Gerechtshof Den Haag
Meervoudige economische kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Rotterdam van 10 mei 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
domicilie kiezende op het adres:
[woonadres], [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 7 december 2019 tot en met 22 januari 2020 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen, immers heeft hij gehandeld in strijd met artikel 4 van de CITES-Basisverordening 338/97, door
-één paar schoenen vervaardigd van krokodillenleer (Crocodylus silamensis) en/of
-één riem vervaardigd van krokodillenleer ( Crocodylus silamensis) en/of
-één gesp vervaardigd van krododillenleer ( Crocodylus slamensis) en/of
-één pasjeshouder geheel of gedeeltelijk vervaardigd van krokodillenleer (Crocodylus slamensis),
althans specimens van in bijlage A bij deze verordening genoemde soorten in de Gemeenschap heeft binnengebracht, zonder dat een invoervergunning was voorgelegd die afgegeven had moeten worden door een administratieve instantie van de Lid- Staat van bestemming, te weten de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland in Nederland.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de opgelegde straf, met dien verstande dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 1.000,-. subsidiair 20 dagen hechtenis.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in of omstreeks de periode van 7 december 2019 tot en met 22 januari 2020 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen, immers heeft hij gehandeld in strijd met artikel 4 van de CITES-Basisverordening 338/97, door
- één paar schoenen vervaardigd van krokodillenleer (Crocodylus siamensis) en/of
-één riem vervaardigd van krokodillenleer (Crocodylus siamensis) en/of
-één gesp vervaardigd van krododillenleer (Crocodylus siamensis) en/of
-één pasjeshouder geheel of gedeeltelijk vervaardigd van krokodillenleer (Crocodylus siamensis),
althans specimens van in bijlage A bij deze verordening genoemde soorten in de Gemeenschap heeft binnengebracht, zonder dat een invoervergunning was voorgelegd die afgegeven had moeten worden door een administratieve instantie van de Lid- Staat van bestemming, te weten de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland in Nederland.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverwegingen
Het hof gaat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van het navolgende.
Tijdens een verblijf in Thailand in 2019 heeft de verdachte een paar krokodillen leren schoenen gekocht bij [bedrijf 1] te Bangkok.
Omdat de schoenen niet in zijn maat beschikbaar waren, is de verdachte met de verkoper overeengekomen dat de schoenen, zodra deze gereed waren, samen met andere door de verdachte in Thailand gekochte goederen naar Nederland verscheept zouden worden. Bij de prijs inbegrepen waren een van krokodillenleer vervaardigde riem met gesp, een met krokodillenleer vervaardigde gesp en een van krokodillenleer vervaardigde pasjeshouder (hierna gezamenlijk te noemen: de goederen).
Op 28 oktober 2019 is de creditcard van de verdachte gedebiteerd voor 30.000 Thaise bath (p. 81 dossier) ten behoeve van [bedrijf 1] te Bangkok.
In het dossier bevindt zich een document, afgegeven door de Thaise autoriteiten op 12 november 2019 en gedagtekend 16 januari 2020 (p. 24 dossier). Hierop staat onder meer vermeld:
Export
[verdachte]
Freshwater crocodile Crocodylus siamensis Shoes Country of origin Thailand
Op 7 december 2019 is een container met daarin een pakket met de goederen in Rotterdam binnengekomen.
Op 31 januari 2020 is namens de verdachte een zogeheten retrospectieve Aanvraag CITES-vergunning ingediend bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Op deze aanvraag staat onder meer vermeld:
Land uitvoer : Thailand
Invoerder : [verdachte] (…)
Uitvoerder : [bedrijf 2] (…) Thailand
Specimen 1 Crocodylus siamensis - Siamese Crocodile
Vorm : LPS – Lederproducten (klein)
Hoeveelheid : 1 aantal
Oorsprong : D – Bijlage A commercieel. In gevangenschap gefokte dieren of gekweekte planten (…)
Bij beslissing van 27 maart 2020 is de aanvraag van de CITES-vergunning door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland afgewezen.
Beoordeling
Ingevolge artikel 4, lid 1 van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (hierna: de Verordening) mogen specimens van in bijlage A bij de Verordening genoemde soorten slechts in de Gemeenschap worden binnengebracht, indien de nodige controles zijn verricht en vooraf in het douanekantoor aan de grens waar de specimens worden binnengebracht, een invoervergunning is voorgelegd die werd afgegeven door een administratieve instantie van de Lid-Staat van bestemming.
Crocodylus Siamensis staat vermeld in bijlage A van de Verordening.
De verdediging heeft aangevoerd dat weliswaar sprake is van de soort Crocodylus siamensis, maar dat het een gekweekte variant betrof, waardoor andere regelgeving van toepassing zou zijn.
Het hof heeft niet op grond van een officieel document of certificaat kunnen vaststellen of de in deze strafzaak genoemde van/met krokodillenleer vervaardigde goederen inderdaad zijn vervaardigd van een in gevangenschap geboren en gefokt of kunstmatig gekweekte Crocodylus siamensis. Echter, gelet op de door de verdediging ter terechtzitting bij het hof overgelegde stukken en het standpunt van de advocaat-generaal hieromtrent, zal het hof bij de verdere beoordeling dit in het voordeel van de verdachte wel tot uitgangspunt nemen.
Ingevolge artikel 7, lid 1 van de Verordening geldt – verkort weergegeven en voor zover in deze zaak relevant – dat op specimens van de in bijlage A genoemde soorten die in gevangenschap zijn geboren en gefokt of kunstmatig zijn gekweekt, de bepalingen van toepassing zijn die gelden voor specimens van in bijlage B genoemde soorten.
Ingevolge artikel 4, lid 2 van de Verordening mogen specimens van in bijlage B bij de Verordening genoemde soorten slechts in de Gemeenschap worden binnengebracht, indien de nodige controles zijn verricht en vooraf in het douanekantoor aan de grens waar de specimens worden binnengebracht, een invoervergunning is voorgelegd die werd afgegeven door een administratieve instantie van de Lid-Staat van bestemming.
Uit het voorgaande volgt dat ten behoeve van de door de verdachte ingevoerde goederen – ook in het geval deze goederen die gemaakt waren met/van leer van gekweekte krokodillen - vooraf in het douanekantoor een invoervergunning had moeten worden voorgelegd.
Het hof stelt vast dat dit niet is geschied, hetgeen overigens ook tussen partijen in confesso is.
De verdediging heeft subsidiair nog aangevoerd dat achteraf bezien helemaal geen invoervergunning vereist was. De verdediging heeft hierbij ten eerste een beroep gedaan op artikel 7, lid 3 van de Verordening. Ingevolge dat artikel – voor zover voor de beoordeling in deze zaak relevant – geldt dat in afwijking van hetgeen is bepaald in artikel 4 van de Verordening, de daarin vervatte bepalingen niet van toepassing zijn op dode specimens, delen daarvan of daaruit verkregen produkten van soorten genoemd in de bijlagen A tot en met D bij de Verordening die vallen onder persoonlijke bezittingen of huisraad die in de Gemeenschap worden binnengebracht dan wel uit de Gemeenschap worden uitgevoerd of weder uitgevoerd (…).
Wat dient te worden verstaan onder "persoonlijke bezittingen of huisraad" is geregeld in artikel 2 sub j van de Verordening: dode specimens alsmede delen en producten daarvan, die een particulier toebehoren en die deel uitmaken van zijn gewone persoonlijke bezittingen of daartoe bestemd zijn.
Blijkens artikel 1 van Resolutie 13.7 van de Conferentie van de Partijen bij de CITES (hierna: de Resolutie) is dit begrip nader uitgewerkt en dient onder “persoonlijke bezittingen of huisraad” zoals neergelegd in artikel 7, lid 3 van de Verordening te worden verstaan:
Specimens die:
a. a) persoonlijk eigendom is van of in bezit is voor niet-commerciële doeleinden;
b) rechtmatig verkregen; en
c) op het tijdstip van invoer, uitvoer of wederuitvoer:
i. i) gedragen, vervoerd of opgenomen in persoonlijke bagage; of
ii) een deel van een verhuizing van het huishouden.
Uit voorgaande regelgeving en jurisprudentie (vgl HvJ EU, 12 mei 2021, nr. C-87/20, ECLI:EU:C:2021:382, onder 31) volgt, dat het begrip “persoonlijke bezittingen of huisraad” van toepassing is op specimens die op persoonlijke titel voor niet-commerciële doeleinden worden gehouden of in bezit zijn, legaal zijn verkregen en worden vervoerd of meegenomen in de persoonlijke bagage dan wel deel uitmaken van een verhuizing. Nu uit de feiten volgt dat de verdachte de goederen in zijn opdracht heeft laten verschepen naar Nederland, en er dus geen sprake is geweest van vervoer in de persoonlijke bagage van de verdachte, slaagt dit verweer reeds hierom niet.
Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat achteraf bezien geen invoervergunning vereist was, nu sprake zou zijn van de situatie zoals neergelegd in artikel 57, lid 5 van Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (hierna: de Uitvoeringsverordening). Dit verweer slaagt om twee redenen niet.
Ingevolge dit artikel is – verkort en voor zover relevant voor deze zaak – weergegeven dat geen invoervergunning vereist is voor ten hoogste vier dode, bewerkte specimens van Crocodylia spp. per persoon, zoals genoemd in Bijlage B bij de Verordening. Zoals hiervoor reeds door het hof aangehaald, volgt uit artikel 7, lid 1 van de Verordening enkel dat indien sprake is van specimens zoals genoemd in bijlage A, de bepalingen van toepassing zijn die gelden voor specimens van in bijlage B genoemde soorten, en niet zoals de verdediging lijkt te betogen dat, nu sprake is van een gekweekte Crocodilus siamensis, de krokodillensoort in kwestie moet worden beschouwd als vallende onder Bijlage B van de Verordening, te weten Crocodylia spp.
Dit vindt bevestiging in artikel 57, lid 2 van de Uitvoeringsverordening, waarin uitdrukkelijk wordt bepaald dat de in artikel 7, lid 3 Verordening genoemde uitzondering niet geldt voor in bijlage A van de Verordening genoemde specimens.
Bovendien is niet gesteld noch is het hof gebleken dat sprake is van een van de situaties zoals genoemd in het eerste lid van artikel 57, lid 2 van de Uitvoeringsverordening, te weten (a) dat het specimen deel uitmaakt van de persoonlijke bagage van reizigers afkomstig uit derde landen, (b) dat het specimen deel uit maakt van de persoonlijke bezittingen van natuurlijke personen die, komende vanuit een derde land, hun gewone verblijfplaats kiezen in de gemeenschap, of (c) dat het betreft jachttrofeeën die door een reiziger zijn verworven en op een latere datum worden ingevoerd.
Ook om die reden slaagt het verweer niet.
Het verweer van de verdediging dat sprake is van verontschuldigbare dwaling in die zin dat hij dacht dat er ten tijde van de invoer een vergunning zou zijn, slaagt evenmin. Ter onderbouwing van dit standpunt is door de verdediging aangevoerd dat de verdachte (voldoende) zorg heeft betracht die van hem als particulier kon worden gevergd met het oog op voorkoming van invoer zonder de juiste vergunning. De verdachte heeft onderzoek gedaan naar de professionaliteit en betrouwbaarheid van de verkoper. Zo stond de winkel genoemd in de Lonely Planet, heeft hij de website Tripadvisor geraadpleegd (maximale review van 5 bolletjes) en hadden lokale vrienden hem verteld dat ze goede ervaringen hadden met de kwaliteit van de producten en de klantvriendelijkheid in de winkel. Ter plaatse heeft de verkoper hem een boek laten zien met daarin een overzicht van krokodillensoorten en de (invoer) vereisten die daar per land voor gelden. Hij zou hebben toegezegd zorg te dragen voor alle vereiste vergunningen. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij er op heeft vertrouwd dat de verkoper het goed zou doen. Hij heeft zich ervan overtuigd “dat het allemaal mocht op grond van de CITES-wetgeving”, onder meer door op de telefoon de douane-app te bekijken.
Wat daar ook van zij, de verdachte had behoren te weten dat de export en import van goederen, gemaakt van een beschermde diersoort, aan beperkingen is onderworpen.
Van hem mag worden verwacht dat hij zich voldoende op de hoogte stelt van de geoorloofdheid van de voorgenomen invoer van goederen.
Dat verdachte zich zeer bewust was van importrestricties blijkt ook uit zijn verklaringen. Zo heeft de verdachte zelf verklaard dat hij tegen de verkoper zou hebben gezegd dat hij in Nederland woont en dat Nederland streng is met de invoer van bedreigde diersoorten (p. 18 dossier) en ter terechtzitting bij het hof heeft de verdachte verklaard dat hij zich in Thailand al realiseerde dat er mogelijk restricties zaten op de invoer van krokodillenleer.
Hoewel de wetgeving complex is en het verschepen van de goederen een extra complicerende factor vormt, had het op de weg van de verdachte gelegen zelf (meer) onderzoek te doen naar de invoerbepalingen. Het enkele raadplegen van de douane-app beschouwt het hof in dat kader onvoldoende en de verdachte kon zich niet slechts verlaten op informatie van lokale vrienden, een vermelding van de winkel in een reisgids en het raadplegen van reviews op het internet. Geenszins heeft de verdachte hieraan het vertrouwen kunnen ontlenen dat de schoenverkoper een expert was op het gebied van de CITES-bepalingen. Het beroep op verontschuldigbare dwaling - en dus afwezigheid van alle schuld - wordt mitsdien verworpen.
De verdediging heeft voorts nog een beroep gedaan op de leer van het functioneel daderschap en in het verlengde daarvan de zogeheten IJzerdraad-criteria. De verdachte heeft zelf geen feitelijke handelingen verricht en hij heeft niet aanvaard dat de invoer van de goederen zonder de vereiste invoervergunning zou plaatsvinden. Om die reden zou vrijspraak moeten volgen, aldus de verdediging. Vaststaat dat de verdachte opdracht heeft gegeven tot het (doen laten) invoeren van goederen, vervaardigd van leer afkomstig van de Crocodylus siamensis in Nederland en dat deze invoer feitelijk ook heeft plaatsgevonden. De verdachte heeft er hierbij op vertrouwd dat de verkoper zou zorgdragen voor de vereiste vergunningen. Hij heeft zich er hierna niet van vergewist dat de vereiste vergunningen waren afgegeven alvorens de goederen werden geëxporteerd en geïmporteerd. De schoenverkoper heeft de verscheping en exportaanvraag als extra 'service' op zich genomen. De invoer geschiedde in opdracht van de verdachte, in het belang van de verdachte en onder verantwoordelijkheid van de verdachte. Bij die stand concludeert het hof dat sprake is van een situatie dat de verdachte er over kon beschikken dat de uit- en invoer van de goederen al dan niet zou plaatsvinden.
Nu uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat het handelen van de verdachte van meet af aan gericht is geweest op de invoer van deze goederen in Nederland, is naar het oordeel van het hof sprake geweest van (vol) opzet.
Beslissing omtrent voorwaardelijk getuigenverzoek
De verdediging heeft nog het voorwaardelijk verzoek gedaan om de verkoper van de goederen, [verkoper] als getuige te horen, indien
- de verdachte niet integraal wordt vrijgesproken
- de verdachte niet wordt ontslagen van alle rechtsvervolging
- het hof niet aanneemt dat met [bedrijf 1] was afgesproken dat zij de benodigde vergunningen zouden verzorgen en/of dat sprake is van leer afkomstig van een kweekkrokodil van [bedrijf 2].
Gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen, acht het hof het horen van deze getuige niet noodzakelijk voor de beantwoording van vragen in het kader van het bepaalde in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. Het voorwaardelijk verzoek wordt dan ook afgewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens artikel 3.37 eerste lid, van de Wet natuurbescherming
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte
is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft goederen, vervaardigd van/met leer van een gekweekte variant van een bedreigde diersoort in Nederland gebracht zonder dat hij daarvoor de vereiste invoervergunning had.
Dat is een strafbaar feit, waarvoor in beginsel oplegging van een geheel onvoorwaardelijke geldboete passend is.
Gelet op het feit dat de schoenen, die een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen, en de overige goederen waarschijnlijk inmiddels zijn vernietigd en de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken, is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke geldboete, als waarschuwing aan de verdachte om zich in de toekomst op de hoogte te stellen van de vigerende regelgeving en zich daaraan te houden.
Gelet op het tijdsverloop kan worden volstaan met een proeftijd van 1 jaar. Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de geldboete rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 3.37 van de Wet natuurbescherming, artikel 4.3 van de Omgevingswet en artikel 11.93 van het Besluit activiteiten leefomgeving, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 11 februari 2021, onder CJIB nummer 9132 5420 0418 6387.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd
van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door mr. E.C. van Veen, mr. H.M.D. de Jong en mr. M.C. Bruining, in bijzijn van de griffier mr. C.E. Koppelaars.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 februari 2024.