ECLI:NL:GHDHA:2025:1156

ECLI:NL:GHDHA:2025:1156, Gerechtshof Den Haag, 22-01-2025, BK-24/498

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 22-01-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer BK-24/498
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:966
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0005416

Samenvatting

Artt. 3:40 en 3:41 Awb; verzending uitspraak op bezwaar naar privéadres gemachtigde; beroep niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Uitspraak van 22 januari 2025

[X] te [Z] , belanghebbende,

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de Invorderingsambtenaar,

Team Belastingrecht

enkelvoudige kamer

nummer BK-24/498

in het geding tussen:

(gemachtigde: N.G.A Voorbach)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 2 april 2024, nummer ROT 23/2595.

Procesverloop

Met dagtekening 29 juni 2022 is aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Rotterdam opgelegd van in totaal € 68,30, bestaande uit € 1,80 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten naheffing.

Met dagtekening 1 juli 2022 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag.

Met dagtekening 2 december 2022 heeft de Heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft de Heffingsambtenaar bij brief van 3 januari 2023 in gebreke gesteld. Bij brief van 21 maart 2023 heeft belanghebbende een dwangsomverzoek tevens inhoudende ingebrekestelling aan de Heffingsambtenaar verstuurd.

Belanghebbende heeft op 14 april 2023 beroep niet-tijdig beslissen ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht van € 50 geheven. De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht van € 138 geheven. De Heffingsambtenaar heeft een nader stuk aangeduid als verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 11 december 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

Op 18 juni 2022 om 11:48 uur stond de auto van belanghebbende met kenteken [kenteken] (de auto) geparkeerd op het [plein] in [woonplaats] (de parkeerlocatie). De parkeerlocatie is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam aangewezen als een plaats waar op die datum en dat tijdstip slechts mag worden geparkeerd tegen betaling van parkeerbelasting.

Tijdens een controle op hiervoor genoemd tijdstip is door de parkeercontroleur geconstateerd dat de auto stond geparkeerd zonder dat parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding hiervan is de naheffingsaanslag opgelegd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“5. Eiser heeft beroep wegens niet tijdig beslissen ingesteld.

6. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de belanghebbende daartegen in beroep gaan. Voordat hij of zij beroep kan instellen, moet de belanghebbende per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn of haar aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de belanghebbende beroep instellen.[1]

De heffingsambtenaar doet op een bezwaarschrift dat niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar uitspraak in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen.[2]

7. Het bezwaarschrift is op 1 juli 2022 ingediend. De termijn om op het bezwaarschrift te beslissen eindigt in dit geval op 31 december 2022. Op 1 november 2022 heeft de hoorzitting plaatsgevonden. Hierna is uitspraak op bezwaar gedaan op 18 november 2022 (gedagtekend 2 december 2022).

De uitspraak is twee weken voor de dagtekening aangemaakt en verzonden naar het privéadres van de gemachtigde van eiser ( [adres] , [postcode] in [plaats] ), zoals blijkt uit de verzendadministratie die verweerder heeft overgelegd. Hieruit blijkt dat tijdig uitspraak op bezwaar is gedaan en dat deze ook tijdig is verzonden. De schermprints tonen aan dat de uitspraak op bezwaar in een batch van in totaal 2.034 documenten is geprint met een 2D code, in een envelop is gedaan om 10.16 uur en op 18 november 2022 door de gemeente in een batch is aangeboden aan PostNL. PostNL heeft de gemeente gemeld dat bij deze batch geen uitval heeft plaatsgevonden. Het vorderingsnummer, zoals vermeld op de schermprint van de uitspraak op bezwaar, komt overeen met het nummer op de uitspraak op bezwaar. Hiermee is aannemelijk geworden dat de uitspraak op bezwaar de gemachtigde van eiser heeft bereikt. Dat de uitspraak aan het privéadres van de gemachtigde is verzonden maakt op zich niet dat aannemelijk is dat hij de gemachtigde niet zou hebben bereikt.

Nu aannemelijk is dat de uitspraak op bezwaar tijdig is gedaan en op 18 november 2022 per post is verzonden, zijn de ingebrekestelling, het verzoek om een dwangsom en het ingestelde beroep niet tijdig beslissen van eiser niet meer aan de orde. Het is namelijk niet mogelijk om een ingebrekestelling in te dienen nadat uitspraak op bezwaar is gedaan en vervolgens beroep wegens niet tijdig beslissen in te stellen.[3] Voor het toekennen van een dwangsom bestaat geen reden, nu de uitspraak op bezwaar binnen de daarvoor gestelde termijn is gedaan. Gelet hierop is het ingestelde beroep niet-ontvankelijk. Omdat uitspraak op bezwaar is gedaan voordat beroep is ingesteld, is van een “alsnog genomen besluit” in de zin van het derde lid van artikel 6:20 van de Awb geen sprake en is dus een beoordeling van de uitspraak op bezwaar aan de hand van het beroep wegens niet tijdig beslissen niet aan de orde.[4] Voor een dergelijke conversie van het ingestelde beroep wegens niet tijdig beslissen naar een reëel beroep is geen aanleiding, omdat eiser pas na afloop van de beroepstermijn beroep heeft ingesteld.[5]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenvergoeding bestaat ook geen aanleiding. Hierdoor bestaat geen aanleiding voor de door eiser verzochte vergoeding van wettelijke rente.

(…)

[1] Artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

[2] Artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet.

[3] CRvB 19 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:924.

[4] CRvB 12 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:877.

[5] Rechtbank Rotterdam 19 december 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:11902.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

In hoger beroep is in geschil of het beroep niet-tijdig beslissen ontvankelijk is. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot ontvankelijk verklaring van zijn beroep, tot vaststelling van een dwangsom en vermeerdering daarvan met wettelijke rente, ingaande vanaf de dag van verzuim tot aan de dag van voldoening, tot vergoeding van het griffierecht en tot vergoeding van de proceskosten. Indien laatstgenoemde bedragen niet binnen vier weken na de uitspraak zijn betaald, dient door de Heffingsambtenaar daarover wettelijke rente te worden vergoed.

De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat de Rechtbank zijn beroep niet-tijdig beslissen ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Belanghebbende stelt dat hij de uitspraak op bezwaar niet heeft ontvangen. Verder voert belanghebbende aan dat de uitspraak op bezwaar op onjuiste wijze is bekendgemaakt als bedoeld in de artikelen 3:40 en 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat de Heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar heeft verzonden naar het privéadres van de gemachtigde van belanghebbende.

Het Hof acht om dezelfde redenen als de Rechtbank aannemelijk dat de uitspraak op bezwaar op 18 november 2022 per post is verzonden naar het privéadres van de gemachtigde van belanghebbende.

De verzending van een stuk per post rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van dit stuk op het daarop vermelde adres, aangezien per post verzonden stukken in de regel op dat adres worden bezorgd. Het ligt daarom op de weg van de belanghebbende die de ontvangst van een door de Belastingdienst verzonden stuk ontkent, om dit vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat hij aannemelijk maakt dat het stuk niet op dat adres is ontvangen of aangeboden. Voldoende is dat op grond van hetgeen hij aanvoert de ontvangst of de aanbieding van het besluit redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Slaagt de belanghebbende daarin, dan zal de inspecteur nader bewijs moeten leveren ten aanzien van die ontvangst of die aanbieding (vgl. HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102, BNB 2019/142).

Gelet op hetgeen is overwogen in 5.2.1 is het vermoeden gerechtvaardigd dat de uitspraak op bezwaar is ontvangen op het privéadres van de gemachtigde van belanghebbende. De gemachtigde heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd waardoor de ontvangst van de uitspraak op bezwaar op zijn privéadres kan worden betwijfeld. Hij heeft de ontvangst immers alleen ontkent zonder dit verder te onderbouwen. Overigens heeft de gemachtigde van belanghebbende in zijn hogerberoepschrift en ter zitting van het Hof juist bevestigd post van de Heffingsambtenaar te hebben ontvangen.

Nu het vermoeden is gerechtvaardigd dat de uitspraak op bezwaar is ontvangen door de gemachtigde op zijn privéadres heeft hij daarvan ook kennis kunnen nemen. Hoewel de uitspraak op bezwaar strikt genomen niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, omdat deze naar het privéadres van de gemachtigde is verzonden in plaats van naar zijn kantooradres, is naar het oordeel van het Hof wel aan de strekking van de regels over bekendmaking van besluiten voldaan. De gemachtigde van belanghebbende heeft immers de uitspraak op bezwaar ontvangen op zijn privéadres en kan daarom geacht worden bekend te zijn geraakt met (de inhoud van) de uitspraak op bezwaar (vgl. HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930, BNB 2014/182, r.o. 3.3.5).

Het Hof is daarom van oordeel dat de Rechtbank het beroep van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard om dezelfde redenen als genoemd in de overwegingen 7.1 en 7.2 van de uitspraak van de Rechtbank.

Slotsom

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra. De beslissing is op 22 januari 2025 in het openbaar uitgesproken.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2025061706 FutD 2025-1288 NLF 2025/1340 Belastingblad 2025/282 met annotatie van Redactie
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?