ECLI:NL:GHDHA:2024:280

ECLI:NL:GHDHA:2024:280, Gerechtshof Den Haag, 08-02-2024, BK-23/732

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 08-02-2024
Datum publicatie 02-12-2025
Zaaknummer BK-23/732
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:1859
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830

Samenvatting

Aanmaningskosten; uitspraak op bezwaar en uitspraak Rechtbank niet prematuur; bewijsaanbod gepasseerd

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Uitspraak van 8 februari 2024

[X] te [Z] , belanghebbende,

Team Belastingrecht

enkelvoudige kamer

nummer BK-23/732

in het geding tussen:

(gemachtigde: A. van Velsen)

en

de invorderingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de Invorderingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 23 juni 2023, nummer SGR 22/751.

Procesverloop

De Invorderingsambtenaar heeft op 23 juli 2021 wegens het onbetaald blijven van aanslagen van 31 januari 2019 in de lokale heffingen (watersysteemheffing en zuiveringsheffing) voor het jaar 2019 van € 279,70 (de aanslagen) aan belanghebbende € 8 aanmaningskosten in rekening gebracht. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Invorderingsambtenaar deze kosten gehandhaafd.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Invorderingsambtenaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Een griffierecht van € 50 is geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is geen griffierecht geheven. De Invorderingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 5 januari 2024 via de digitale postkamer nadere stukken ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 16 januari 2024, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van belanghebbende in de zaak met nummer BK-23/484. Wat ter zitting in die zaak is aangevoerd, wordt aangemerkt als eveneens te zijn aangevoerd in de onderhavige zaak. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

Belanghebbende heeft eind februari 2019 verzocht om kwijtschelding van het bedrag van de aanslagen en om uitstel van betaling verzocht.

Bij brief van 21 mei 2019 (de beschikking) heeft de Invorderingsambtenaar belanghebbende meegedeeld:

“Uit de door u verstrekte (financiële) gegevens blijkt :

- dat wij niet alle informatie van u hebben ontvangen waar wij om gevraagd hebben.

Besluit

Op basis hiervan hebben wij besloten uw kwijtscheldingsverzoek buiten behandeling te stellen. Wij nemen uw kwijtscheldingsverzoek opnieuw in behandeling als wij de gevraagde stukken hebben ontvangen.

Betalingsinformatie

Het uitstel van betaling is hiermee komen te vervallen. De aanslag is nog niet (volledig) voldaan. Het openstaande bedrag is € 279,70 (zonder eventuele invorderingsrente), vastgesteld op 20 mei 2019. Wij vragen u het volledige openstaande bedrag binnen veertien dagen na dagtekening van deze brief te betalen (...).”

De Invorderingsambtenaar heeft op 22 juni 2019 wegens het onbetaald blijven van de aanslagen aan belanghebbende € 7 aanmaningskosten in rekening gebracht. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Invorderingsambtenaar deze kosten gehandhaafd. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de Rechtbank. Vanwege schending van de hoorplicht heeft de Rechtbank bij uitspraak van 24 maart 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:3646, het beroep gegrond verklaard en de zaak teruggewezen naar de Invorderingsambtenaar.

Tijdens de mondelinge behandeling van een zaak over aanmaningskosten voor het jaar 2017 ter zitting van het Hof van 19 juni 2020 hebben partijen bij wijze van compromis overeenstemming bereikt, inhoudend: 1) dat de openstaande kosten met betrekking tot de aan belanghebbende voor de jaren 2017, 2018 en 2019 opgelegde aanslagen in de lokale heffingen worden verminderd tot nihil, 2) dat belanghebbende toezegt alle daarop betrekking hebbende lopende procedures in te trekken, 3) dat de Invorderingsambtenaar toezegt eventuele in verband met die andere procedures door belanghebbende betaalde griffierechten aan hem te vergoeden en 4) dat de Invorderingsambtenaar belanghebbende voor deze procedure en al die andere procedures in totaal € 200 aan proceskosten vergoedt. Het Hof heeft dit compromis vastgelegd in zijn uitspraak van 3 juli 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1230.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank van 24 maart 2020 in hoger beroep gekomen bij het Hof. De mondelinge behandeling van dit hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 18 februari 2021. Het Hof heeft dit hoger beroep bij uitspraak van 18 maart 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:766, ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof van 3 juli 2020 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1997, het beroep in cassatie met toepassing van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie niet-ontvankelijk verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof van 18 maart 2021 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 25 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:322, het beroep in cassatie ongegrond verklaard met toepassing van artikel 81, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie.

Belanghebbende heeft de aanslagen niet tijdig betaald. Daarop heeft de Invorderingsambtenaar met dagtekening 23 juli 2021 een aanmaning verzonden en daarbij € 8 aanmaningskosten in rekening gebracht. Met dagtekening 5 augustus 2021 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanmaningskosten.

Op 23 november 2021 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden met de gemachtigde van belanghebbende. De Invorderingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 december 2021 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Invorderingsambtenaar als verweerder:

“Geschil

5. In geschil is of verweerder prematuur uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Daarnaast is in geschil of de hoorplicht is geschonden.

6. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat verweerder hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld het pro forma bezwaarschrift nader te motiveren, en dat sprake is van een premature uitspraak op bezwaar nu het kwijtscheldingverzoek van eiser nog in behandeling was. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat niet alle stukken zijn overgelegd en dat hij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase. Eiser verzoekt om terugwijzing.

7. Verweerder heeft de stellingen van eiser gemotiveerd weersproken en heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Uitspraak op bezwaar

8. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder prematuur uitspraak op bezwaar heeft gedaan door haar niet in de gelegenheid te stellen haar pro forma bezwaarschrift aan te vullen voor het doen van de uitspraak op bezwaar.

9. Artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bezwaarschrift ten minste de gronden van het bezwaar moet bevatten. Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet aan één van de vereisten van artikel 6:5 van de Awb wordt voldaan.

10. Eiser heeft een bezwaarschrift ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het door eiser ingediende bezwaarschrift een grond, namelijk dat er reeds een verzoek om kwijtschelding is gedaan met betrekking tot de aanslag waarbij eiser tot uitstel van betaling heeft verzocht, en voorts dat eiser de rechtmatigheid van de aanmaning bestrijdt. Verweerder kon uit die grond afleiden waar het bezwaar van eiser betrekking op had en op grond daarvan een uitspraak op bezwaar doen. Daarnaast heeft verweerder bij brief van 21 oktober 2021 eiser de gelegenheid gegeven om voor 22 november 2021 zijn bezwaar nader te motiveren, waar eiser geen gehoor aan heeft gegeven. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder aldus niet prematuur uitspraak op bezwaar heeft gedaan.

Hoorplicht

11. De rechtbank volgt het standpunt van eiser niet dat sprake is van schending van de hoorplicht. Vaststaat namelijk dat op 23 november 2021 om 10:30 uur een hoorgesprek heeft plaatsgevonden met de gemachtigde van eiser betreffende het bezwaar tegen de aanmaningskosten. Eiser is dus in de gelegenheid geweest om zijn bezwaren mondeling toe te lichten en heeft van die gelegenheid gebruikt gemaakt.

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

In geschil is of de Rechtbank het beroep tegen de uitspraak van de Invorderingsambtenaar terecht ongegrond heeft verklaard.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot terugwijzing van de zaak naar de Invorderingsambtenaar.

De Invorderingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

De griffier heeft bij brief van 13 september 2023, mede op basis van gegevens die belanghebbende heeft overgelegd, vooralsnog afgezien van het heffen van griffierecht. De griffier heeft geen nadere gegevens bij belanghebbende opgevraagd. Gelet daarop wijst het Hof het beroep op betalingsonmacht inzake griffierecht in deze zaak definitief toe.

Belanghebbende stelt dat de uitspraak van de Rechtbank prematuur is, omdat de Rechtbank geen onderzoek heeft gedaan naar de rechtsgeldigheid van de bestreden aanmaningskosten en daar inhoudelijk uitspraak over heeft gedaan. Die grief heeft belanghebbende uitsluitend gegrond op de stelling dat de behandeling van het kwijtscheldingsverzoek slechts was opgeschort en de aanslagen derhalve niet invorderbaar waren.

De Invorderingsambtenaar heeft bij de beschikking besloten belanghebbendes kwijtscheldingsverzoek buiten behandeling te stellen omdat hij niet alle verzochte informatie had ontvangen, en heeft daarbij tevens het verleende uitstel van betaling laten vervallen. In de beschikking is belanghebbende gevraagd het volledige openstaande bedrag van € 279,70 binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking te betalen. Naar het oordeel van het Hof is de mededeling in de beschikking dat het uitstel van betaling is vervallen, duidelijk en ondubbelzinnig. De daaraan voorafgaande mededeling dat het kwijtscheldingsverzoek opnieuw in behandeling zal worden genomen als de gevraagde stukken zijn ontvangen, betekent weliswaar dat de mogelijkheid bestond dat alsdan wederom uitstel van betaling zou worden verleend, maar kan redelijkerwijs niet bij belanghebbende de indruk hebben gewekt dat het betalingsuitstel nog voortduurde.

Vast staat dat belanghebbende de Invorderingsambtenaar nadien niet heeft voorzien van meer informatie. Ter zitting heeft de Invorderingsambtenaar onweersproken gesteld dat belanghebbende nog één week had gekregen om stukken in te dienen, maar dat hij niets heeft ingediend. Uit een brief van de Invorderingsambtenaar van 19 november 2019 blijkt dat partijen een betalingsregeling hadden getroffen, maar dat die is beëindigd omdat belanghebbende de regeling niet nakwam.

Gelet op het in 5.3 en 5.4 vermelde waren de aanslagen invorderbaar, heeft de Invorderingsambtenaar belanghebbende terecht aangemaand te betalen en heeft hij de aanmaningskosten terecht in rekening gebracht. De uitspraak op bezwaar is niet prematuur en de uitspraak van de Rechtbank evenmin.

Wat betreft belanghebbendes grief over de hoorplicht sluit het Hof zich aan bij het oordeel van de Rechtbank in r.o. 11. Ten aanzien van de grief dat geen inzage zou zijn verleend in alle onderliggende stukken, heeft de Invorderingsambtenaar gesteld dat belanghebbende beschikte over alle relevante stukken en hem niet duidelijk is welke stukken belanghebbende nog had willen inzien. Nu belanghebbende ondanks dit verweer niet duidelijk heeft gemaakt welke stukken zouden hebben ontbroken, faalt deze grief.

Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, leidt niet tot andere oordelen dan hiervóór zijn gegeven.

Ten slotte oordeelt het Hof over het door belanghebbende in het hogerberoepschrift gedane bewijsaanbod als volgt. Voor zover het bewijsaanbod ziet op getuigenbewijs, is belanghebbende in de uitnodiging voor de zitting van het Hof gewezen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen of op te roepen. Voor zover het bewijsaanbod ziet op het bijbrengen van schriftelijk bewijs, is belanghebbende in de uitnodiging voor de zitting erop gewezen dat nadere stukken uiterlijk tien dagen voor de zitting moeten worden ingediend. Dat belanghebbende van deze mogelijkheden geen gebruik gemaakt heeft, komt voor zijn rekening en risico. Het belang van een doelmatige procesgang weegt zwaarder dan het belang dat belanghebbende heeft bij het alsnog overleggen van het aangeboden bewijs. Het Hof passeert daarom het bewijsaanbod.

Proceskosten

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de griffier

L. van den Bogerd. De beslissing is op 8 februari 2024 in het openbaar uitgesproken.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?