ECLI:NL:GHDHA:2024:2915

ECLI:NL:GHDHA:2024:2915, Gerechtshof Den Haag, 05-07-2024, 22-000045-23

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 05-07-2024
Datum publicatie 21-01-2026
Zaaknummer 22-000045-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2026:31

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood. Gepubliceerd naar aanleiding van publicatie arrest Hoge Raad.

Uitspraak

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 29 december 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1998,

thans zonder vaste woon- of verblijfplaats,

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 juli 2021 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), daarmede rijdende over de weg, de [straat 1], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:

- hij is aldaar vanaf de [straat 2] achteruit de [straat 1] opgereden welke weg door middel van bord G7 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 als voetpad was aangemerkt en/of (vervolgens)

- hij heeft bij het achteruit rijden geen voorrang verleend aan het overige verkeer, ten gevolge waarvan hij tegen een aldaar bevindende voetganger is gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood.

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 juli 2021 te 's-Gravenhage als bestuurder van een motorrijtuig(bestelauto), daarmee rijdende op de weg, de [straat 1], als volgt

heeft gehandeld:

- hij is aldaar vanaf de [straat 2] achteruit de [straat 1] opgereden, welke weg door middel van bord G7 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 als voetpad was aangemerkt en/of (vervolgens)

- hij heeft bij het achteruit rijden geen voorrang verleend aan het overige verkeer, ten gevolge waarvan hij tegen een aldaar bevindende voetganger (te weten [slachtoffer]

is gebotst, waardoor deze werd gedood,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep, met aanvulling van gronden, zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet volledig verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 1 juli 2021 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), daarmede rijdende over de weg, de [straat 1], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:

- hij is aldaar vanaf de [straat 2] achteruit de [straat 1] opgereden welke weg door middel van bord G7 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 als voetpad was aangemerkt en/of (vervolgens)

- hij heeft bij het achteruit rijden geen voorrang verleend aan het overige verkeer,

ten gevolge waarvan hij tegen een zich aldaar bevindende voetganger is gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Inleiding

Op 1 juli 2021 heeft te Den Haag, op de [straat 1], een ongeval plaatsgevonden waarbij een bestelauto, terwijl deze achteruit reed, in botsing is gekomen met een voetganger. De verdachte was de bestuurder van de bestelauto. De voetganger, [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]), is daardoor komen te overlijden.

De zaak draait in essentie om de vraag of en zo ja, in welke mate, het ongeval de verdachte kan worden verweten. In het bijzonder moet het hof beoordelen of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, aan het veroorzaken van een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), of aan het subsidiair tenlastegelegde, gevaarzetting in de zin van artikel 5 WWV.

De advocaat-generaal heeft zich, evenals in eerste aanleg, op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard, nu er sprake is van aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 WVW. De verdachte is onvoldoende voorzichtig geweest door zonder ontheffing een voetgangersgebied in te rijden en heeft, terwijl hij bezig was met een bijzondere manoeuvre (achteruitrijden) en wetende dat hij nooit volledig zicht kon hebben op hetgeen zich achter zijn bus bevond, geen voorrang verleend aan [slachtoffer]. Er is echter sprake van meer dan enkel het niet verlenen van voorrang. Er is sprake van meerdere gevaarzettende handelingen, een situatie die de verdachte, onverplicht, zelf in het leven heeft geroepen. De advocaat-generaal heeft tevens aangevoerd dat uit de verklaring van de bij de raadsheer-commissaris gehoorde getuige [getuige 1] blijkt dat het scenario van de verdediging, te weten dat een voorafgaande val de reden zou zijn geweest dat de verdachte [slachtoffer] niet heeft gezien, gelet op alle overige omstandigheden niet aannemelijk te achten is. Het gegeven dat de verdachte als professionele verkeersdeelnemer steeds zelfstandig voor ogen moet houden in hoeverre hij met zijn verrichtingen verkeersregels overtreedt en of de verkeersveiligheid in het geding is, weerlegt daarnaast de impliciete aanname dat de verdachte daar op die manier mocht rijden omdat hem dat tijdens zijn training is aangeleerd en het verweer dat anderen kennelijk ook gebruikmaken van die route, aldus de advocaat-generaal.

De raadsvrouw heeft zich, net als in eerste aanleg, op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden

vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten. De verdachte wist niet dat hij in een voetgangersgebied reed en het G7-bord, dat een dergelijk gebied aanduidt, was slecht zichtbaar. Alvorens de verdachte stapvoets achteruit reed heeft hij zijn omgeving intensief

gecontroleerd en tijdens het achteruitrijden is hij in zijn spiegels blijven kijken. Er is derhalve geen sprake van onoplettendheid. Hij reed stapvoets en heeft op een eerder moment aan andere weggebruikers voorrang verleend. Hoewel de verdachte niet beschikte over een achteruitrijcamera en (daardoor) geen volledig zicht heeft gehad op hetgeen zich achter het voertuig bevond, meent de verdediging toch dat het ongeval niet het gevolg is geweest van aanmerkelijk onvoorzichtig gedrag van de verdachte. Het enkel niet verlenen van voorrang en het niet hebben gezien van een andere verkeersdeelnemer is niet voldoende om schuld in de zin van artikel 6 WVW aan te kunnen nemen. Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat op basis van het dossier niet duidelijk is vast te stellen wat de precieze toedracht van het ongeval is geweest. Het valt, aldus de verdediging, niet uit te sluiten dat het slachtoffer al ten val was gekomen, voordat de bestelbus haar raakte.

Beoordeling

Op basis van de bewijsmiddelen stelt het hof, met de rechtbank, de volgende feiten en omstandigheden vast.

De verdachte heeft sinds 18 november 2020 zijn rijbewijs en werkte sinds 2,5 maand in de bestelauto. Gedurende die periode reed de verdachte vijf dagen per week dezelfde route, een route die hem daardoor bekend was en op welke route hij gedurende een periode van vijftien dagen was getraind. Op 1 juli 2021 begon de verdachte om 16:04 uur aan zijn werkzaamheden. De verdachte

was niet onder invloed van verdovende middelen en maakte ook geen gebruik van een mobiele telefoon. Hij was onderweg naar de Bruna om daar lege containers te brengen en volle containers op te halen. De Bruna is gelegen aan de [straat 1] en in een voetgangersgebied. Dit is ter plaatse aangeduid door middel van een G7-bord (zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990). De verdachte had geen ontheffing om in dit voetgangersgebied te mogen rijden. Voordat de verdachte de [straat 1] in reed, stond hij een paar seconden stil om de gehele straat te overzien en verleende hij voorrang aan een scooter en een fietser, die op het aldaar gelegen fietspad reden. De verdachte reed hierna stapvoets achteruit die straat in. Gedurende het achteruitrijden keek de verdachte in zijn buitenspiegels en zag niemand. De bestelauto van de verdachte beschikte weliswaar over een binnenspiegel, maar die bood geen zicht op wat er zich recht achter het voertuig bevond. Verder was de bestelauto niet uitgerust met een achteruitrijcamera. Daardoor had de verdachte tijdens het achteruitrijden geen zicht op hetgeen recht achter zijn bestelauto gebeurde.

Getuige [getuige 2] zag dat [slachtoffer] tegen de achteruitrijdende bestelauto aan stond, recht achter de bestelauto, precies in het midden, precies op de verticale middenstreep tussen de dubbele openslaande deuren. Zij zag dat de bestelauto verder achteruitreed en dat [slachtoffer] recht achterover viel en onder de bestelauto terechtkwam. De verdachte voelde iets tegen

de bestelauto komen, stopte, stapte uit en liep naar de achterkant van zijn bestelauto. Hij zag dat er twee benen onder zijn bestelauto uitstaken en dat er een rollator achter de bestelauto stond. Hij liep vervolgens naar de andere kant van de bestelauto en zag dat het hoofd van

een mevrouw (naar het hof begrijpt: [slachtoffer]) was geraakt. Uit het schouwverslag volgt dat [slachtoffer] een niet natuurlijke dood is gestorven, veroorzaakt door de aanrijding met de bestelauto.

Is er sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW?

Bij de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In zijn algemeenheid valt niet aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van aanmerkelijke onoplettendheid en/of onachtzaamheid en dus van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan.

Het hof overweegt – grotendeels in navolging van de rechtbank - dat de verdachte had moeten en kunnen weten dat hij in een voetgangersgebied reed. Dit was immers duidelijk zichtbaar: het betrof een wandelpromenade in een winkelcentrum en de verdachte heeft dat gebied als chauffeur van deze bestelauto veelvuldig bezocht. Daarbij merkt het hof op dat de verdachte bij de politie over de plaats waar het ongeval heeft plaatsgevonden heeft verklaard dat dit een stuk is waar mensen wandelen en fietsen en daar zich daar ook de Bruna bevindt. Dat hij er in zijn training niet expliciet op is gewezen dat dit een voetgangersgebied betrof en dat het G7-bord door begroeiing niet geheel zichtbaar is geweest, doet aan het voorgaande niet af. Van een chauffeur die beroepsmatig een bestelauto bestuurt, mag worden verwacht dat hij steeds zelfstandig voor ogen houdt in hoeverre hij met zijn verrichtingen verkeersregels overtreedt en of de verkeersveiligheid in het geding is.

Verder overweegt het hof dat achteruitrijden een bijzondere manoeuvre betreft, waarbij al het overige verkeer voorrang heeft. Ook is het een feit van algemene bekendheid dat achteruitrijden extra zorgvuldigheid van bestuurders vraagt, zeker in het geval waarin (zoals de verdachte ook wist) geen volledig zicht mogelijk is op wat er zich achter het voertuig bevindt.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de verdachte heeft nagelaten de nodige voorzichtigheid en oplettendheid te betrachten. Hij heeft weliswaar gedurende het achteruitrijden in zijn spiegels gekeken of er mensen waren en stapvoets gereden, maar die handelwijze acht het hof in dit geval onvoldoende voorzichtig en oplettend, nu hij niet voortdurend kon zien of er iemand achter zijn bestelauto stond of liep en hij derhalve niet in voldoende mate kon inschatten of hij veilig achteruit kon rijden in dit voetgangersgebied. Kennelijk heeft de verdachte niet gezien dat mevrouw [slachtoffer] zich begaf naar of zich bevond op een positie direct achter de bestelauto van de verdachte, waardoor hij haar op dat moment niet kon zien.

Door achteruit te rijden in een voetgangersgebied, zonder volledig zicht te hebben op wat er zich achter de bestelauto bevond en zonder de daarbij passende veiligheidsmaatregelen te nemen om te voorkomen dat een voetganger zich (door hem ongezien) achter de bestelbus zou begeven, heeft de verdachte zich naar het oordeel van het hof aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen. Van de verdachte mocht in de gegeven situatie worden verwacht dat hij zich er volledig van zou verzekeren dat zich tijdens het achteruitrijden niemand achter de bestelbus bevond. Dat heeft hij kennelijk nagelaten. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld, als gevolg waarvan [slachtoffer] is komen te overlijden. Daarmee is sprake van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW.

Met de rechtbank is het hof aldus van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, het veroorzaken van een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te handelen.

Ambtshalve overweegt het hof nog het volgende.

Op de regiezitting van 27 oktober 2023 is onder meer het verzoek tot het horen van de verbalisanten die betrokken waren bij de verkeersongevallenrapportage afgewezen, nu daartoe naar het oordeel van het hof geen noodzaak bestond. In aanvulling daarop overweegt het hof dat de verdachte (mede gelet op de motivering van het verzoek) naar het oordeel van het hof door het niet horen van die verbalisanten ook niet in zijn verdediging wordt geschaad. Door het op verzoek van de verdediging horen van de getuigen [getuige 1] (in appel) en [getuige 2] (in eerste aanleg) is buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat het slachtoffer ten tijde van de aanrijding nog stond/liep. Het dossier biedt naar het oordeel van het hof geen aanknopingspunten voor de suggestie van de verdediging dat zij al eerder ten val was gekomen. Daar komt overigens nog bij dat – indien dat laatste anders was geweest – dat voor de beantwoording van de bewijsvraag (in het bijzonder voor de vraag of de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gehandeld) niet van belang zou zijn. Ook in dat geval zou immers – kort gezegd - moeten worden geconcludeerd dat de verdachte in een voetgangersgebied, terwijl hij achteruit reed en geen volledig zicht had op wat zich direct achter zijn bestelauto bevond en zonder voldoende op te letten, in aanrijding is gekomen met het slachtoffer, ten gevolge waarvan zij is overleden.

Ten slotte overweegt het hof nog als volgt.

De verdediging heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep alle ruimte gekregen om (de uitkomsten van) de verkeersongevallenanalyse te betwisten en in dat verband naar voren te brengen wat de verdediging geraden achtte. In verband met de eerdergenoemde suggestie dat het slachtoffer al eerder ten val was gekomen zijn op verzoek van de verdediging twee ooggetuigen gehoord. Het door artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde recht op een eerlijk proces staat gelet op al het voorgaande dan ook niet in de weg aan het gebruik voor het bewijs van het door die verbalisanten opgestelde proces-verbaal.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig verkeersdelict met fatale afloop. Dit feit heeft diepe sporen achtergelaten bij de nabestaanden, zoals is gebleken uit de in eerste aanleg voorgelezen slachtofferverklaring. Het hof stelt voorop dat geen enkele strafrechtelijke reactie dit leed ongedaan zal kunnen maken of zal verzachten.

Uit hetgeen door één van de nabestaanden naar voren is gebracht in hoger beroep blijkt dat het voor de nabestaanden moeilijk te verteren is dat de verdachte zijn verantwoordelijkheid niet ten volle neemt. Hoewel het hof het de verdachte niet kan verwijten dat hij gebruik heeft gemaakt van het recht om in hoger beroep te gaan, merkt het hof wel op dat het hof heeft moeten vaststellen dat van het in eerste instantie door de verdachte jegens de nabestaanden geuite medeleven en van de gevoelens van verantwoordelijkheid en spijt gedurende de behandeling van de zaak in hoger beroep (al dan niet ingegeven door de gekozen processtrategie) weinig meer lijkt te zijn overgebleven. De verdachte heeft daar in ieder geval geen blijk meer van gegeven, maar wekte de indruk alleen nog oog te hebben voor een voor hem zo gunstig mogelijke afloop van deze strafzaak. Dat maakt dat het hof – anders dan de rechtbank – niet ten voordele van de verdachte rekening houdt met de (schuldbewuste) houding van de verdachte.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 juni 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Het hof houdt tevens rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is een Syrische vluchteling die naar Nederland is gekomen in verband met de aanhoudende oorlog in Syrië. Het verkeersongeval herinnert hem aan traumatische gebeurtenissen die hij daar heeft meegemaakt, waardoor ook voor de verdachte de impact van het ongeval groot was. Het hof is van oordeel dat de rechtbank in afdoende mate rekening heeft gehouden met deze omstandigheden, door een enigszins lagere taakstraf op te leggen dan zou volgen uit de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).

Het feit dat de verdachte een first offender is en er geen sprake was van drank- dan wel drugsgebruik, maakt dat de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS een taakstraf 240 uur en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar indiceren. Het hof ziet – anders dan de rechtbank - geen omstandigheden om van dit oriëntatiepunt af te wijken ten aanzien van de duur van de rijontzegging. Het hof ziet evenmin aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur, in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur, een passende en geboden reactie vormen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar.

Dit arrest is gewezen door mr. A. de Lange, mr. B.P. de Boer en mr. R. Brand, in bijzijn van de griffier mr. I.M.A. Schipper.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 juli 2024.

Mr. R. Brand is buiten staat om dit arrest mede te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?