Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 maart 2021 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1982,
BRP-adres: [woonadres], [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die reeds is doorgebracht in voorarrest.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid hoger beroep t.a.v. feit 2
De verdachte is door rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is daardoor mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte derhalve niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 21 oktober 2018 te Rotterdam, openlijk, te weten op een voor het publiek toegankelijke plaats en/of op of aan de openbare weg, te weten in de McDonalds gelegen op/aan de [adres], in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal, (telkens) -tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] te duwen en/of -die [slachtoffer 2] bij de nek en/of de hals (vast) te pakken en/of -in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan/stompen en/of -op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] te slaan/stompen en/of -oppakken van een stoel en/of vervolgens met die stoel in de richting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] te gooien en/of een slaande beweging te maken in de richting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of -een bokshouding aan te nemen en/of -de benen van die [slachtoffer 2] vast te pakken, ten gevolge waarvan hij op de grond is gevallen.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens de strafoplegging en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren waarvan 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die reeds is doorgebracht in voorarrest.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee deels niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op of omstreeks 21 oktober 2018 te Rotterdam, openlijk, te weten op een voor het publiek toegankelijke plaats en/of op of aan de openbare weg, te weten in de McDonalds gelegen op/aan de [adres], in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2],
welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal, (telkens)
- tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] te duwen en/of
- die [slachtoffer 2] bij de nek en/of de hals (vast) te pakken en/of
- in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan/stompen en/of
- op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] te slaan/stompen en/of
- oppakken van een stoel en/of vervolgens met die stoel in de richting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] te gooien en/of een slaande beweging te maken in de richting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of
- een bokshouding aan te nemen en/of
- de benen van die [slachtoffer 2] vast te pakken, ten gevolge waarvan hij op de grond is gevallen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Bespreking van het gevoerde verweer
De raadsvrouw van de verdachte heeft – overeenkomstig de overgelegde pleitnotities – bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Daartoe heeft zij aangevoerd dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding tegen zijn lijf, dan wel het lijf van medeverdachte [medeverdachte], waartegen noodzakelijke verdediging geboden was. De reactie van de verdachte was, gegeven de omstandigheden proportioneel en kan ook de eis van subsidiariteit doorstaan. Samengevat is ter onderbouwing van het verweer het volgende gesteld. Verdachte was, samen met [medeverdachte] die nacht als beveiliger werkzaam bij McDonalds. Het waren [slachtoffer 1] (hierna [slachtoffer 1]) en zijn broer [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) die - nadat zij door verdachte waren aangehouden - zich agressief bleven gedragen. Toen verdachte zich tot [slachtoffer 2] wendde nadat deze een nare opmerking had gemaakt, viel deze hem, verdachte aan. Omdat de politie niet ingreep, moest verdachte zich verdedigen. Toen verdachte -iets later- zag dat zijn collega op de grond lag en door [slachtoffer 2] tegen het hoofd werd geschopt, heeft hij ter verdediging van zijn collega met een stoel die [slachtoffer 2] geslagen.
Het hof gaat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting – in het bijzonder op grond van de getoonde camerabeelden - uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 21 oktober 2018 waren de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] als beveiligers aan het werk in de McDonald’s aan de [adres] in Rotterdam. De verdachte werd benaderd door een groep vrouwen met de melding dat één van die vrouwen, [slachtoffer 3], met een vlakke hand een klap in haar gezicht had gekregen van een man. De verdachte sprak deze man vervolgens aan - hij bleek te zijn [slachtoffer 1] - en deelde hem mede dat hij hiervoor werd aangehouden. Ondertussen verzocht de verdachte om politie-assistentie en voegde medeverdachte [medeverdachte] zich bij de verdachte. Na woordenwisselingen over en weer tussen de verdachte, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gaan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] aan een tafel zitten. Na enkele minuten komt de politie ter plaatse. De verdachte wijst de verbalisanten op [slachtoffer 1], die op dat moment nog steeds op de bank aan tafel zit. Dan draait de verdachte zich om en nadert [slachtoffer 2]. [slachtoffer 2] staat op van de bank. Vervolgens maakt de verdachte met zijn lichaam een beweging richting [slachtoffer 2] waarop [slachtoffer 2] de verdachte een duw geeft. [medeverdachte] loopt naar [slachtoffer 2] toe en pakt zijn linkerarm vast, en ook de verdachte pakt [slachtoffer 2] vast. [medeverdachte] duwt [slachtoffer 2]. [slachtoffer 2] duwt terug en slaat [medeverdachte]. [slachtoffer 1] geeft [medeverdachte] een trap. Er ontstaat dan een vechtpartij waarbij over en weer geslagen wordt tussen aan de ene kant de verdachte en [medeverdachte] en aan de andere kant [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]; [medeverdachte] en [slachtoffer 2] slaan elkaar meermalen en tussen de verdachte en [slachtoffer 1] wordt over en weer geduwd waarna de verdachte [slachtoffer 1] slaat. Op enig moment komt [medeverdachte] ten val. Terwijl [medeverdachte] op grond ligt, schopt [slachtoffer 2] hem meermalen in het gezicht. De verdachte pakt op dat moment een rode plastic stoel en slaat [slachtoffer 2] tegen zijn lichaam. De verdachte wordt vervolgens weggetrokken door de politie en ook [medeverdachte] en [slachtoffer 2] worden uit elkaar gehaald.
Het hof overweegt als volgt.
Voor een geslaagd beroep op noodweer moet aannemelijk worden dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of anders lijf waartegen verdediging noodzakelijk was.
De handelingen tot aan het slaan met de stoel
Uit de door het hof vastgestelde feitelijke toedracht en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de vechtpartij begonnen is nadat verdachte een beweging maakte in de richting van de zittende [slachtoffer 2], waarop deze opstaat en verdachte duwt. Daaropvolgend pakten verdachte en [medeverdachte] [slachtoffer 2] bij de arm vast en wordt deze geduwd. Eerst daarna wordt door [slachtoffer 2] geslagen en ontstaat een vechtpartij waarbij over en weer wordt geslagen en geschopt.
Naar het oordeel van het hof vormden de gedragingen (opstaan en duwen) van [slachtoffer 2] jegens verdachte en zijn collega geen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn (verdachtes) lijf of dat van zijn collega waartegen verdediging geboden was. Bij dit oordeel betrekt het hof dat er inmiddels politieagenten aanwezig waren en dat het opstaan en duwen door [slachtoffer 2] niet van een zodanige aard en hevigheid was dat van de verdachte niet kon worden gevergd dat hij zou zich onttrekken aan de situatie en de verdere afhandeling aan de politie over te laten. In de gegeven omstandigheden bestond daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid. In plaats daarvan heeft de verdachte bijgedragen aan het ontstaan van de vechtpartij.
Gelet op het voorgaande was er ook geen sprake van een situatie waarin verdediging tegen de (vrees voor) aanranding noodzakelijk was.
Het verweer wordt in zoverre verworpen.
Het slaan met de stoel
Het hiervoor overwogene geldt niet voor de bewezenverklaarde geweldshandelingen die zien op het door verdachte oppakken van de stoel en het met de stoel een slaande beweging maken in de richting van [slachtoffer 2]. Deze handeling was geboden tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van andermans lijf, nu de medeverdachte [medeverdachte] op dat moment weerloos op de grond lag en in zijn gezicht werd geschopt door [slachtoffer 2]. Het slaan met de stoel was dan ook gerechtvaardigd nu dit handelen betrof uit noodweer.
Het verweer slaagt in zoverre. Het hof zal hiermee in de strafmaat rekening houden.
Anders dan hiervoor overwogen is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in de McDonald’s in Rotterdam. Zij hebben daarmee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. De verdachte en medeverdachte waren werkzaam als beveiliger in de McDonald’s ten tijde van het geweldsincident. Daar waar zij juist verantwoordelijk zijn voor de veiligheid en professioneel optreden mag worden verwacht, hebben zij een bijdrage geleverd aan het geweld. Op het moment dat de vechtpartij uitbrak was de politie al aanwezig, conform het verzoek om assistentie. Op dat moment had de verdachte een en ander aan de politie moeten overdragen. Door dit niet te doen heeft de verdachte bijgedragen aan het ontstaan van een enorm onveilige situatie daarbij bijdragend aan de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 januari 2024, waaruit blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het plegen van het feit niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden. De termijn in eerst aanleg begon te lopen op 21 oktober 2018, de datum waarop de verdachte in verzekering werd gesteld, terwijl het eindvonnis is gewezen op 2 maart 2021. In hoger beroep heeft een overschrijding plaatsgevonden gezien de tijd die is verstreken tussen de aanvang van de redelijke termijn op 16 maart 2021 en het eindarrest op 16 februari 2024. Gelet op de hoogte van het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen werkstraf, volstaat het hof met een enkele constatering van de termijnoverschrijding.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde (deels) strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte (deels) strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. A. de Lange,
mr. F.W. Pieters en mr. J.P.L.M. Remmerswaal, in bijzijn van de griffier mr. C. Rietdijk.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 februari 2024.
Mr. A. de Lange en mr. F.W. Pieters zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.