ECLI:NL:GHDHA:2025:1335

ECLI:NL:GHDHA:2025:1335, Gerechtshof Den Haag, 13-02-2025, 22-001294-23

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 13-02-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22-001294-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 10 zaken
Aangehaald door 3 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0008804 BWBR0009709

Samenvatting

Vrijspraak deelneming aan criminele organisatie met terroristisch oogmerk. Verdachte onderhield een gemeenschappelijk huishouden met haar partner in IS gebied in Syrië. Dit is onvoldoende om te kunnen spreken van een aandeel hebben in dan wel ondersteunen van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Vrijspraak artikel 96 Sr. Veroordeling voor in een hulpeloze toestand brengen van haar minderjarige kinderen (artikel 255 Sr) door ze mee te nemen naar oorlogsgebied in Syrië.

Uitspraak

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 april 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

adres: [woonadres], [woonplaats].

Onderzoek: 26Pharr

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 15 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en onder oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1.zij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 18 juli 2015 tot en met 03 februari 2022 in één of meer plaats(en) in Syrië en/of Irak, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen aan een (terroristische) organisatie, te weten Islamitische Staat (IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL, althans (telkens) een aan IS en Al Qaida (verder AQ) gelieerde organisatie(s), althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan, welke organisatie(s) tot oogmerk had(den) en/of heeft/hebben het plegen van terroristische misdrijven, te weten,

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een ander en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176b en/of 289a en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie) (artikel 140a Wetboek van Strafrecht)

2.zij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 01 januari 2015 tot en met 03 februari 2022 in één of meer plaats (en) in Nederland en/of Syrië en/of Irak, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, telkens met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven):

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een ander en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 157 jo 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht)

- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zichzelf of aan anderen heeft verschaft en/of

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan zij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van het misdrijf immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s)

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk, gevoerd door de (terroristische) organisatie zoals de Islamitische Staat (verder IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en Jabhat al Nusra (verder JaN) (later Ha'yat Tahrir al-Sham (HTS) of Jabhat Fateh Al-Sham), althans (telkens) een aan IS en Al Qaida (verder AQ) gelieerde organisatie(s), althans (een) aan voornoemde organisatie(s) gelieerde jihadistische strijdgroep(en), althans (een)organisatie(s) die de gewapende jihadstrijd voorstaat/voorstaan, (verder) eigen gemaakt en/of

B. zich verdiept in en/of zich laten informeren over het afreizen naar en/of verblijven in het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of

C. de reis (met haar echtgenoot [echtgenoot] en hun drie minderjarige kinderen) naar Syrië en/of Irak gemaakt teneinde zich te begeven naar het strijdgebied, althans naar een, door een terroristische organisatie (zoals JaN en IS), althans een hieraan gelieerde strijdgroep) gecontroleerd gebied en/of (gedurende enige tijd) verbleven in bedoeld (strijd)gebied in Syrië-en/of Irak, en/of

D. zich gevoegd bij een of meer mededader(s) en/of IS strijder(s) en/of perso(o)n(en) gelieerd aan (een) terroristische organisatie(s) die de gewapende jihadstrijd voorstaat/voorstaan en/of een gezamenlijk huishouden gevoerd met haar (islamitisch) echtgenoot [echtgenoot] die (als strijder) deelnam aan IS, althans een terroristische organisatie die de gewapende jihadstrijd voorstaat en/of

E. in Syrië en/of Irak bijgedragen aan de gewapende jihadstrijd gevoerd door de (terroristische) organisatie IS, althans (een) terroristische organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan;

(art. 96 lid 2 jo 289 jo 289a jo 288 jo 288a jo 83 en art. 96 lid 2 jo 157 jo 176a jo 176b jo 83 Wetboek van Strafrecht)

3.zij in de periode van 18 juli 2015 tot en met 03 februari 2022 in Nederland, Turkije, Syrië en/of Irak, meermalen, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk haar minderjarige kind(eren) genaamd

[kind 1], geboren [geboortedatum kind 1] 2007 en

[kind 2], geboren [geboortedatum kind 2] 2010 en

[kind 3], geboren [geboortedatum kind 3] 2011

tot wiens onderhoud, verpleging en verzorging zij als ouder van [kind 1] en [kind 2] en [kind 3], krachtens de wet verplicht was, in een hulpeloze toestand gebracht en/of in een hulpeloze toestand heeft gelaten, immers heeft zij, verdachte, terwijl zij wist dat [kind 1] en [kind 2] en [kind 3] gedurende bovengenoemde periode (mede gelet op de minderjarigheid) zichzelf niet konden verweren en/of beschermen en/of in een veilige situatie konden brengen, (telkens),

met die [kind 1] en [kind 2] en [kind 3] gereisd naar en/of die [kind 1] en [kind 2] en [kind 3] meegenomen/gebracht naar en/of langdurig laten verblijven in één of meer plaats(en) en/of gebied(en) waar gewapende conflicten aan de gang waren en/of oorlogsgeweld heerste en/of (daarbij) die [kind 1] en [kind 2] en [kind 3] blootgesteld aan gevaren.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte van het onder 2 onderdelen A en E tenlastegelegde zal worden vrijgesproken, en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 onderdelen B, C en D en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1311 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 720 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en onder de oplegging van de bijzondere voorwaarde van een meldplicht, zoals geadviseerd door de reclassering.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 3

Door de verdediging is verzocht het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 3 niet-ontvankelijk in de vervolging te verklaren, nu vervolging voor dit feit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, dan wel het verbod op willekeur.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkheidsverklaring van het Openbaar Ministerie in de (wijze van) vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde (zoals het gelijkheidsbeginsel).

Naar het oordeel van het hof is ten aanzien van feit 3 geen sprake van een hiervoor bedoeld uitzonderlijk geval. Ter terechtzitting in eerste aanleg is door de officier van justitie naar voren gebracht dat het Openbaar Ministerie sinds 2021 heeft besloten in deze categorie zaken te gaan vervolgen ter zake van art. 255 van het Wetboek van Strafrecht en dat dit sindsdien het vervolgingsbeleid is. Een verandering in het vervolgingsbeleid leidt niet tot een schending van het gelijkheidsbeginsel.

Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak feiten 1 en 2

Vaststellen feitelijke gang van zaken

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast.

De verdachte is op of omstreeks 1 augustus 2015 met haar man [echtgenoot] (hierna ook: ‘[echtgenoot]’, of ‘haar man’ of ‘haar echtgenoot’) en hun drie jonge kinderen vanuit Nederland uitgereisd naar het destijds door IS gecontroleerde gebied in Syrië en Irak. Zij wist dat in Syrië een oorlog gaande was, dat daar werd gestreden en dat IS het kalifaat had uitgeroepen.

Het gezin is met de auto naar Gaziantep in Turkije gereden, waarna ze na een aantal dagen in Shaam in Syrië terecht zijn gekomen. Aangekomen in Shaam is de verdachte nog dezelfde avond met de kinderen naar een Madaffa in Raqqa gebracht. De Madaffa werd gecontroleerd door IS. Ook hing er een IS vlag aan de deur.

Een aantal dagen later is de verdachte naar Tabqa gebracht, waar zij haar man weer zag. Hierna zijn ze met het gezin naar Irak gereisd. Daar heeft de verdachte met haar kinderen anderhalve maand in een vrouwenhuis verbleven, terwijl haar man training kreeg. Hierna heeft haar man een woning gevonden ten noorden van Mosul. In de periode dat ze in Irak verbleven, ontving haar man geld van IS. Uit de aangetroffen administratie van ISIS blijkt dat haar man van februari 2016 tot en met november 2016 op de loonlijst bij IS heeft gestaan en dat hij onderdeel was van het [bataljon] Bataljon.

Eind augustus/begin september 2016 is het gezin van Mosul naar Raqqa gereisd. Daar hebben zij ongeveer vijf à zes maanden gewoond. Hierna zijn ze naar Al Bukamal vertrokken. In februari of maart 2017 zijn ze naar Baghouz verhuisd. Hier zijn ze ongeveer zes maanden gebleven en daarna hebben zij nog een periode in Sousa verbleven, alwaar de verdachte is bevallen van haar vierde kind.

Op 10 december 2017 heeft de verdachte zich overgegeven aan de Koerden. Zij is toen met haar kinderen naar het kamp Al Hol gebracht. Vervolgens is zij na twee weken naar het kamp Al Roj gebracht. Uiteindelijk zijn de verdachte en haar kinderen gerepatrieerd en op 4 februari 2022 aangekomen op het vliegveld in Eindhoven. Daar is de verdachte aangehouden.

Feit 1: deelname terroristische organisatie

Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat zij – kort gezegd – in de periode van 18 juli 2015 tot en met 3 februari 2022, al dan niet in vereniging met een ander of anderen, heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten IS/ISIS/ISIL, althans (een) aan IS en Al Qaida gelieerde organisatie(s), althans organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan. Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte deelname aan IS/ISIS wordt verweten.

Juridisch kader artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht

Deelneming aan – kort gezegd - een terroristische organisatie is strafbaar gesteld in artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Alvorens te beoordelen of daarvan in dit geval sprake is, zal hierna worden ingegaan op enkele relevante juridische kaders.

Terroristische organisatie

Volgens artikel 140a, eerste lid, Sr moet het gaan om een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Het oogmerk van de organisatie - een samenwerkingsverband in al dan niet wisselende samenstelling - moet derhalve zijn gericht op het plegen van (specifieke) misdrijven die zijn opgesomd in artikel 83 Sr, mits begaan met het in artikel 83a Sr omschreven terroristisch oogmerk.

Onder terroristisch oogmerk wordt ingevolge artikel 83a Sr verstaan het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.

Voor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.

Het gaat bij het misdrijf van artikel 140a Sr dus niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van terroristische misdrijven, maar om het oogmerk tot het plegen van die misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van terroristische misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.

Deelneming

Van deelneming aan een terroristische organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr kan slechts dan sprake zijn als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband én een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.

De deelnemingsgedraging behoeft in de tenlastelegging niet nader omschreven te worden. Wel zal feitelijk moeten worden vastgesteld waaruit de deelneming precies heeft bestaan. De deelneming moet voor de betrokkene steeds op zichzelf worden beoordeeld.

Een aandeel als hiervoor bedoeld kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand-en-spandiensten die op zichzelf niet strafbaar hoeven te zijn, maar wel strekken tot verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Of daarvan in een concreet geval sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van dat geval.

Ten aanzien van het voor de bewezenverklaring vereiste opzet op het terroristische oogmerk van de organisatie geldt dat voldoende is dat betrokkene in zijn algemeenheid - in de zin van onvoorwaardelijk opzet - weet dat de organisatie het plegen van terroristische misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat betrokkene enige vorm van opzet heeft op de door de terroristische organisatie beoogde concrete misdrijven. Evenmin is vereist dat betrokkene zelf heeft meegedaan of meedoet aan het plegen van misdrijven die door (leden van) de organisatie zijn of worden gepleegd.

IS/ISIS/ISIL

Het gerechtshof Den Haag heeft in eerdere uitspraken al geoordeeld dat IS/ISIS/ISIL (hierna in zijn algemeenheid ook wel aangeduid als IS) het oogmerk had om de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen en de bevolking ernstige vrees aan te jagen en dat deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van IS met zich meebrengt het plegen van terroristische misdrijven. Strijdgroepen als IS bereikten in de tenlastegelegde periode hun doelen, waaronder het vervangen van de bestaande politieke structuur door een structuur gebaseerd op de sharia, mede door angst, dood en verderf te zaaien onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelde. Zij kunnen aldus worden aangemerkt als organisaties die tot oogmerk hebben het plegen van terroristische misdrijven, als bedoeld in artikel 140a Sr.

Standpunt Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig het schriftelijk requisitoir, op het standpunt gesteld dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander heeft deelgenomen aan IS(IS) in de periode van 1 augustus 2015 tot en met 9 december 2017 (feit 1).

Daartoe is – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

De verdachte heeft, door zich te vestigen in het kalifaat en zich aldaar samen met haar man onder het gezag van het IS-bewind en de daaraan verbonden regels te stellen, IS getalsmatig versterkt. Daarnaast heeft zij een gezamenlijke huishouding gevoerd met een strijder en heeft zij zorg gedragen voor hem en hun gezamenlijke kinderen. Voorts heeft zij geprofiteerd van het loon van IS, waarmee zij en haar gezin in hun levensonderhoud werden voorzien. Ten slotte heeft de verdachte hulp geboden aan IS-strijder [IS strijder], door middel van het opnemen van zijn vrouw en kinderen. Later heeft zij deze [IS strijder] zelf ook gedurende een week in huis opgenomen. De handelingen van de verdachte, in onderlinge samenhang bezien, strekken tot dan wel houden rechtstreeks verband met de verwezenlijking van het terroristisch oogmerk van IS en moeten daarom als deelnemingshandelingen worden aangemerkt.

Het Openbaar Ministerie heeft verzocht bij de beoordeling van het voorgaande het volgende uit de Memorie van Toelichting van 2023 omtrent de verhoging van het strafmaximum voor artikel 140a Sr te betrekken:

“Voor de verwezenlijking van hun doelen zijn terroristische organisaties afhankelijk van deelnemers. Deelnemers aan terroristische organisaties leveren een onmisbare - en onmiskenbare - bijdrage aan de misdadige doelen van die organisatie. Dat doen zij bijvoorbeeld door het plegen of ondersteunen van aanslagen en andere ernstige misdrijven in naam van deze organisaties. Maar ook alleen al door zich in te laten met een terroristische organisatie versterken deelnemers het collectief getalsmatig, waarmee zij tevens de aantrekkingskracht van die organisatie op anderen doen toenemen. (…) Door zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie versterken de deelnemers deze organisatie ook getalsmatig. Daarmee wint die organisatie aan kracht en wordt deze (nog) bedreigender.”

Ook heeft het Openbaar Ministerie verzocht het rapport van dr. Jolen over de positie van de vrouw bij IS, alsook enkele deskundigenverklaringen die het standpunt van dr. Jolen onderschrijven, bij dit oordeel te betrekken.

Het Openbaar Ministerie stelt aldus uitdrukkelijk dat elke bijdrage ter verwezenlijking van het oogmerk van IS – waaronder het zorgen voor man, kind en huishouden – gelet op de context die daaraan moet worden gegeven, een deelnemingshandeling is ten behoeve van de terroristische organisatie IS. IS waardeerde immers elke door vrouwen geleverde bijdrage, binnen en buiten het strijdgebied, als wezenlijk, hetgeen overeen komt met hoe deskundigen de rol van de vrouw kwalificeren.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig de overgelegde pleitaantekeningen op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.

Daartoe is – kort gezegd - aangevoerd dat de verdachte geen directe bijdrage heeft geleverd aan de verwezenlijking van het oogmerk van IS. Ook van een indirecte bijdrage aan de verwezenlijking van het oogmerk van IS kan niet gesproken worden; het zorgdragen voor haar gezin en huishouden en het feit dat haar man geldbedragen ontving van IS zijn daarvoor onvoldoende. De verdachte heeft dan ook geen aandeel gehad in gedragingen dan wel gedragingen ondersteund die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van IS.

Oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het voor bewezenverklaring vereiste aandeel van de verdachte in gedragingen dan wel het ondersteunen van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, is voorbehouden aan de rechter en dient te worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval, zoals deze uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken. Dat een terroristische organisatie zelf bepaalde handelingen in het algemeen als van groot belang voor de organisatie beschouwt – zoals uit het rapport van dr. Jolen naar voren komt - is daarvoor niet zonder meer bepalend, temeer nu een eventuele bijdrage aan de organisatie nog geen aandeel in de hiervoor bedoelde zin behoeft op te leveren.

De door de advocaat-generaal genoemde passage in de Memorie van Toelichting, die betrekking heeft op verhoging van het strafmaximum van artikel 140a Sr, geeft evenmin dwingend richting aan het door de rechter in een concreet geval te geven oordeel dienaangaande. Daarbij komt dat de overweging dat een deelnemer aan een terroristische organisatie, door zich met de organisatie in te laten, het collectief getalsmatig versterkt – hetgeen voor de strafwaardigheid van het deelnemen van belang is -, nog niet betekent dat eenieder die het collectief getalsmatig versterkt reeds daardoor moet worden aangemerkt als deelnemer aan die organisatie, als bedoeld in artikel 140a Sr.

In het onderhavige geval kan – zoals hiervoor reeds is vastgesteld - uit het onderzoek ter terechtzitting worden opgemaakt dat de verdachte met haar man en hun drie kinderen naar Syrië en Irak is afgereisd, dat zij daar in IS-gebied heeft verbleven en dat zij een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd met haar man en kinderen. Andere handelingen van de verdachte die relevant kunnen zijn voor de beoordeling dat sprake is geweest van deelneming in de zin van artikel 140a Sr, zijn het hof niet gebleken. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Het tijdelijk verblijven van (de vrouw en kinderen van) [IS strijder] in of bij de woning van de verdachte en haar echtgenoot kan, voor zover al kan worden aangenomen dat de verdachte daar een aandeel in heeft gehad, naar het oordeel van het hof niet als een deelnemingshandeling van de verdachte worden aangemerkt. Daarbij wordt meegewogen dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte op dat moment wist dat die [IS strijder] een IS-strijder was en dat dit verblijf van [IS strijder] en/of van zijn gezin in verband daarmee of anderszins verband hield met het terroristisch oogmerk van IS.

De verdachte heeft weliswaar verklaard dat haar echtgenoot beschikte over een Kalasjnikov, maar ook dat dit wapen niet bij haar thuis kwam en dat hij het in een ongebruikt tuinhuis had gelegd waarvan de deur op slot zat, zodat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte daarover kon beschikken.

Dat de verdachte heeft geprofiteerd van het door haar echtgenoot in de periode van februari 2016 tot en met november 2016 van IS ontvangen loon, kan naar het oordeel van het hof evenmin worden aangemerkt als een deelnemingshandeling van de verdachte (vgl. HR 30 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:771).

Alles overziend levert het handelen van de verdachte, in de gegeven omstandigheden, naar het oordeel van het hof niet op het voor bewezenverklaring vereiste aandeel van de verdachte in gedragingen dan wel het ondersteunen van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van IS. Het onder 1 tenlastegelegde, te weten deelname aan een organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr, is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Feit 2: voorbereidings- en bevorderingshandelingen

Onder feit 2 is aan de verdachte tenlastegelegd dat zij – kort gezegd – al dan niet in vereniging met een ander of anderen, voorbereidings- dan wel bevorderingshandelingen heeft verricht om misdrijven te plegen als brandstichting, doodslag en/of moord met een terroristisch oogmerk.

Juridisch kader artikel 96 lid 2 Sr

De in artikel 96, tweede lid, Sr beschreven voorbereidings- en bevorderingshandelingen zijn strafbaar ongeacht het resultaat ervan. Vereist is dat de dader de gedraging onderneemt met het oogmerk het betreffende terroristische misdrijf voor te bereiden of te bevorderen. Voorwaardelijk opzet op de voorbereiding of bevordering van een terroristisch misdrijf volstaat niet.

Het misdrijf dat wordt voorbereid of bevorderd zal in zoverre moeten vaststaan dat kan worden bepaald of het een misdrijf betreft waarvan de voorbereiding en bevordering als bedoeld in artikel 96, tweede lid, Sr strafbaar is. Tijd, plaats en wijze van uitvoering zullen dus enigszins concreet moeten vaststaan. De verweten voorbereidings- en bevorderingshandelingen kunnen in onderlinge samenhang worden beschouwd. Ook indien op zichzelf staande handelingen geen strafbare voorbereiding opleveren, kan uit de combinatie van alle handelingen en het gedachtegoed van de verdachte tezamen het oogmerk van de verdachte op het voorbereiden van het terroristisch misdrijf worden afgeleid.

Standpunt Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van de in het schriftelijk requisitoir vermelde feiten en omstandigheden de onder 2 tenlastegelegde gedragingen zoals weergegeven onder B, C en D bewezen kunnen worden verklaard. Uit de combinatie van de gedragingen onder B, C en D in onderlinge samenhang beschouwd, kan het oogmerk op het voorbereiden van de terroristische misdrijven worden afgeleid. Indien geen oogmerk in de zin van bedoeling of naaste doel kan worden vastgesteld, is in ieder geval sprake van oogmerk in de zin van noodzakelijkheidsbewustzijn.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft zich overeenkomstig haar pleitaantekeningen op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Bewezen kan worden dat de verdachte is afgereisd naar IS gecontroleerd gebied en dat zij een gezamenlijk huishouden met haar man [echtgenoot] heeft gevoerd, maar niet dat de verdachte deze handelingen heeft verricht met het oogmerk om terroristische misdrijven te bevorderen of voor te bereiden, aldus de raadsvrouw.

Oordeel van het hof

De onder A (zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende jihadstrijd met een terroristisch oogmerk eigen maken) en E (het bijdragen aan de gewapende jihadstrijd) tenlastegelegde gedragingen acht het hof - met het Openbaar Ministerie en de verdediging - niet bewezen.

Onder B, C en D is — verkort weergegeven — tenlastegelegd dat de verdachte zich heeft laten informeren over afreizen naar en/of verblijven in het strijdgebied in Syrië (B), dat zij is afgereisd naar het strijdgebied (C) en dat zij zich gevoegd heeft bij een IS strijder en/of met hem een gezamenlijk huishouden heeft gevoerd (D).

Indien er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat de feitelijke gedragingen van de onderdelen B, C en D kunnen worden bewezen, dan is daarmee nog niet het bewijs geleverd dat de verdachte dit heeft gedaan met het oogmerk om de in de tenlastelegging genoemde terroristische misdrijven voor te bereiden of te bevorderen, ook niet indien deze onderdelen in onderlinge samenhang worden beschouwd.

Dat de verdachte samen met haar man en kinderen naar Syrië is afgereisd, daar in IS gebied heeft verbleven en een huishouding met haar inmiddels bij IS aangesloten man heeft gevoerd, betekent niet zonder meer dat bij de verdachte het hiervoor bedoelde oogmerk bestond. Om een dergelijke conclusie te kunnen trekken is meer informatie nodig over de beweegredenen van de verdachte, bijvoorbeeld dat zij een bepaalde versie van de jihad aanhing en/of naar Syrië vertrok om op enigerlei wijze deel te nemen of bij te dragen aan de gewapende strijd. Het procesdossier bevat dergelijke informatie niet en dit is evenmin op grond van het verhandelde ter terechtzitting duidelijk geworden.

Over de beweegredenen van de verdachte om uit te reizen naar Syrië kan het hof niet meer vaststellen, dan dat zij heeft gezegd bang te zijn geweest dat de jeugdbescherming haar kinderen zou afnemen in verband met het uitreizen van hun vader naar Syrië en dat zij daarom met haar man is meegegaan toen hij haar vertelde dat hij naar Syrië ging.

Uit het dossier blijkt weliswaar dat er radicaal extremistisch en jihadistisch materiaal is aangetroffen in de woning en de schuur van de verdachte en haar man. Ten aanzien daarvan kan het hof evenwel niet vaststellen dat dit materiaal aan de verdachte toebehoorde dan wel dat de verdachte weet had van dit materiaal.

Het hof acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het oogmerk had om een of meer van de terroristische misdrijven, bedoeld in het onder 2 tenlastegelegde, voor te bereiden of te bevorderen, noch dat de verdachte moet hebben beseft dat dit een noodzakelijk, en dus door haar gewild gevolg was van haar handelen. De verdachte zal dan ook van dit feit worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen feit 3

Aan de verdachte is onder 3 tenlastegelegd dat zij — kort gezegd - in de periode van 1 augustus 2015 tot en met 3 februari 2022 samen met een ander haar minderjarige kinderen in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten door met hen naar Syrië en Irak te reizen en hen heeft meegenomen naar een conflict-/oorlogsgebied.

Door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken, nu (voorwaardelijk) opzet op het in gevaar brengen en laten bij de verdachte ontbreekt en er bovendien geen sprake is geweest van concreet gevaar voor de kinderen. Subsidiair is aangevoerd dat de verdachte vrijgesproken dient te worden vanaf de aankomst in het kamp in december 2017.

Het hof overweegt hierover als volgt.

Het hof stelt het volgende voorop. De opstand in Syrië begon in het voorjaar van 2011 met vreedzame protesten om hervormingen af te dwingen bij het regime van president Bashar al-Assad. Begin 2013 is echter sprake van een regelrechte oorlog in het land. De Islamitische Staat in Irak (ISI), ook bekend als Al-Qa’ida in Iraq, mengt zich in de strijd tegen Assad. Op 11 maart 2013 bevestigt ISI haar betrokkenheid bij het Syrische conflict door een aanslag op te eisen. In april 2013 wijzigt ISI haar naam naar de Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIL), onder meer om de uitbreiding van haar activiteiten naar Syrië te benadrukken. Op 29 juni 2014 roept ISIL het islamitisch kalifaat uit in het door haar veroverde gebied in Irak en Syrië en wordt haar naam gewijzigd in de ‘Islamitische Staat’(IS). In september 2014 schat de CIA het aantal strijders die zich bij IS hebben aangesloten tussen de 20.000 en 31.500. In 2015 vonden veelvuldige luchtaanvallen plaats op door IS gecontroleerd gebied, zowel door het Syrische regime als door buitenlandse strijdende partijen.

Uit het voorgaande concludeert het hof dat in de tenlastegelegde periode een (interne) oorlog gevoerd werd in Syrië en dat in en rondom IS-gebied gewapende conflicten aan de gang waren. Het hof is dan ook van oordeel dat in dit gebied per definitie gevaar bestond voor leven en gezondheid. In dit verband merkt het hof tevens op dat IS tijdens militaire operaties en het uitoefenen van de macht in de door haar veroverde gebieden in Irak en Syrië de volgende werkwijzen hanteerde: (zelfmoord)aanslagen, executies, ontvoeringen, gijzelingen en genocide.

Vast staat dat de verdachte op of omstreeks 1 augustus 2015 met haar drie minderjarige kinderen vanuit Turkije Syrië is binnen gereisd en met hen is doorgereisd naar door IS gecontroleerd oorlogsgebied in Syrië en Irak.

De verdachte heeft verklaard dat zij wist van de oorlog/strijd in Syrië en het kalifaat dat door IS in Syrië en Irak uitgeroepen was. Niettemin heeft zij haar drie kinderen meegenomen naar dat kalifaat. Dat de verdachte, toen zij eenmaal in dit gebied was, steeds met haar kinderen binnen dit gebied verhuisde naar plaatsen die zo veilig mogelijk waren, doet naar oordeel van het hof niet af aan het voorgaande en illustreert temeer dat de verdachte haar kinderen heeft gebracht naar een (voor haar kinderen) onveilig gebied, waar wel degelijk sprake was van concreet gevaar. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte door op deze wijze te handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat er een gevaar zou kunnen ontstaan voor het leven of de gezondheid van haar kinderen en heeft zij hen hiermee in een hulpeloze toestand gebracht. Het verweer van de verdediging wordt dan ook in zoverre verworpen.

Wel is het hof van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het in hulpeloze toestand laten van haar kinderen, nu uit het dossier genoegzaam is gebleken dat de verdachte weg wilde uit IS gebied, hetgeen pas op 10 december 2017 is gelukt, met haar overgave aan de Koerden. Het hof betrekt bij dit oordeel de informatie uit de kennisdocumenten in het dossier, waaruit volgt dat burgers en strijders die IS probeerden te ontvluchten, ernstig werden bestraft.

Onder deze omstandigheden kan niet worden bewezen dat de

verdachte, nadat zij haar kinderen in hulpeloze toestand had gebracht, het opzet heeft gehad, al dan niet in voorwaardelijke zin, hen ook in die hulpeloze toestand te laten.

Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal de verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

3.zij op of omstreeks in de periode van 18 juli 2015 1 augustus 2015 tot en met 03 februari 2022 in Nederland, Turkije, Syrië en/of Irak, meermalen, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk haar minderjarige kind(eren) genaamd

[kind 1], geboren [geboortedatum kind 1] 2007 en

[kind 2], geboren [geboortedatum kind 2] 2010 en

[kind 3], geboren [geboortedatum kind 3] 2011

tot wiens onderhoud, verpleging en verzorging zij als ouder van [kind 1] en [kind 2] en [kind 3], krachtens de wet verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of in een hulpeloze toestand heeft gelaten, immers heeft zij, verdachte, terwijl zij wist dat [kind 1] en [kind 2] en [kind 3] gedurende bovengenoemde periode (mede gelet op de minderjarigheid) zichzelf niet konden verweren en/of beschermen en/of in een veilige situatie konden brengen, (telkens),

met die [kind 1] en [kind 2] en [kind 3] gereisd naar en/of die [kind 1] en [kind 2] en [kind 3] meegenomen/gebracht naar en/of langdurig laten verblijven in één of meer plaats(en) en/of gebied(en) waar gewapende conflicten aan de gang waren en/of oorlogsgeweld heerste en/of (daarbij) die [kind 1] en [kind 2] en [kind 3] blootgesteld aan gevaren.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk iemand tot wiens verzorging zij krachtens wet verplicht is, in hulpeloze toestand brengen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft haar drie minderjarige kinderen vanuit Nederland meegenomen naar door IS gecontroleerd grondgebied in Syrië en Irak. Dit, terwijl zij wist dat daar op dat moment gewapende conflicten plaatsvonden en dat er oorlogsgeweld heerste. Door haar kinderen bloot te stellen aan de aan gewapende conflicten en oorlogsgeweld verbonden gevaren en gevolgen, heeft de verdachte haar minderjarige kinderen in een hulpeloze toestand gebracht, terwijl van haar als ouder mag worden verwacht dat zij haar kinderen veiligheid en geborgenheid biedt.

Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

Uittreksel Justitiële Documentatie

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 januari 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Rapportages

Het hof heeft acht geslagen op de Pro Justitia rapportage over de verdachte d.d. 22 juli 2022 waaruit volgt dat er ten tijde van het tenlastegelegde, en ook op het moment van rapporteren, geen sprake was van een psychische stoornis, verstandelijke handicap en/of psychogeriatrische aandoening. Geadviseerd wordt om bij bewezenverklaring de feiten aan de verdachte toe te rekenen.

Het hof heeft tevens acht geslagen op het NTA duidingsrapport d.d. 27 december 2022. Hieruit volgt dat er bij de verdachte geen sprake is (geweest) van radicaal extremistisch gedachtegoed.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de verschillende reclasseringsrapporten omtrent de verdachte, waarvan de laatste dateert van 17 januari 2025. Uit het laatste reclasseringsrapport volgt dat de verdachte zich sinds haar schorsingsperiode goed houdt aan de aan haar opgelegde bijzondere voorwaarden en aan haar afspraken met de reclassering en andere betrokken instanties en dat er eigenlijk geen risicovolle signalen of zorgelijke zaken zijn te benoemen. Hulpverlening en behandeling zijn (bijna) afgerond. De reclassering stelt vast dat de verdachte problemen zelfstandig probeert op te lossen; zij is hierin niet afhankelijk van hulpverlening. De re-integratie van de verdachte wordt als positief ingeschat. Het opleggen van een meldplicht wordt geadviseerd om interventie – indien noodzakelijk – mogelijk te maken. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het goed met haar gaat en dat zij binnenkort – enkele dagen na de zitting - naar haar nieuwe woning zal verhuizen. Voorts heeft zij verklaard dat het goed gaat met haar kinderen en dat de ondertoezichtstelling van haar kinderen eindigt in april. Ook heeft zij een aanbod tot betaald werk gekregen van haar huidige werkgever.

Gezien de ernst van het feit kan naar oordeel van het hof niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft het hof acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Het hof ziet, anders dan de advocaat-generaal, onvoldoende aanleiding een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57 en 255 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. M.A.J. van de Kar, als voorzitter, en, mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst en mr. B. Stapert, leden, in bijzijn van de griffier mr. F.A. Janse.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 februari 2025.

Mr. Stapert is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst
  • mr. B. Stapert

Griffier

  • mr. M

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?