GERECHTSHOF DEN HAAG
meervoudige raadkamer
BESCHIKKING
gewezen naar aanleiding van een ter griffie van dit gerechtshof ingekomen verzoekschrift, op grond van artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) ingediend door:
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] ,
hierna te noemen verzoeker,
in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. D.N. de Jonge, aan het [adres] te [vestigingsplaats] .
Procesgang
Dit gerechtshof heeft bij arrest van 21 april 2023 met rolnummer 22-003671-21 het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 december 2021 in de strafzaak tegen de verzoeker met parketnummer 10-960249-18 vernietigd en hem vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde. Dit arrest is inmiddels onherroepelijk geworden.
De verzoeker heeft vervolgens bij een tijdig ter griffie van dit hof ingekomen verzoekschrift gevraagd om toekenning van een schadevergoeding van € 17.710,- ter zake van het door hem in zijn strafzaak ondergane voorarrest, vanwege persoonlijke omstandigheden te verhogen met factor 2. Tevens verzoekt verzoeker een vergoeding voor gederfde inkomsten van € 12.658,92 en een maand huur van € 649,29.
De raadkamer van het hof heeft het verzoek in het openbaar op 30 mei 2024 behandeld. Daarbij zijn gehoord de verzoeker en diens advocaat, mr. D.N. de Jonge, en de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft primair geconcludeerd tot
afwijzing van het verzoek en subsidiair tot matiging van het toe te kennen bedrag.
Beoordeling van het verzoek
De strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd met een beslissing, die hem op grond van artikel 533, eerste lid, van het WvSv in beginsel recht geeft op toekenning van een vergoeding voor de schade, die hij heeft geleden als gevolg van het door hem ondergane voorarrest.
Ingevolge het hier toepasselijke artikel 534, eerste lid, van het WvSv heeft toekenning van die schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van het hof, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Het hof, deels in een andere samenstelling, heeft in het vrijsprekende arrest onder meer het volgende overwogen:
‘De verdachte is in de periode van januari 2016 tot en met juni 2018 meerdere keren naar Slowakije gereden om daar, in de plaats [plaats] , in samenwerking met in ieder geval [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wapens aan te schaffen in de winkel [bedrijfsnaam] (hierna: [bedrijfsnaam] ). De verdachte kreeg hiervoor telkens van [medeverdachte 1] een groot contant geldbedrag mee en er werd voor hem, al dan niet op zijn naam, een auto gehuurd.
Bij de wapenaankoop op 19 januari 2016 is de verdachte samen met [medeverdachte 1] naar Slowakije gereden. Bij deze wapenaankoop heeft de verdachte het door hem vervoerde geld aan [medeverdachte 1] afgegeven, die vervolgens alleen [bedrijfsnaam] is binnengegaan en enkele uren later naar buiten is gekomen met een sporttas. Later bleek dat voor de registratie van de identiteit van de koper gebruik was gemaakt van het rijbewijs van een zekere [betrokkene] . [medeverdachte 1] is – na een korte rit in de huurauto met de verdachte naar winkelcentrum Avion in Bratislava – met deze sporttas in een taxi gestapt, waarna de verdachte zijn eigen weg terug naar Nederland heeft vervolgd. Van de bij deze gelegenheid aangeschafte wapens zijn er later in Nederland, bij diverse doorzoekingen in andere strafzaken, in het totaal vijf wapens aangetroffen (en wel op vier verschillende tijdstippen in de periode van 17 april 2016 tot en met 22 oktober 2019).
Bij de wapenaankopen vanaf 28 december 2017 is de verdachte telkens alleen in een huurauto naar Slowakije gereden, alwaar hij [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in [bedrijfsnaam] of op een ontmoetingsplek vlakbij [bedrijfsnaam] heeft ontmoet. In de winkel heeft de verdachte telkens zijn identiteitsbewijs afgegeven, waardoor deze wapenaankopen op zijn naam werden geregistreerd. Nadat de wapens op naam van de verdachte waren aangeschaft en met het door hem meegebrachte geld waren afgerekend, heeft de verdachte deze wapens in de winkel van [bedrijfsnaam] zelf of op een ontmoetingsplek in de buurt van de winkel aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] overhandigd.’
Naar het oordeel van het hof zijn gelet op het voorgaande de handelingen van verzoeker laakbaar, heeft dit gelet op de wijze van ten laste leggen niet tot een veroordeling geleid, maar heeft hij de detentie aan zijn eigen laakbare handelen te wijten waardoor er dan ook geen gronden van billijkheid zijn voor toewijzing van het verzoek. Het verzoek zal worden afgewezen.
Beslissing
Het hof:
Wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gewezen door
mr. H. Steenhuis, voorzitter,
mr. N. Schaar en mr. J.J.H.M. van Gennip, raadsheren,
in bijzijn van de griffier M. van der Mark,
en op 11 juli 2024 in het openbaar uitgesproken.
Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.