ECLI:NL:GHDHA:2024:2332

ECLI:NL:GHDHA:2024:2332, Gerechtshof Den Haag, 12-11-2024, BK-24/151

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 12-11-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer BK-24/151
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2023:20777
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002320 BWBR0006358 BWBR0018450

Samenvatting

Artt. 25, lid 3 en 27e, lid 1, AWR. Omkering en verzwaring van de bewijslast. De Inspecteur maakt geen redelijke schatting van de winst uit onderneming. Vaststelling van winst uit onderneming in goede justitie.

Uitspraak

Jaar 2018

Uit de kolom "Verdeeld" in het bestand Invoer Admin 22-12-2018 blijkt een bedrag van € 560.306. U heeft aan de FIOD verklaard dat dit bedrag gelijkelijk verdeeld wordt tussen u en een andere partij. Dat betekent dat u over het jaar 2018 een bedrag van € 208.153 heeft ontvangen.

Uit het bestand waar de kosten in zijn bijgehouden blijkt dat over het jaar 2018 dat € 20.325 aan kosten zijn gemaakt. Dit beslaat de periode januari tot en met september. Ik heb dit omgeslagen naar het gehele jaar, hetgeen neerkomt op een bedrag aan kosten van € 27.100. Ook deze kosten worden verdeeld over de twee partijen. Dit betekent dat ik bij het bepalen van uw winst uit onderneming over het jaar 2018 uitga van een bedrag van € 13.550.

De winst uit onderneming over het jaar 2018 stel ik vast op :

Omzet : € 208.153

Kosten : € 13.550

Winst uit onderneming : € 194.603

Jaar 2019

Uit de kolom "Verdeeld" in het bestand Invoer Admin 22-12-2018 blijkt een bedrag van € 264.750. Dit bedrag zit op de periode 1 januari 2019 tot en met 18 juni 2019. Over de periode vanaf 19 juni 2019 heb ik geen nadere informatie ontvangen, ik heb echter geen aanleiding om aan te nemen dat de ondernemingsactiviteiten in deze periode veel zullen afwijken van de periode vóór 19 juni 2019. Ook in het jaar 2020 gaan de activiteiten op dezelfde voet verder. Het is daarom redelijk dat de cijfers van vóór 19 juni 2019 om geslagen worden naar het hele jaar. Het bestand is voor het jaar 2019 tot en met 18 juni 2019 bijgehouden. Dit betreft 168 dagen. Als ik € 264.750 omsla naar 365 dagen, kom ik op een bedrag van € 575.201.

U heeft aan de FIOD verklaard dat het bedrag in de kolom "Verdeeld" gelijkelijk verdeeld wordt tussen u en een andere partij. Dat betekent dat u over het jaar 2019 een bedrag van € 287.600 heeft ontvangen.

Met betrekking tot de gemaakte kosten over het jaar 2019 heb ik geen informatie verstrekt gekregen. Het is echter zeer aannemelijk dat er kosten zijn gemaakt. Ik acht het redelijk om de kosten in 2019 te bepalen door uit te gaan van de gemiddelde verhouding omzet/kosten in de jaren 2018, 2020 en 2021. Dit percentage is vastgesteld op 23.

De winst uit onderneming over het jaar 2019 stel ik vast op :

Omzet : € 287.600

Kosten : € 66.148

Winst uit onderneming : € 221.452

Jaar 2020

Uit de kolom "Verdeeld" in het bestand INVOER ADMIN […] blijkt een bedrag van € 428.991. U heeft aan de FIOD verklaard dat dit bedrag gelijkelijk verdeeld wordt tussen u en een andere partij. Dat betekent dat u over het jaar 2020 een bedrag van € 214.495 heeft ontvangen.

In het bestand INVOER ADMIN […] staan ook, de in het jaar 2020, gemaakte kosten weergegeven. Ik heb deze kosten getotaliseerd en heb de kosten over het jaar 2020 vastgesteld op € 104.147. Ook deze kosten worden verdeeld over de twee partijen. Dit betekent dat ik bij het bepalen van uw winst uit onderneming over het jaar 2020 uitga van een bedrag van € 52.073.

De winst uit onderneming over het jaar 2020 stel ik vast op :

Omzet : € 214.495

Kosten : € 52.073

Winst uit onderneming : € 162.422

Jaar 2021

Uit de kolom "Verdeeld" in het bestand INVOER ADMIN […] blijkt een bedrag van € 280.207. U heeft aan de FIOD verklaard dat dit bedrag gelijkelijk verdeeld wordt tussen u en een andere partij. Dat betekent dat u over het jaar 2021 een bedrag van € 140.103 heeft ontvangen.

In het bestand INVOER ADMIN […] staan ook de, in het jaar 2021, gemaakte kosten weergegeven. Ik heb deze kosten getotaliseerd en heb de kosten over het jaar 2021 vastgesteld op € 111.894. Ook deze kosten worden verdeeld over de twee partijen. Dit betekent dat ik bij het bepalen van uw winst uit onderneming over het jaar 2021 uitga van een bedrag van € 55.947.

De winst uit onderneming over het jaar 2021 stel ik vast op :

Omzet : € 140.103

Kosten : € 55.947

Winst uit onderneming : € 84.156

(…)”

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“Vereiste aangifte

16. Op grond van artikel 27e, eerste lid, van de Awr wordt een beroep ongegrond verklaard indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast). Een belastingplichtige heeft niet de vereiste aangifte gedaan indien sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Dat de vereiste aangifte niet is gedaan, dient verweerder volgens de regels van normale bewijslastverdeling aannemelijk te maken.[1]

17. Eiser heeft in de beroepsfase het standpunt ingenomen het resultaat uit de exploitatie van onroerend goed € 73.972 bedraagt. Dit bedrag bestaat uit de helft van de brutomarge (het verschil tussen de betaalde hoofdhuur en de ontvangen huur), wat neerkomt op € 99.839, waarbij volgens eiser nog € 25.867 aan bedrijfskosten in aanmerking moeten worden genomen. Het resultaat van € 73.972 betreft een aanzienlijk hoger bedrag dan het in de aangifte opgenomen bedrag van € 20.255. Deze omstandigheden in samenhang bezien rechtvaardigen de conclusie dat de volgens de aangifte voor het onderhavige jaar verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is (te weten, na verrekening van heffingskortingen, nihil belasting en een bijdrage ZVW van € 613) dan de werkelijke verschuldigde belasting (indien het standpunt van eiser gevolgd zou worden: € 17.059 belasting en een bijdrage ZVW van € 2.901). Eiser moet zich hier bewust van zijn geweest. Dit betekent dat eiser niet de vereiste aangiften heeft gedaan.

Hoogte van het inkomen

18. Omdat de vereiste aangifte niet is gedaan, is het aan eiser om te doen blijken dat het belastbaar inkomen uit werk en woning en het bijdrage-inkomen naar een te hoog bedrag zijn vastgesteld. Eiser heeft gesteld dat hij slechts geldverkeer over zijn bankrekening faciliteerde ten behoeve van verhuur van onroerende zaken door X, de vader en broer van eiser en Stichting [naam] . Dit heeft hij onderbouwd met de inbreng van een door hem opgesteld overzicht van de rekeningcourantverhouding tussen eiser en vernoemde (rechts)personen. Daarbij heeft verweerder gemotiveerd betwist dat hij ten onrechte inkomsten met betrekking tot niet aan eiser toerekenbare geldstromen heeft meegenomen de winstberekening, omdat hij de relevante panden niet in de winstberekening heeft meegenomen. Voor de stelling dat verweerder bij het opleggen van de navorderingsaanslagen te weinig bedrijfskosten in aanmerking heeft genomen, is door eiser geen bewijs geleverd. Eiser is er dan ook niet in geslaagd om te doen blijken dat het belastbaar inkomen uit werk en woning en het bijdrage-inkomen op de navorderingsaanslagen naar een te hoog bedrag is vastgesteld.

19. Ook indien sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast moeten de correcties berusten op een redelijke schatting. Verweerder heeft, onder verwijzing naar de onder 8. geciteerde winstberekening toegelicht dat hij is uitgegaan van het bedrag aan huurbetalingen dat vanaf de bankrekening is verricht en van het gemiddelde brutowinstpercentage van onroerende zaken waarvan zowel huurontvangsten als huurbetalingen bekend zijn. Omdat contante betalingen niet uit de bankafschriften volgen, heeft verweerder een correctie van 25% gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een redelijke schatting. De navorderingsaanslagen zijn niet te hoog vastgesteld.

(…)

Belastingrente

24. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd die verband houden met belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.

Conclusie

25. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient beroep SGR 23/1281 gegrond te worden verklaard en dient SGR 23/1283 ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

26. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt de kostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837 en wegingsfactor 1). Voor het indienen van het bezwaarschrift is door eiser geen gebruik gemaakt van een professionele rechtsbijstandsverlener.

[1] Vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:2009:BH 1083”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

In hoger beroep is in geschil of de navorderingsaanslag naar het juiste bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens voor zover die ziet op de vergrijpboetebeschikking, de proceskostenvergoeding en het griffierecht, vernietiging van de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor zover die ziet op de navorderingsaanslag, vermindering van de navorderingsaanslag tot een berekend naar een winst uit onderneming van € 113.454 en dienovereenkomstige vermindering van de in rekening gebrachte belastingrente. Belanghebbende verzoekt voorts om een proceskostenvergoeding.

Beoordeling van het hoger beroep

De nadere stukken van 19 september 2024

Het Hof stelt voorop dat partijen op grond van artikel 8:58, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot tien dagen voor de zitting nadere stukken mogen indienen. In de uitnodiging voor de zitting is belanghebbende hierop gewezen (artikel 8:58, lid 2, Awb).

Artikel 8:58, lid 1, Awb beoogt, blijkens de daarop gegeven toelichting, een behoorlijk verloop van de procedure te waarborgen. Uit de strekking van die bepaling volgt dat de rechter - binnen het kader van een goede procesorde - de mogelijkheid heeft stukken die binnen tien dagen voor de zitting of eerst ter zitting zijn overgelegd al dan niet in de procedure toe te laten (Hoge Raad 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3099, BNB 2005/151).

De zitting vond plaats op 2 oktober 2024, zodat nadere stukken tot en met 21 september 2024 ingediend konden worden.

De nadere stukken van 19 september 2014 bestonden uit: (i) een begeleidende brief, (ii) een afschrift van een depotakte, (iii) een brief met dagtekening 19 juni 2023 van de Inspecteur aan belanghebbende en (iv) 35 kwitantieboeken en 12 enveloppen met originele inkoopbonnen.

De stukken onder (i), (ii) en (iii) zijn via het digitale portaal van de Rechtspraak ingediend. Die stukken zijn dus tijdig ingediend en behoren tot de gedingstukken.

De onder (iv) genoemde stukken zijn op 23 september 2024 door het Hof ontvangen, dat wil zeggen binnen een termijn van tien dagen voorafgaand aan de zitting. Ter toelichting op deze stukken vermeld de onder 5.1.4 genoemde begeleidende brief:

“Deze stukken zijn verwerkt in de administratie van [belanghebbende], zoals [belanghebbende] die verwerkte administratie in het geding heeft gebracht bij het formulieren van de gronden van het beroep.”

Gelet op de goede procesorde en vanwege de (niet-tijdige) datum van ontvangst, de grote omvang en de beperkte toelichting zijn deze stukken niet door het Hof in behandeling genomen. Anders dan belanghebbende stelt, is niet de datum van verzending beslissend voor de vraag of stukken binnen de tiendagentermijn van artikel 8:58, lid 1, Awb zijn ingediend, maar de datum van ontvangst van die stukken door het Hof. Het is immers de bedoeling dat de rechter tien volle dagen over de stukken kan beschikken (vgl. ABRvS 21 november 1996, ECLI:NL:RVS:1996:ZF2414).

Omkering en verzwaring van de bewijslast

Het is niet in geschil dat belanghebbende voor het jaar 2016 niet de vereiste aangifte heeft gedaan in de zin van artikel 25, lid 3, en artikel 27e, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) en dat de navorderingsaanslag daarom terecht met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast is vastgesteld.

De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat een aanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld, maar moet berusten op een redelijke schatting van de verzwegen inkomsten (vgl. HR 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6486, BNB 2003/203). Wanneer de inspecteur daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van de belastingplichtige, voor zover hij de juistheid van de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren (HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184, BNB 2013/181). De beoordeling of een schatting redelijk (niet willekeurig) is, behelst een minder strenge toets dan de beoordeling of en in hoeverre aannemelijk is dat de belastingplichtige een bedrag aan inkomsten niet in zijn aangifte heeft verantwoord. Die laatste beoordeling moet plaatsvinden op basis van de normale regels van stelplicht en bewijslast (vgl. HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086, BNB 2021/138, r.o. 3.3.2).

5.2.3.1. De Inspecteur heeft in de theoretische winstberekening becijferd dat belanghebbendes winst uit onderneming € 530.536 bedroeg. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op de bankafschriften van de ING bankrekening over de periode 1 januari 2016 tot en met 15 november 2016.

5.2.3.2. De Inspecteur heeft per pand de betaalde huur en de ontvangen huur uitgesplitst en gedeeld door het aantal mutaties op de ING bankrekening. Die uitkomsten representeren volgens de Inspecteur de maandelijkse huurbetalingen en -ontvangsten per pand. Vervolgens heeft hij een benaderde brutowinst als percentage van de door belanghebbende betaalde huur bepaald door de ontvangen huur per maand te delen op de per maand betaalde huur (ontvangen huur/betaalde huur -/- 100%). Panden waarvoor geen huur is ontvangen dan wel betaald en panden waarbij een negatief resultaat is behaald, heeft hij daarbij buiten beschouwing gelaten. Aldus heeft de Inspecteur het benaderde brutowinstpercentage bepaald op 61%.

5.2.3.3. De bankafschriften van de ING bankrekening over de periode 1 januari 2016 tot en met 15 november 2016 vermelden totale huurbetalingen van € 570.761. Deze betaalde huur heeft de Inspecteur geëxtrapoleerd naar een heel jaar, hetgeen uitkomt op € 652.298,51 (€ 570.761,20 * 12/10,5).

5.2.3.4. Uitgaande van een brutowinstpercentage van 61% van de betaalde huur, komt de over 2016 ontvangen huur volgens de Inspecteur uit op € 1.050.200,61 (€ 652.298,51 + (61% * € 652.298,51)) en de brutowinst uit onderneming op € 397.902,09.

5.2.3.5. De Inspecteur is er voorts van uitgegaan dat 25% van de huurtransacties in contanten plaatsvinden, zodat de winst uit onderneming uitkomt op € 530.536,12 ((€ 397.902,09/75%) * 100%).

5.2.3.6. Bij het opleggen van de navorderingsaanslag is de Inspecteur uitgegaan van een belastbare winst uit onderneming van € 500.000. Voor zover de Inspecteur daarbij is uitgegaan van een correctie van de winst uit onderneming van € 581.395 verminderd met de MKB-winstvrijstelling van € 81.395 stelt het Hof voorop dat de theoretische winstberekening de toegepaste correctie niet onderbouwt.

5.2.4.1. Met de hiervoor onder 5.2.3.1 tot en met 5.2.3.6 weergegeven werkwijze heeft de Inspecteur ook overigens niet voldaan aan de op hem rustende verplichting om de navorderingsaanslag te baseren op een redelijke schatting. De Inspecteur is er namelijk van uitgegaan dat de door hem berekende resultaten uit de huur en onderverhuur van panden volledig aan belanghebbende toekomen en dat geen enkel deel daarvan toekomt aan [A] .

5.2.4.2. Het is niet in geschil dat de huren die belanghebbende incasseerde en de huren die hij betaalde, zagen op panden die gehuurd zijn op naam van [A] . Het is onredelijk om er bij de berekening van het aan belanghebbende toekomende resultaat uit die activiteiten vanuit te gaan dat aan [A] geen enkel aandeel in dat resultaat zou toekomen. Bij dit oordeel zijn de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen. [A] heeft in december 2022 een kort geding aangespannen tegen belanghebbende waarin hij stelt (zie 2.9):

“ [A] heeft in 2014 met [belanghebbende] een (mondelinge) overeenkomst van opdracht gesloten - onder meer - inhoudende het ten behoeve van [A] opstellen van huurovereenkomsten, het innen en afdragen van huurpenningen en het bemiddelen voor [A] terzake de (verdere) exploitatie en beheer van de verhuurde woningen in de ruimste zin des woords”.

De zoon van [A] , [naam zoon] , was, naar belanghebbende onbetwist heeft aangevoerd, nauw betrokken bij de werkzaamheden van belanghebbende, onder meer doordat hij toegang had tot het kantoor van belanghebbende en daar aanwezig was, toegang had tot de ING bankrekening (via de bank-app) en toegang had tot de e-mailomgeving van belanghebbende. [A] is niet van onbesproken gedrag getuige het feit dat hij is opgenomen geweest in de Nationale Opsporingslijst en in het verleden is veroordeeld. In het onderhavige jaar verbleef [A] buiten Nederland. Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het aannemelijk dat tussen belanghebbende en [A] een (mondelinge) overeenkomst bestond op basis waarvan een deel van het resultaat uit het huren en onderverhuren van panden op naam van [A] aan laatstgenoemde toekomt. Dat de kortgedingvordering is afgewezen, maakt dit niet anders.

5.2.4.3. Het in 5.2.4.2. gegeven oordeel is mede gebaseerd op het feit dat de Inspecteur blijkens de inhoud van de brief van 19 juni 2023 (zie 2.10) voor de jaren 2018 tot en met 2021, en naar belanghebbende ter zitting onweersproken heeft verklaard, heeft geaccepteerd dat het voor die jaren bepaalde resultaat uit het huren en onderverhuren van panden gelijkelijk is verdeeld tussen belanghebbende en [A] . Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat de activiteiten in die jaren niet afweken van de activiteiten in 2016. Ter zitting heeft de Inspecteur verklaard niet te kunnen vaststellen of van een 50/50-verdeling wordt uitgegaan, omdat hij niet bij de behandeling van die jaren is betrokken. Gelet op de duidelijke tekst van de brief van 19 juni 2023 en de onweersproken verklaring van belanghebbende omtrent de aard van de activiteiten, is de verklaring van de Inspecteur onvoldoende om te concluderen dat voor de jaren 2018 tot en met 2021 niet is uitgegaan van een gelijke verdeling van het in die jaren behaalde resultaat tussen belanghebbende en [A] .

Gelet op hetgeen hiervoor in 5.2.3.1 tot en met 5.2.4.3 is overwogen, heeft de Inspecteur niet voldaan aan de op hem rustende verplichting om een redelijke schatting te maken van het resultaat dat belanghebbende heeft behaald met het innen en betalen van huur.

Nu geen sprake is van een redelijke schatting is het hoger beroep in zoverre gegrond en zal in goede justitie de in de navorderingsaanslag te begrijpen winst uit onderneming worden vastgesteld.

Voor wat betreft het resultaat uit het innen en afdragen van huren wordt de door de Inspecteur berekende brutowinst van € 530.536,12 in aanmerking genomen (zie 5.2.3.5). Tevens wordt in aanmerking genomen het door belanghebbende in hoger beroep overgelegde resultatenoverzicht, op basis waarvan het resultaat ter zake van het innen en doorbetalen van huur – voor aftrek van kosten – wordt bepaald op € 178.859. Er is geen reden te betwijfelen dat dit resultaat de rekenkundige som is van de eveneens in hoger beroep overgelegde opstelling van de resultaten per pand waarvoor belanghebbende de huren inde en betaalde minus het resultaat dat – volgens belanghebbende – is toegekomen aan [A] , temeer nu een en ander door de Inspecteur onvoldoende is weersproken. Echter, een aansluiting met de mutaties op de ING bankrekening ontbreekt en voor zover sprake is van contante ontvangsten en betalingen is er geen controle mogelijk vanwege het ontbreken van de onderliggende stukken. Ook ontbreken stukken ter onderbouwing van het aandeel in het resultaat van [A] . Alles overziende is een redelijke schatting van het in de winst uit onderneming op te nemen resultaat dat belanghebbende uit het innen en afdragen van huren – na aftrek van het aandeel in dit resultaat van [A] – heeft genoten € 285.000.

In hoger beroep heeft belanghebbende gesteld dat hij € 68.746 aan kosten heeft gemaakt. Afgezien van een onderverdeling van deze kosten in de categorieën ‘Huisvestingskosten’, ‘Kantoorkosten’, ‘Autokosten’, ‘Verkoopkosten’ en ‘Overige bedrijfskosten’ heeft belanghebbende de kosten niet onderbouwd met stukken. Verder valt op dat onder de post ‘Huisvestingskosten’ een relatief groot bedrag ‘Overige huisvestingskosten’ (€ 21.080) voorkomt en onder de post ‘Overige bedrijfskosten’ een relatief groot bedrag (€ 22.500) aan ‘Overige algemene kosten’. Belanghebbende heeft in zijn aangifte reeds € 18.824 aan kosten in aftrek heeft gebracht. Gelet op dit een en ander is er geen aanleiding voor het in aanmerking nemen van een hoger bedrag aan kosten. Daar komt bij dat uit de brief van 19 juni 2023 (zie 2.10) blijkt dat de kosten die zijn gemoeid met de activiteiten – net als de opbrengsten – gelijkelijk worden gedeeld tussen belanghebbende en [A] en belanghebbende geen enkele verklaring heeft gegeven hoe deze afspraak in het onderhavige jaar in de resultaten is verwerkt.

Uit het in hoger beroep door belanghebbende overgelegde resultatenoverzicht blijkt een post ‘Omzet diversen’ van € 3.342.

Hetgeen is overwogen onder 5.3.1 tot en met 5.3.4 leidt ertoe dat de bij de vaststelling van de navorderingsaanslag in aanmerking te nemen winst uit onderneming wordt vastgesteld op € 288.342 (€ 285.000 + € 3.342).

Slotsom

Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten en griffierecht

6. Er is aanleiding voor een veroordeling van de Inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten voor de hogerberoepsfase, welke kosten, op voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, worden vastgesteld op € 1.750 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (hoger beroep: 1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875). Tevens dient de Inspecteur aan belanghebbende het door belanghebbende in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof:

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, voor zover deze betrekking heeft op de navorderingsaanslag;

vernietigt de uitspraak op het bezwaar, voor zover deze betrekking heeft op de navorderingsaanslag;

gelast de Inspecteur de navorderingsaanslag te verminderen tot een berekend naar een winst uit onderneming van € 288.342;

gelast de Inspecteur de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig te verminderen;

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.750; en

gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 138 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, P.J.J. Vonk en R.M. Hermans, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon. De beslissing is op 12 november 2024 in het openbaar uitgesproken

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl)

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2025/24 FutD 2025-0075 Viditax (FutD) 2025011301 V-N 2025/10.22 met annotatie van Redactie
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?