GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 3 april 2024
[X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Team Belastingrecht
enkelvoudige kamer
nummer BK-23/47
in het geding tussen:
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 8 december 2022, nummer SGR 21/5529.
Procesverloop
De Inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (mrb) opgelegd. Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft hij een verzuimboete opgelegd van 100%.
De Inspecteur heeft het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking bij uitspraak op bezwaar afgewezen.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep in gesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 49. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
verklaart het beroep voor zover gericht tegen de naheffingsaanslag ongegrond;
verklaart het beroep voor zover gericht tegen de boetebeschikking gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;
vermindert de boetebeschikking tot € 1.490,40 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;
veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 1.000;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 759;
draagt verweerder op het griffierecht van € 49 aan eiser te vergoeden.”
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 136. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting nog een pleitnota ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in Den Haag op 22 maart 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende is blijkens de kentekenregistratie vanaf 29 oktober 2018 houder van een Rolls Royce, type Phantom Drophead Coupé met het kenteken [kenteken] (de auto).
Gedurende de periodes van 5 februari 2019 tot en met 3 februari 2020, van
4 februari 2020 tot en met 16 maart 2020 en van 17 maart 2020 tot en met heden is de
tenaamstelling van de auto in het kentekenregister door de Dienst Wegverkeer (RDW)
geschorst in de zin van hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994.
Op 6 september 2019 omstreeks 17.41 uur is met elektronische camerabeelden (op
de Rijksweg A20) geconstateerd dat met de auto is gebruikgemaakt van de openbare weg.
Naar aanleiding van deze constatering is over de periode 5 februari 2019 tot en met
5 december 2019 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd tot een bedrag
van € 1.656, alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 1.656, zijnde 100% van de
nageheven belasting.
Oordeel van de Rechtbank
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
3. De Rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“Naheffingsaanslag
8. Op grond van artikel 35 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet
MRB) kan bij constatering van het gebruik van de weg met een motorrijtuig tijdens een voor
dat motorrijtuig geldende schorsing de belasting worden nageheven. De na te heffen
belasting wordt berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie
maanden met als laatste tijdvak dat waarin het gebruik van de weg is geconstateerd. Hierbij
is het niet relevant hoe lang gedurende de schorsing van het kenteken gebruik is gemaakt
van de openbare weg.[2]
9. Tussen partijen is niet in geschil dat met de auto gebruik is gemaakt van de
openbare weg gedurende de schorsing van het kenteken. Nu sprake is van het gebruik van
de weg gedurende de tijd dat het kenteken van de auto was geschorst, is in beginsel terecht
aan eiser een naheffingsaanslag opgelegd. Bij de berekening van de naheffingsaanslag heeft
verweerder rekening gehouden met de betaalde motorrijtuigenbelasting over de periode
6 december 2018 tot en met 4 februari 2019. Verweerder heeft de naheffingsaanslag
derhalve naar het juiste bedrag opgelegd.
10. De rechtbank overweegt voorts dat niet is gebleken dat de nageheven belasting op
een te hoog bedrag is vastgesteld. De rechtbank overweegt dat het bij de toepassing van het
bepaalde in artikel 35, tweede lid, van de wet MRB niet relevant is hoe lang gedurende de
schorsing van het kenteken gebruik is gemaakt van de openbare weg. De schorsing is een
begunstigende regeling die eiser vrijstelt van de heffing van motorrijtuigenbelasting. Iedere
overtreding, ook van geringe aard, leidt tot een naheffingsaanslag. Daarnaast is het de
verantwoordelijkheid van eiser om zich op de hoogte te stellen van de geldende en relevante
wet- en regelgeving inzake de schorsing en ervoor zorg te dragen dat hij te allen tijde
voldoet aan de voorwaarden die aan de schorsing verbonden zijn. Dat heeft eiser niet gedaan
en dat dient voor zijn rekening te komen.
Onrechtmatig verkregen bewijs
11. Eiser heeft aangevoerd dat het bewijs onrechtmatig, namelijk in strijd is met artikel
8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM), is verkregen. Artikel 8
van het EVRM luidt als volgt:
“ 1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn
woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht,
dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is
in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn
van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van
de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van
anderen.”
12. Uit de eis dat een inmenging in de uitoefening van het recht op respect voor het
privéleven moet zijn voorzien bij wet (“in accordance with the law”) vloeit voort dat die
inmenging moet berusten op een naar behoren bekend gemaakt wettelijk voorschrift waaruit
de burger met voldoende precisie kan opmaken welke op zijn privéleven betrekking
hebbende gegevens met het oog op de vervulling van een bepaalde overheidstaak kunnen
worden verzameld en vastgelegd, en onder welke voorwaarden die gegevens met dat doel
kunnen worden bewerkt, bewaard en gebruikt.[3] Voor het opleggen van de naheffingsaanslag
is uitsluitend de constatering van het gebruik van de openbare weg relevant. Daarvoor is
voor verweerder in artikel 77a van de Wet MRB en artikel 29a van het Uitvoeringsbesluit
motorrijtuigenbelasting 1994 de expliciete bevoegdheid neergelegd om gebruik te maken
van de camerabeelden van de politie. Het bewijs is dus niet onrechtmatig verkregen.
Schending van het Unierecht
13. Eiser stelt dat de heffing van MRB en het opleggen van de verzuimboete is
onderworpen aan het Unierecht. De rechtbank is van oordeel dat het heffen van MRB niet
binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht valt, omdat (1) de heffing van MRB
een nationaalrechtelijke aangelegenheid is, (2) de heffing in concrete een zuiver interne
situatie zonder mogelijke schending van unierechtelijke verkeersvrijheden betreft en (3)
voor zover het de verzuimboete betreft, deze is opgelegd op grond van nationaal recht,
terwijl met die boete niet wordt beoogd de schending van unierechtelijke normen te
bestraffen.[4]
Verzuimboete
14. Op grond van artikel 37 van de Wet MRB in samenhang met artikel 67c van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen en het bepaalde in paragraaf 34 van het Besluit
Bestuurlijke Boeten Belastingdienst kan verweerder in geval van gebruik van de openbare
weg met een motorrijtuig tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing een
verzuimboete opleggen van ten hoogste 100% van het bedrag aan belasting dat niet of
gedeeltelijk niet is betaald met een maximum van € 5.514. De verzuimboete heeft tot doel
een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Bij het opleggen van een
verzuimboete wordt geen onderscheid gemaakt in de mate van schuld of nalatigheid, met
dien verstande dat bij afwezigheid van alle schuld (avas) het opleggen ervan achterwege
behoort te blijven.
15. De rechtbank stelt voorop dat het de verantwoordelijkheid van eiser is om feiten en
omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die kunnen leiden tot de
conclusie dat sprake is van avas. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hier niet aan
voldaan en is dan ook geen sprake van avas. Ambtshalve ziet de rechtbank in de duur van de
procedure aanleiding om de boete te matigen. De rechtbank stelt vast dat de redelijke
termijn wat betreft de boete is aangevangen met het bezwaar van 18 februari 2020 en dat
sinds die datum tot het moment waarop in deze zaak uitspraak wordt gedaan, twee jaar en
(afgerond) tien maanden zijn verstreken. Van bijzondere omstandigheden die een langere
termijn dan twee jaar rechtvaardigen is de rechtbank niet gebleken. De redelijke termijn is
dan ook met (afgerond) tien maanden overschreden. De rechtbank heeft in die
overschrijding aanleiding gezien de boete, conform de door gerechtshof
Amsterdam geformuleerde uitgangspunten [5], te matigen met 10% tot een bedrag van
€ 1.490,40. Nu matiging van de boete ambtshalve plaatsvindt, leidt dit niet tot een gegrond
beroep.
Vergoeding van immateriële schade
16. Eiser heeft verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade in
verband met de duur van de behandeling van het geschil. Bij de beoordeling van de vraag of
de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die
zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005.[6] Een periode van twee
jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Hiervan
komt een halfjaar toe aan de bezwaarfase.
17. Het bezwaar is in dit geval ontvangen op 18 februari 2020. Tussen de indiening van
het bezwaarschrift en deze uitspraak van 8 december 2022 is een periode van twee jaar en
afgerond tien maanden verstreken. Dit is meer dan de redelijk te achten termijn van twee
jaar voor de behandeling van het bezwaar en beroep tezamen.
18. Verweerder heeft gesteld dat de redelijke termijn verlengd dient te worden omdat
het wegens corona moeilijk was om een hoorgesprek in te plannen. De rechtbank ziet hierin,
anders dan verweerder, geen aanleiding om de termijn wegens bijzondere omstandigheden
te verlengen. De redelijke termijn is derhalve met (afgerond) tien maanden overschreden.
Daardoor bestaat recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding
van de redelijke termijn van € 500 per halfjaar (naar boven afgerond) waarmee de redelijke
termijn is overschreden. De overschrijding is geheel toe te rekenen aan de bezwaarfase.
Verweerder dient daarom een bedrag van € 1.000 aan eiser te vergoeden.
Proceskostenvergoeding
19. De rechtbank ziet vanwege de overschrijding van de redelijke beslistermijn
aanleiding voor een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Deze kosten stelt de
rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde
beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759 (1 punt voor het indienen van het
beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759
en een wegingsfactor van 0,5). De rechtbank gaat uit van een wegingsfactor van 0,5 nu
uitsluitend een kostenvergoeding wordt toegekend wegens de overschrijding van de
redelijke termijn.
(…)
2 Hoge Raad 25 oktober 2013, ECL1:NL:HR:2O13:973
3 Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:286.
4 vgl. HvJ 26 februari 2013, nr. C-617/10, ECLl:EU:C:2013:105 in de zaak Akerberg Fransson r.o.
28 en HR 9 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2082.
5 ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298.
6 ECLI:NL:HR:2005:A09006.”
In geschil is of de uitspraak van de Rechtbank juist is.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, de naheffingsaanslag en de verzuimboete, en tot vergoeding van de werkelijke proceskosten, het griffierecht en een passende rentevergoeding over het griffierecht. Voorts verzoekt belanghebbende om een immateriëleschadevergoeding.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
De gemachtigde heeft ter zitting erkend dat de nationale regelgeving thans voorziet in de bevoegdheid om de camerabeelden te gebruiken. Deze bevoegdheid is volgens belanghebbende in strijd met het Unierecht en artikel 8 EVRM. Het Hof volgt dit niet. Het Hof deelt het oordeel van de Rechtbank dat het Unierecht toepassing mist, omdat het hier om een zuiver nationale situatie gaat, namelijk een ingezetene die met een al langdurig in Nederland geregistreerde auto van de Nederlandse weg gebruikmaakt. Wat artikel 8 EVRM betreft is het Hof van oordeel dat dit niet in de weg staat aan de naheffing, omdat, zoals de Inspecteur ter zitting heeft verklaard, de beelden kortstondig worden bewaard en uitsluitend wanneer dit nodig is, en uitsluitend worden gebruikt voor het doel waarvoor ze worden gemaakt. Handhaving en controle op een juiste belastingheffing is naar het oordeel van het Hof een gerechtvaardigd doel, dat in verhouding staat tot de door belanghebbende gestelde inbreuk op zijn privacy. Op de foto is uitsluitend de auto (met leesbaar kenteken) te zien, en niet bijvoorbeeld de inzittende(n).
Wel heeft belanghebbende gelijk dat de verzuimboete moet worden verminderd op basis van het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 22 juni 2023, nr. 2023-13262 (Stcrt. 2023, 17366). Het Hof zal de verzuimboete daarom verminderen tot € 828. In verband met de eerder door de Rechtbank geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn dient de verzuimboete verder te worden gematigd tot € 745.
Het Hof is van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor een hogere vergoeding van immateriële schade dan de Rechtbank al heeft toegekend. De verwijzing naar het arrest Scordino van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 29 maart 2006, ECLI:NL:XX:2006:AW8901, leidt niet tot een ander oordeel. De omvang van de vergoeding hangt volgens het EHRM af van diverse omstandigheden, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de klager en de aangesproken staat en de aard en het belang van het geschil. Uit het arrest kan niet worden afgeleid dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 1.000 of meer voor ieder jaar dat de procedure duurt, dus zonder aftrek van wat als een redelijke termijn wordt beschouwd. Voor het hoger beroep heeft te gelden dat de redelijke termijn nog niet is verstreken.
Belanghebbende klaagt erover dat de heffing van griffierecht voorafgaand aan het geschil, en het feit dat dit griffierecht voorafgaand aan de behandeling van het (hoger) beroep eerst volledig moet worden betaald om het geschil door de Rechtbank en het Hof te laten beoordelen, belemmerend werkt. Het Unierecht verbiedt dit. Verder stelt belanghebbende dat de hoogte van het verschuldigde griffierecht op grond van het Unierecht moet worden beperkt tot maximaal 4% (of zelfs 2%) van de verschuldigde belasting. Deze klacht faalt, aangezien het Unierecht toepassing mist.
Belanghebbende stelt dat de Hoge Raad der Nederlanden en de feitenrechters niet bevoegd zijn uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het Unierecht nu de Unierechter exclusief en bij uitsluiting daartoe is bevoegd. Ook deze klacht faalt, aangezien het Unierecht toepassing mist.
Slotsom
Het hoger beroep is gegrond.
Proceskosten en griffierecht
Op grond van artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage worden de kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep berekend op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 875, wegingsfactor 0,25). Het Hof ziet aanleiding om de wegingsfactor zeer licht toe te passen, omdat belanghebbende alleen gelijk krijgt vanwege een (beroep op) gewijzigd beleid hangende het hoger beroep. De toekenning van de schadevergoeding in de beroepsfase maakt dit niet anders. Voor de bezwaarfase kent het Hof geen kostenvergoeding toe, omdat de vernietiging van de uitspraak op bezwaar inzake de verzuimboete niet is terug te voeren op een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid. Het Hof acht ook geen bijzondere omstandigheden aanwezig om af te wijken van het bepaalde in artikel 2, lid 1, Bpb.
Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 136 te worden vergoed.
Beslissing
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
Het Gerechtshof:
Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 3 april 2024 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.