Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 25 oktober 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] 1968,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden. Voorts is beslist omtrent het inbeslaggenomen geldbedrag, zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 oktober 2018 tot en met heden, te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal circa € 93.270) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten genoemd(e) geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit voorwerp voorhanden had, terwijl hij/zij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal vordert de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 oktober 2018 tot en met 1 december 2018, te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ( van een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal circa € 93.270) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten genoemd(e) geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit voorwerp voorhanden had, terwijl hij/zij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
schuldwitwassen.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij niet de rechthebbende van het onder een andere verdachte in beslag genomen geldbedrag is. Hij heeft voorts verklaard dat toen de verdachte na de inval waarbij het geld in beslag was genomen, bij de beslagene op kantoor was, de beslagene tegen de verdachte heeft gezegd dat het geld in een tas op kantoor had gezeten en dat hij -verdachte- moest zeggen dat het bedrag van hem was. Tevens zou hem zijn opgedragen mee te werken aan pogingen om het geld via een procedure terug te krijgen. De procedure werd op verzoek van de beslagene door een advocaat geregeld. Van de leenovereenkomst, die ten grondslag zou hebben gelegen aan de verkrijging – door de verdachte – van het geldbedrag, wist hij niets. Die leenovereenkomst is door of namens de beslagene in het dossier ingebracht.
De verdachte heeft voorts verklaard dat hij hieraan wel moest meewerken omdat hij van de zijde van de beslagene werd bedreigd. Zo is er tot tweemaal toe een steen door het raam van zijn woning gegooid. Ook is er geschoten op een auto die op zijn naam stond. De verdachte heeft deze acties als bedreiging gezien en ervaren.
Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte betoogd dat genoemde omstandigheden (de bedreigingen) psychische overmacht opleveren en de verdachte niet strafbaar zou zijn.
Het hof stelt voorop dat een beroep op psychische overmacht slechts kan slagen indien aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte het onmiddellijk gevolg is geweest van een van buiten komende dwang, drang of kracht, waartegen de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden.
De door de verdachte gestelde omstandigheden die ten grondslag worden gelegd aan het beroep op psychische overmacht zijn onvoldoende aannemelijk geworden. Zo vindt zijn eerst op de terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring over de tegen hem gerichte bedreigingen als het ingooien van ruiten en schieten op een auto geen enkele steun in het dossier.
Het verweer wordt verworpen.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een aanzienlijk geldbedrag. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Bovendien bevordert het handelen van verdachte het plegen van delicten omdat zonder het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst aan criminele gelden, het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 oktober 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Redelijke termijn
De verdachte heeft op 1 november 2022 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Het hof doet heden, op 14 november 2024, uitspraak in hoger beroep. De redelijke termijn in hoger beroep is daarmee met twee weken overschreden. Het hof constateert echter dat de behandeling in hoger beroep mede vertraging heeft opgelopen door het herhaaldelijk niet verschijnen van de verdachte op terechtzittingen en door onttrekking van de raadsman kort voor de voorlaatste terechtzitting. Nu de behandeling van de zaak meermalen in het belang van de verdediging is aangehouden en de overschrijding van de redelijke termijn beperkt is gebleven zal het hof volstaan met de constatering van de overschrijding.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Beslag
Het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag zoals dit vermeld is onder 1 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen, te weten een geldbedrag van € 93.270,00, volgens opgave van verdachte niet aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal dit voorwerp daarom verbeurd verklaren.
Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24, 33, 33a en 420quater van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
Een geldbedrag van € 93.270,00.
Dit arrest is gewezen door, mr. R. van der Hoeven als voorzitter, mr. G. Knobbout en mr.dr. A. Postma, leden, in bijzijn van de griffier mr. I.M.A. Schipper.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 november 2024.
mr.dr. A. Postma is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.