijk in het hoger beroep tegen het vonnis in de zaak C/10/548962 / HA ZA 18-419 in reconventie;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 1.756,-- aan griffierecht en € 2.428,-- aan salaris advocaat (tarief II, 2 punten);
verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.S. van Coevorden, J.M. van der Klooster en S.H.M.A. Dumoulin en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 september 2024 in aanwezigheid van de griffier.