Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 26 februari 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1952,
adres: [woonadres], [woonplaats].
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het hem tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 dag, met aftrek van voorarrest. Voorts is er een beslissing genomen omtrent de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 8 november 2024 gevorderd dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Ingevolge artikel 381, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kunnen zowel de officier van justitie als de verdachte, na de mededeling betreffende het rechtsmiddel dat tegen het vonnis openstaat, ter terechtzitting afstand doen van de bevoegdheid om dat rechtsmiddel aan te wenden. In beginsel kan niet worden teruggekomen op een rechtsgeldige gedane afstand. Ingevolge het derde lid van voornoemd artikel geschiedt in voorkomende gevallen de vermelding dat afstand is gedaan van rechtsmiddelen in de aantekening mondeling vonnis. Gaat de verdachte ondanks een gedane afstand toch in hoger beroep, dan is deze niet-ontvankelijk, tenzij bijzondere omstandigheden aanleiding geven tot het oordeel dat de afstand niet kan gelden als rechtsgeldig.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
In de aantekening van het mondeling uitgesproken vonnis van de politierechter in eerste aanleg van 26 februari 2024 staat genoteerd dat de verdachte en de officier van justitie ter terechtzitting afstand hebben gedaan van rechtsmiddelen. Blijkens de akte instellen hoger beroep heeft de verdachte op 4 maart 2024 verklaard hoger beroep in te stellen tegen voornoemd vonnis. Desgevraagd heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zich ter terechtzitting in eerste aanleg niet gehoord voelde, dat het heel snel ging en dat hij in de war was en daarom helemaal geen afstand van rechtsmiddelen had willen doen.
Het hof is van oordeel dat hiermee geen sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden, dat deze aanleiding geven om te oordelen dat de hiervoor genoemde afstand niet rechtsgeldig is geschied. Het hof heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat de verdachte niet heeft verklaard dat hij niet zou hebben begrepen wat het doen van afstand van rechtsmiddelen inhield. Hij heeft daarmee ter terechtzitting in eerste aanleg rechtsgeldig afstand gedaan van de bevoegdheid om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de politierechter. De omstandigheid dat de verdachte ter zitting in eerste aanleg niet werd bijgestaan door een raadsman maakt dat oordeel niet anders. Daardoor is het vonnis van de politierechter – nu ook de officier van justitie afstand heeft gedaan – direct onherroepelijk geworden. Het hof zal de verdachte dan ook niet-ontvankelijk verklaren in het nadien alsnog ingestelde hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. H.M.D. de Jong, mr. B. Vogel en mr. J.C. van den Bos, in bijzijn van de griffier mr. M.V. Lievers-Roza.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 november 2024.
mr. J.C. van den Bos is buiten staat dit arrest te ondertekenen.