GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 23 mei 2024
[X] VOF te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-22/783
in het geding tussen:
(gemachtigde: S.M. Bothof)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 11 juli 2022, nummer SGR 21/1190.
Procesverloop
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 526 (de naheffingsaanslag). Tevens is bij beschikking € 24 belastingrente berekend (de beschikking belastingrente).
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en beschikking bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot € 397, de beschikking belastingrente verminderd tot € 18 en een proceskostenvergoeding voor bezwaar toegekend van € 522.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, die het beroep ter behandeling heeft doorgestuurd naar de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 354 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de Staat veroordeeld tot een vergoeding van immateriële schade van € 1.000, van proceskosten van € 379,50 en van het griffierecht.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is € 548 griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Van de zijde van belanghebbende is op 8 april 2024 een nader stuk ingekomen.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 april 2024. De Inspecteur is verschenen en de gemachtigde van belanghebbende heeft deelgenomen aan de zitting via MS Teams, waarbij sprake was van een rechtstreekse beeld- en geluidsverbinding met het Hof. Van het verhandelde ter zitting is een procesverbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 197 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Skoda Octavia 1.4 TSI Greentech Ambition (de auto).
In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport
van [A B.V.] (het taxatierapport). Daarin is de nieuwprijs van de auto
vastgesteld op € 27.340 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 6.868.
Hierop heeft de taxateur in mindering gebracht een bedrag van € 5.850 (72% van € 8.125) in
verband met schade aan de auto, waardoor de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van de auto is bepaald op € 1.018.
De Inspecteur heeft een bedrag van € 526 aan bpm nageheven. Daarbij heeft
de Inspecteur zich gebaseerd op een rapport van de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) van 20 juli 2018. Hierin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 27.590, is de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat vastgesteld op € 6.643 (Eurotax XchangeNet) en is een bedrag van € 3.750 aan schade aannemelijk geacht. Van dat schadebedrag is € 2.891 (77%) in aanmerking genomen, waardoor de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van de auto is bepaald op € 3.752.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur extra leeftijdskorting toegekend en de
naheffingsaanslag in verband daarmee verminderd tot € 397. De beschikking belastingrente is verminderd tot € 18.
Het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank vermeldt onder meer, waarbij de gemachtigde van belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Eiseres verklaart, al dan niet op vragen van de rechtbank, het volgende:
Het is niet meer in geschil dat de extra leeftijdskorting tot het juiste bedrag is toegekend.
Ik vind het prima om uit te gaan van het door verweerder voor de auto gehanteerde submodel ‘Ambition’.
De door verweerder voor de auto vastgestelde historische nieuwprijs aanvaard ik ook.
Ik heb het beroepschrift ingediend bij rechtbank Zeeland-West-Brabant. Het beroep is vervolgens verwezen naar rechtbank Den Haag. Is het mogelijk dat het eventuele hoger beroep wordt behandeld door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch? Ik wil graag dat deze zaak wordt behandeld door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch vanwege het geschilpunt met betrekking tot EutotaxGlass’s. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is op dat punt coulant en het gerechtshof Den Haag is dat niet.
Ik doe een beroep op de handelsinkoopwaarde van de koerslijst van Eurotaxglass’s zoals vermeld in het DRZ-rapport maar met een correctie voor de ‘markt- en dealersituatie’. Ik ga uit van dezelfde nieuwprijs als verweerder. De inkoopwaarde in onbeschadigde staat bedraagt dan € 5.712 en de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 254, uitgaande van de door DRZ vastgestelde schade van € 2.891.
Ik verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Geschil
5. (…)
Ter zitting is komen vast te staan dat niet meer in geschil is dat verweerder de extra leeftijdskorting in de uitspraak op bezwaar tot het juiste bedrag heeft toegekend. Daarnaast heeft eiseres ter zitting ingestemd met het door verweerder voor de auto gehanteerde sub-model ‘Ambition’ alsmede de door verweerder voor de auto vastgestelde historische nieuwprijs.
Beoordeling van het geschil
Onafhankelijkheid en deskundigheid hertaxateur DRZ
6. Eiseres heeft aangevoerd dat de taxateur van DRZ geen erkend taxateur is en niet staat ingeschreven in enig erkend register, niet onafhankelijk en niet onpartijdig is en niet beschikt over de vereiste kwalificaties en professionele competenties. Verweerder had zich volgens eiseres moeten wenden tot een onafhankelijk expert. Omdat hij dit heeft nagelaten heeft hij onzorgvuldig en met vooringenomenheid gehandeld. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder aldus misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot naheffing.
7. Het staat verweerder vrij om een deskundige van zijn keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling staat daar niet aan in de weg omdat dit betrekking heeft op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft, afgaande op de inhoud van het DRZ-rapport en de daarop gegeven toelichting, geen reden aan de deskundigheid of de onafhankelijkheid van de (her)taxateur te twijfelen. Eiseres heeft zijn standpunt dat sprake is van vooringenomenheid, schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en misbruik van bevoegdheden verder niet dan wel onvoldoende geconcretiseerd. Deze beroepsgrond faalt dan ook.
Schade
8. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiseres. [1] Eiseres dient dus tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder aannemelijk te maken dat die schade meer bedraagt dan het bedrag dat DRZ heeft vastgesteld. Zij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport en meer in het bijzonder gewezen op roest op de achterklep, krassen op de bumper, hagelschade op het dak en een kras op de zijkant van de bumper. De in het taxatierapport genoemde schade is slechts gedeeltelijk aangetroffen door DRZ. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen over DRZ volgt de rechtbank eiseres niet in haar stelling dat dit enkel het gevolg is van de ondeskundigheid van de taxateur van DRZ en
de door DRZ gevolgde handelwijze. Eiseres is daarom niet geslaagd in het van haar te vergen bewijs. Dat een hoger percentage van het door DRZ vastgestelde schadebedrag in aanmerking moet worden genomen dan DRZ heeft gedaan, is gesteld noch gebleken. Overigens merkt de rechtbank op dat uit de schadecalculatie in het taxatierapport niet blijkt dat daarin schade is opgenomen voor de achterklep, waardoor dergelijke schade door DRZ ook niet is gecorrigeerd. Voor schade aan de bumper heeft DRZ evenmin correcties doorgevoerd.
9. Eiseres heeft verder, tegenover de weerspreking door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat het door haar gestelde beleid bestaat.
10. Verweerder heeft dan ook terecht niet meer dan € 2.891 als schade in aanmerking genomen.
Koerslijst Eurotaxglass’s
11. Ter zitting heeft eiseres het standpunt ingenomen dat de handelsinkoopwaarde van
de auto moet worden gesteld op € 5.712. Eiseres heeft daarbij de handelsinkoopwaarde van
de koerslijst van Eurotaxglass’s tot uitgangspunt genomen, en daarop een correctie voor de
‘markt- en dealersituatie’ in aanmerking genomen onder verwijzing naar het arrest van de
Hoge Raad van 15 november 2019.[2]
12. Het gerechtshof Den Haag heeft in zijn uitspraak van 22 december 2021 [3], voor
zover hier van belang, het volgende overwogen:
“5.3. Eurotaxglass’s heeft inmiddels een disclaimer opgenomen op de koerslijst. De
disclaimer luidt als volgt:
“Het gebruik van de schuifknoppen ‘Marktsituatie handelaar’ en ‘Marktsituatie’ worden niet
meer toegelaten. Eurotax is van mening dat dergelijke prijsverhogings- en
prijsverlagingsindicatoren niet meer relevant zijn voor de handelsinkoopwaarde te bepalen
zoals vermeld in het Arrest HR_2019_1783 van de Hoge Raad. Eveneens is Eurotax van
mening dat het gebruik van eender welke correctiefactoren gegrond moet zijn en effectief
bewezen moet worden door de gebruiker zelf, waar het Arrest dit anders heeft belicht.
Daarom zijn de indicatoren ‘Marktsituatie handelaar’ en ‘Marktsituatie’ voortaan op 0%
vastgelegd.”
Gelet op de inmiddels door de koerslijstprovider gehanteerde disclaimer en in afwijking
van het vorengenoemde arrest is het Hof van oordeel dat thans niet meer van een aftrek
‘marktsituatie handelaar’ en ‘marktsituatie’ kan worden uitgegaan zonder daarvoor een
onderbouwing voor het individuele geval te geven. Weliswaar heeft belanghebbende ter
zitting gemotiveerd uiteengezet waar deze aftrek in het algemeen op ziet, maar een
onderbouwing voor de aftrek in het geval van belanghebbende is daarmee niet gegeven. Het
Hof ziet daarom geen aanleiding enige aftrek ‘marktsituatie handelaar’ en ‘marktsituatie’ in
aanmerking te nemen. Dat de Belastingdienst regelmatig overleg heeft met de branche en dat
dit onderwerp met de koerslijstprovider is besproken doet aan het vorenstaande niet af.
Belanghebbende heeft weliswaar de indruk gewekt, maar niet aannemelijk gemaakt dat de
disclaimer door Eurotaxglass’s onder protest op de koerslijst is opgenomen na druk van de
Belastingdienst.”
13. De rechtbank ziet in onderhavige geval geen aanleiding om anders te oordelen dan
het gerechtshof. Eiseres heeft geen gronden aangevoerd waaruit blijkt dat in dit individueel
beoordeelde geval een correctie toegepast had moeten worden.
14. Eiseres heeft haar stelling dat tot oktober 2021 sprake was van beleid op basis
waarvan verweerder toepassing van de correctiefactoren markt- en dealersituatie op de
koerslijst van EurotaxGlass’s altijd toestond, tegenover de weerspreking door verweerder,
niet aannemelijk gemaakt. De enkele opmerking van eiseres dat dat beleid blijkt uit een
beslissing op een door haar ingediend Wob-verzoek over werkinstructies van de
Belastingdienst aan DRZ, is daartoe onvoldoende.
Belastingrente
15. Eiseres heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening
gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht
rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
16. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden
verklaard.
Immateriële schade
(…)
Proceskosten
19. De rechtbank ziet wegens de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding voor een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 379,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759 [5] en een wegingsfactor van 0,25). De rechtbank is uitgegaan van een wegingsfactor 0,25 omdat de kostenvergoeding alleen wordt toegekend vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
[1] ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3. en ECLI:NL:HR:2020:318, r.o. 3.3.2
[2] ECLI:NL:HR:2019:1783.
[3] ECLI:NL:GHDHA:2O21:2638.
(…)
[5] Vgl. ECLI:NL:HR:2022:752.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd, meer specifiek of te weinig rekening is gehouden met schade en of de bijstellingen van koerslijst EurotaxGlass’s in aanmerking moeten worden genomen. Ook is de historische nieuwprijs in geschil en is in geschil of de Rechtbank bij de toekenning van de proceskosten beroep terecht wegingsfactor 0,25 heeft toegepast.
Belanghebbende concludeert:
tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen over de schadevergoeding en het griffierecht;
tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, behoudens de daarbij toegekende proceskostenvergoeding;
primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag;
subsidiair tot vaststelling van de inkoopwaarde op een bedrag van € 2.843 (koerslijst EurotaxGlass’s minus 15%), tot vaststelling van de historische nieuwprijs op een bedrag van € 29.304, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 424 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 227;
meer subsidiair tot vaststelling van de inkoopwaarde op een bedrag van € 3.752 (standpunt Inspecteur), tot vaststelling van de historische nieuwprijs op een bedrag van € 29.304, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 560 en tot vermindering van de naheffingsaanslag naar een bedrag van € 363.
Voorts verzoekt belanghebbende om een (hogere) proceskostenvergoeding.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Waardevermindering wegens schade
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Artikel 110 VWEU verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling. In dit verband verdient opmerking dat de belastingplichtige voldoende gelegenheid moet worden geboden het van hem gevraagde bewijs te leveren (zie onder meer HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3, BNB 2020/45 en HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:318, r.o. 3.3.2, BNB 2020/63).
Belanghebbende stelt dat DRZ te weinig schade in aanmerking heeft genomen en verwijst daarbij naar het taxatierapport. Belanghebbende wijst op roest op de achterklep, krassen op de bumper, hagelschade op het dak en een kras op de zijkant van de bumper.
De Inspecteur sluit zich aan bij de overwegingen van de Rechtbank. Belanghebbende is volgens de Inspecteur niet geslaagd in de op haar rustende bewijslast.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat met meer schade rekening moet worden gehouden dan de Inspecteur thans heeft gedaan. Met schade aan de bumper is volgens de schadecalculatie in het rapport van DRZ voldoende rekening gehouden, zo zijn kosten berekend voor de vervanging van de bumperbekleding. De overige door belanghebbende genoemde punten heeft DRZ niet bevonden of als gebruikssporen aangemerkt, wat voor een auto van 6 jaar oud met ruim 91.000 kilometer op de teller niet ongebruikelijk is. De foto’s in het nadere stuk van de zijde van belanghebbende overtuigen het Hof niet van het tegendeel. De foto’s zijn sterk uitvergroot, zodat niet duidelijk is of de getoonde sporen – die overigens mede door de reflectie niet heel goed zichtbaar zijn –in het dagelijkse gebruik met het blote oog opvallen of storend zijn. Dit standpunt van belanghebbende faalt.
Bijstellingen EurotaxGlass’s
Tussen partijen is in geschil of de bijstellingen wegens markt- en dealersituatie alsnog mogen worden toegepast. Zoals de gemachtigde tijdens de zitting bij de Rechtbank al opmerkte, is het Hof niet coulant in het toekennen van deze bijstellingen. Het is aan belanghebbende om waardeverminderende factoren aannemelijk te maken (zie 5.1), het Hof neemt deze niet zomaar aan. Hierin is belanghebbende niet geslaagd. In het taxatierapport is hiermee geen rekening gehouden. Sterker nog, op de uitdraai koerslijst EurotaxGlass’s die in het taxatierapport van belanghebbende zit, is geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. De taxateur heeft dus geen aanleiding gezien om deze bijstellingen te kiezen.
Hetgeen de gemachtigde ter zitting van het Hof heeft gesteld over het beleid van de Inspecteur, brengt evenmin soelaas. De 20 voorbeelden die hij heeft overgelegd en de verwijzing naar een andere zaak die op dezelfde zitting van het Hof is behandeld, maken nog geen beleid. De Inspecteur heeft het bestaan van beleid ook ontkend, en gesteld dat in individuele gevallen waarin de taxatiemethode van toepassing is, wordt bekeken of de bijstellingen kunnen worden toegepast. Dat het recente Kennisgroepstandpunt onderscheid maakt tussen koerslijstmethode (de bijstellingen mogen wel) en taxatiemethode, kwalificeert het Hof niet als discriminatoir of anderszins verboden. Gevallen die onder een verschillende methode vallen, zijn geen gelijke gevallen. Bovendien draait het bij de taxatiemethode om de waardering van de individuele auto, met alle voor- en nadelen ten opzichte van (de meest) vergelijkbare auto’s. Indien er aanwijzingen zijn dat de markt- en dealersituatie een rol speelt bij de handel in het individuele, getaxeerde voertuig, mogen de bijstellingen worden toegepast. Dat is hier niet het geval. Het Hof kan de kwalificatie ‘willekeur’ die de gemachtigde aan de handelwijze van de Inspecteur toekent, niet volgen, gelet op de hiervoor gegeven uiteenzetting. Dit standpunt van belanghebbende faalt.
Historische nieuwprijs
Verder is de historische nieuwprijs in geschil. De Inspecteur voert aan dat belanghebbende dit standpunt ter zitting van de Rechtbank heeft prijsgegeven. De gemachtigde heeft daar verklaard dat hij de historische nieuwprijs van de Inspecteur aanvaardt. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat hij dit standpunt niet ondubbelzinnig heeft prijsgegeven. De opmerking is, aldus belanghebbende, gemaakt in de context van de toepassing van de bijstellingen van koerslijst EurotaxGlass’s op de handelsinkoopwaarde. De gemachtigde heeft ter zitting van de Rechtbank verklaard dat indien die worden geaccepteerd, hij de historische nieuwprijs van de Inspecteur accepteert.
Het Hof leidt uit het proces-verbaal af dat de gemachtigde het standpunt over de historische nieuwprijs ondubbelzinnig heeft prijsgegeven. In het proces-verbaal staat: “De door verweerder voor de auto vastgestelde historische nieuwprijs aanvaard ik ook.” Deze opmerking is niet geplaatst in een bepaalde context (zie 2.5) en is op zichzelf beschouwd klare taal. Het Hof acht niet aannemelijk dat de gemachtigde de uitlating voorwaardelijk of binnen een bepaalde context zou hebben gedaan. Dit wordt versterkt door de later gemaakte opmerking over de handelsinkoopwaarde (“Ik doe een beroep op de handelsinkoopwaarde van de koerslijst van Eurotaxglass’s zoals vermeld in het DRZ-rapport maar met een correctie voor de ‘markt- en dealersituatie’. Ik ga uit van dezelfde nieuwprijs als verweerder.”), die wel in de door de gemachtigde bedoelde context is gemaakt. Dat hierna nog de zin “Ik ga uit van dezelfde nieuwprijs als verweerder” volgt, maakt dit niet anders. Dat is een herhaling van de eerder gemaakte, alleenstaande opmerking. Er staat niet dat een en ander één geheel is en dat de eventuele verwerping van de bijstellingen door de Rechtbank, die betrekking hebben op een ander onderwerp, namelijk de handelsinkoopwaarde, tot gevolg heeft dat de eerdere aanvaarding van de door de Inspecteur vastgestelde historische nieuwprijs niet langer geldt. De Rechtbank heeft dit ook zo begrepen, gelet op de omschrijving van het geschil (zie overweging 5 van haar uitspraak). Bovendien is de historische nieuwprijs tot aan het hoger beroep niet in geschil geweest. Pas in de motivering van het hoger beroep is de historische nieuwprijs aan de orde gesteld, onder verwijzing naar recente jurisprudentie, onder andere van het Hof. Hiermee wordt de eerder gedane, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke prijsgave van deze stelling niet ongedaan gemaakt. Deze stelling wordt door het Hof dan ook niet inhoudelijk behandeld.
Beschikking belastingrente
Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
Proceskosten beroep
Tot slot is de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding voor beroep in geschil. Belanghebbende stelt zich onder verwijzing naar het zogenoemde Aruba-arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, BNB 2024/21, op het standpunt dat pas vanaf die datum een factor van 0,25 mag worden toegepast indien de proceskostenvergoeding uitsluitend verband houdt met de toekenning van een vergoeding van immateriële schade.
Het Hof leest in het onder 5.10 genoemde arrest dat de Hoge Raad voor zichzelf een nieuw uitgangspunt formuleert. Er staat niet dat dit ook geldt voor lagere rechters, de gerechtshoven en de rechtbanken. Het tegendeel volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:572, dat na de zitting is gewezen. De Rechtbank heeft het gewicht van de zaak gewogen en deze als zeer licht gekwalificeerd. Het Hof laat deze beslissing in stand. Het verzoek tot vergoeding van immateriële schade is pas tijdens de zitting bij de Rechtbank gedaan en is niet moeilijk of bewerkelijk. De Rechtbank heeft het gewicht van dit mondelinge verzoek mogen bepalen op zeer licht. Aan het beroep op interne compensatie van de Inspecteur in dit kader komt het Hof dan ook niet toe.
Slotsom
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen. De beslissing is op 23 mei 2024 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.