ECLI:NL:GHDHA:2025:1693

ECLI:NL:GHDHA:2025:1693, Gerechtshof Den Haag, 13-03-2025, BK-24/190

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 13-03-2025
Datum publicatie 16-09-2025
Zaaknummer BK-24/190
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2024:451
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 7 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001840 BWBR0005537 BWBR0007119

Samenvatting

Artikel 30a, lid 2, en artikel 40, lid 2, Wet WOZ; Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm; zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel niet geschonden; toezendplicht wel geschonden; waarde eindwoning niet te hoog vastgesteld; gebruik van de wortelformule is geen wettelijke verplichting of anderszins voorgeschreven regel; het Hof past voor de proceskostenvergoeding in hoger beroep factor 0,1 toe omdat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een bijzonder geval.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Uitspraak van 13 maart 2025

[X] te [Z] , belanghebbende,

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-24/190

in het geding tussen:

(gemachtigde: A. Bakker)

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 11 januari 2024, nummer SGR 22/6632.

Procesverloop

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats 1] (de woning), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 681.000 (de beschikking). Met de beschikking is onder meer in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen (eigenaar) van de [gemeente] (de aanslag).

Belanghebbende heeft tegen de beschikking en de aanslag bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 138. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 14 januari 2025 (volmacht met kopie identiteitsbewijs) en 19 januari 2025 (stukken A, B en C) nadere stukken ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 30 januari 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning is een eindwoning uit 1939 met een vrijstaande garage, aangebouwde schuur, aanbouw, balkon en dakkapel. Het gebruiksoppervlak van de woning is ongeveer 113 m². Het perceel is ongeveer 423 m².

De toenmalige gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief van 29 april 2022 bezwaar gemaakt tegen de beschikking. In het bezwaarschrift wordt gevraagd om toezending van het taxatieverslag en om uiterlijk in de uitspraak op bezwaar een overzicht op te nemen c.q. eerder toe te zenden in de vorm van een taxatiematrix van de relevante gegevens en waarden van de woning, waaronder in ieder geval: 1) de gehanteerde grondstaffel; 2) de gehanteerde cijfers en correcties voor secundaire objectkenmerken zoals kwaliteit, ligging, onderhoud etc. (VLOK/KOUDV factoren; 3) de waarde van de deelobjecten; en 4) minstens zes referentiewoningen die volgens de Heffingsambtenaar de waarde onderbouwen. Het bezwaarschrift bevat een matrix met de gegevens van de objecten [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] te [woonplaats 1] . Het bij het bezwaarschrift gevoegde taxatierapport, opgesteld door [naam 1] van [Bedrijf 1] met datum 29 april 2022, vermeldt dezelfde objecten als de Heffingsambtenaar en een getaxeerde waarde voor de woning van € 577.000.

De Heffingsambtenaar heeft in de bezwaarfase een taxatieverslag ter beschikking gesteld van belanghebbende en diens toenmalige gemachtigde. In het taxatieverslag is de waarde van de woning voor het onderhavige jaar bepaald op € 681.000. Hierin zijn gegevens opgenomen van de woning en van een drietal naar de opvatting van de Heffingsambtenaar met de woning vergelijkbare woningen, te weten de onroerende zaken [adres 5] , [adres 6] en [adres 7] . Het vergelijkingsobject [adres 5] is verkocht op 16 december 2020 voor € 675.013. Het vergelijkingsobject [adres 6] is op 20 april 2020 verkocht voor € 641.000. Het vergelijkingsobject [adres 7] is op 8 december 2020 verkocht voor € 485.000.

De uitspraak op bezwaar vermeldt dezelfde vergelijkingsobjecten met daarbij onder meer de aan de woning en de vergelijkingsobjecten toegekende KOUDV-factoren

De Heffingsambtenaar heeft in beroep een matrix overgelegd waarin de dezelfde verkooptransacties als vermeld onder 2.3.1 zijn opgenomen. In de waardeberekening onder punt 8 in de matrix is de waarde bepaald op € 682.719.

De Heffingsambtenaar heeft voorts een overzicht verstrekt van de indexering in de vorm van zogenoemde bolletjesgrafieken, inclusief een toelichting op de indexering van de verkoopcijfers van de vergelijkingsobjecten, alsmede de zogenoemde iWOZ-rapporten van de vergelijkingsobjecten overgelegd.

De Heffingsambtenaar heeft in hoger beroep een matrix overgelegd waarin de dezelfde verkooptransacties als vermeld onder 2.3.1 zijn opgenomen. Daarnaast vermeldt deze matrix ook gegevens van het object [adres 2] . Dit object, met een gebruiksoppervlakte van 103 m2 en een perceel grond van 264 m2, is op 31 maart 2021 verkocht voor € 576.941.

Belanghebbende heeft in hoger beroep een stuk aangeduid als “WOZ-DESKUNDIGENRAPPORT” met een referentiematrix ingediend. In het rapport concludeert Register Taxateur onroerende zaken [naam 2] van [Bedrijf 2] tot een waarde voor de woning van € 565.886.

Oordeel van de Rechtbank

Toezendplicht

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

Verzoek tot uitstel van de zitting

4. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank bij brieven van 16 oktober 2023 en 13 november 2023 om uitstel van de zitting verzocht omdat er, naar hij stelde, op 7 december 2023 al zittingen bij andere gerechten waren gepland van zaken van andere cliënten van zijn kantoor. Daarbij heeft de gemachtigde een grote hoeveelheid verhinderdata voor de aankomende periode vermeld. Bij brieven van 19 oktober 2023 en 17 november 2023 heeft de rechtbank de verzoeken afgewezen omdat de gemachtigde van eiser niet onder aanvoering van gewichtige redenen heeft aangegeven waarom hij niet op de zitting van 7 december 2023 aanwezig kon zijn.1 De enkele stelling dat op deze dag reeds zittingen waren gepland bij andere gerechten, is hiervoor onvoldoende. Hij kan zich immers laten vertegenwoordigen door een kantoorgenoot. Bovendien maakt de geringe beschikbaarheid van de gemachtigde het onmogelijk om binnen afzienbare tijd een andere geschikte dag te vinden waarop de zaak kan worden behandeld.

Beoordeling van de waarde van de woning

5. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".2

6. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op de door hem overgelegde matrix en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, hierin geslaagd. De rechtbank acht de door verweerder gehanteerde vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar met de woning. Met de matrix en hetgeen overigens door verweerder is aangevoerd, maakt hij aannemelijk dat in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning.

7. De stelling van eiser dat de waarde van de woning moet worden verlaagd vanwege de matige staat van onderhoud en de gedateerde voorzieningen doet aan het hiervoor gegeven oordeel niet af. Verweerder heeft bij het opstellen van de matrix al voldoende rekening gehouden met de matige staat van onderhoud en de gedateerde voorzieningen door de objectkenmerken onderhoud en voorzieningen als onder gemiddeld (code 2) aan te duiden.

8. Volgens (de huidige gemachtigde van) eiser heeft verweerder in de bezwaarfase ten onrechte geen taxatiematrix en grondstaffel verstrekt en hij verzoekt in dit kader om een proceskostenvergoeding. Vast staat dat (de toenmalige gemachtigde van) eiser in de bezwaarfase een verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van:

- de grondstaffel;

- de KOUDV-factoren en de bijbehorende cijfermatige correcties;

- de waarde van de deelobjecten; en

- minstens zes referentiewoningen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de gehanteerde KOUDV-factoren verstrekt. In de beroepsfase heeft verweerder de (matrix met) grondstaffel overgelegd.

9. Verweerder is niet verplicht om de cijfermatige correcties van de KOUDV-factoren, de waarde van de deelobjecten en minstens zes referentiewoningen aan eiser te verstrekken omdat dit geen gegevens zijn die onder de toezendplicht van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ vallen. Waarderen is geen exacte wetenschap en het beoordelen van de juistheid van de waarde gaat niet over de vraag of de samenstellende onderdelen van het object op de juiste bedragen zijn vastgesteld of het vaststellen van de juiste bedragen van verschillen in KOUDV-factoren, maar om de beoordeling van de WOZ-waarde als geheel.3 Daarentegen is de grondstaffel wel een gegeven dat ten grondslag ligt aan de vastgestelde waarde en waartoe eiser in de bezwaarfase een voldoende specifiek verzoek heeft gedaan. Artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ is dan ook (alleen) geschonden voor zover het de grondstaffel betreft.4 Eiser heeft in beroep alsnog kennis kunnen nemen van de grondstaffel en heeft deze kunnen betwisten. De rechtbank passeert het gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

10. De rechtbank ziet gelet op de omstandigheden in deze zaak geen aanleiding om gebruik te maken van de haar toekomende bevoegdheid een proceskostenvergoeding toe te kennen in verband met de schending van de toezendplicht. Verweerder heeft onweersproken verklaard dat eiser tijdens het hoorgesprek – ondanks dat hij vóór aanvang van het hoorgesprek wist of kon weten dat hij niet in het bezit was van de gevraagde gegevens – niet meer naar de grondstaffel heeft gevraagd. In het beroepschrift zijn vervolgens uitsluitend algemene opmerkingen gemaakt over de omvang van de toezendplicht en is niet concreet gemaakt welke gevolgen dit heeft gehad voor de behandeling van de onderhavige zaak. Daar komt bij dat in de bezwaarfase door een andere gemachtigde ( [Bedrijf 1] ) is geprocedeerd. Gegevens over de overdracht aan de huidige gemachtigde die inzicht zouden kunnen geven in het belang van toezending, zijn niet overgelegd. Op de zitting van 7 december 2023 zijn in totaal tien zaken van dezelfde gemachtigde behandeld waarin telkens identieke en algemene formele punten zijn aangevoerd, maar nauwelijks tot geen inhoudelijke klachten die betrekking hebben op de woning. De gemachtigde heeft ook om grondstaffels gevraagd in zaken waar dat niet aan de orde is. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de gemachtigde van eiser toch wel in beroep zou zijn gegaan, hetgeen betekent dat het al dan niet verstrekken van de grondstaffel in de bezwaarfase geen verschil heeft gemaakt voor de beslissing om door te procederen. Gelet hierop bestaat geen aanleiding de met het beroep gemoeide kosten te vergoeden.5

11. De stelling van eiser dat verweerder in strijd met artikel 6:17 van de Awb heeft gehandeld door de gemachtigde in de bezwaarfase niet de taxatiematrix en grondstaffel toe te zenden, moet worden verworpen. Artikel 6:17 van de Awb gaat immers niet verder dan dat in het geval er een gemachtigde is, de plicht bestaat aan hem stukken te zenden, maar dit artikel heeft geen betrekking op de vraag voor welke stukken een toezendplicht geldt.

12. Eiser stelt dat de bouwtekeningen van de vergelijkingsobjecten behoren tot de stukken zoals bedoeld in artikel 8:42 van de Awb en verzoekt verweerder de bouwtekeningen te overleggen. Anders dan eiser meent, horen de bouwtekeningen van de vergelijkingsobjecten niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb.6 Verweerder is daarom in beginsel niet verplicht om deze gegevens te verstrekken. Dit zou anders kunnen zijn als eiser aannemelijk maakt dat de gehanteerde oppervlakten van de vergelijkingsobjecten onjuist zijn maar dat heeft eiser in dit geval niet gedaan.

Motiveringsgebrek

13. Volgens eiser is de weergave van het hoorgesprek in de uitspraak op bezwaar niet volledig. Eiser heeft niet gesteld op welk punt het verslag van de hoorzitting niet compleet is. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake van een motiveringsgebrek, nu verweerder in de uitspraak op bezwaar is ingegaan op hetgeen in het hoorgesprek is besproken.

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de waarde van de woning en de daarop gebaseerde aanslag niet te hoog vastgesteld. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)

1. Vgl. Hoge Raad 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3529.

2 Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.

3 Gerechtshof Den Haag 19 mei 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:886.

4 Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052.

5 Gerechtshof Den Haag 21 september 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1984, ECLI:NL:GHDHA:2023:1985 en ECLI:NL:GHDHA:2023:1987.

6 Gerechtshof Den Haag 4 mei 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:914.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

In geschil is:

a. of de Heffingsambtenaar de toezendplicht heeft geschonden,

b. of de Heffingsambtenaar het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel heeft geschonden,

c. of de Rechtbank artikel 19 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) heeft geschonden door geen uitstel te verlenen voor de zitting,

d. of de waarde van de woning op een te hoog bedrag is vastgesteld.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, wijziging van de beschikking aldus dat de waarde van de woning nader wordt vastgesteld op € 566.000, dienovereenkomstige vermindering van de aanslag en tot toekenning van een (proces)kostenvergoeding voor bezwaar, beroep en hoger beroep.

De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Toezendplicht met betrekking tot in bezwaar verzochte stukken

Belanghebbende klaagt onder verwijzing naar artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat de Heffingsambtenaar in de bezwaarfase afschriften van de waardematrix, grondstaffel en een uitgebreid taxatieverslag had moeten toezenden aan zijn gemachtigde. De klacht van belanghebbende faalt. Artikel 6:17 Awb regelt, voor het geval er een gemachtigde is, alleen aan wie stukken moeten worden gezonden, niet welke stukken moeten worden gezonden (vgl. HR 20 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7148, BNB 2000/359).

Belanghebbende stelt dat hij op grond van artikel 7:4, lid 4, Awb recht heeft op toezending van afschriften van de stukken die in bezwaar ter inzage zijn gelegd. Uit de gedingstukken volgt dat (de voormalige gemachtigde van) belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van het inzagerecht. Dit betekent dat geen recht bestaat op afschriften van stukken (vgl. HR 15 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:289, BNB 2024/43).

Op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ dient aan degene te wiens aanzien een beschikking als bedoeld in de Wet WOZ is genomen, en die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens te worden verstrekt (HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052, BNB 2023/156).

Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verduidelijkt dat de Heffingsambtenaar ten onrechte niet de in het bezwaarschrift gevraagde “zes referentiewoningen” en “de grondstaffel” heeft verstrekt.

Voor wat betreft het verzoek om zes vergelijkingsobjecten en de daarbij behorende objectkenmerken aan te dragen, geldt dat een verplichting daartoe niet aan wet- en regelgeving of jurisprudentie is te ontlenen.

Zoals de Rechtbank in overweging 9 van haar uitspraak terecht heeft overwogen, heeft de Heffingsambtenaar de toezendplicht geschonden omdat hij de grondstaffel niet heeft verstrekt in de bezwaarfase. Anders dan de Rechtbank, passeert het Hof dit gebrek niet met toepassing van artikel 6:22 Awb, omdat in dit geval niet alleen geklaagd is over de schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ, maar ook over de vastgestelde WOZ-waarde. Dit brengt mee dat belanghebbende in beginsel recht heeft op een proceskostenvergoeding en vergoeding van het betaalde griffierecht. Bijzondere omstandigheden om daarvan af te wijken zijn gesteld noch gebleken. De omstandigheid dat belanghebbende ondanks de schending toch wel in beroep zou zijn gegaan, vormt geen bijzondere omstandigheid om van een proceskostenvergoeding en een vergoeding van het griffierecht af te zien. Zie HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106. Gelet op het hiervoor overwogene moet worden geoordeeld dat de Rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding noch een vergoeding van het griffierecht heeft toegekend. De hiertegen gerichte klacht slaagt.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

In artikel 7:11, lid 1, Awb is bepaald dat naar aanleiding van een bezwaar een heroverweging van het bestreden besluit moet plaatsvinden. Verder bepaalt artikel 7:12, lid 1, Awb dat een uitspraak op bezwaar deugdelijk gemotiveerd moet zijn. Het doel daarvan is dat het belanghebbende duidelijk moet zijn waarom de klachten in zijn bezwaarschrift zijn afgewezen, zodat een gedegen afweging kan worden gemaakt of, en zo ja, op welke gronden belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar in beroep wil gaan. Uit de uitspraak op bezwaar blijkt dat de Heffingsambtenaar naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft gekeken of de vastgestelde waarde niet te hoog was vastgesteld en heeft gemotiveerd op welke gronden hij van mening was dat dit niet zo was. Belanghebbendes klacht dat het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is geschonden, faalt daarom.

Artikel 19 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU)

Belanghebbende stelt dat de Rechtbank heeft gehandeld in strijd met artikel 19 van het VEU omdat zij, na een verzoek daartoe door de gemachtigde van belanghebbende, geen uitstel heeft verleend voor de zitting. Belanghebbende heeft ter zitting gevraagd om een beoordeling van deze stelling, maar daarbij tevens verklaard dat geen consequentie aan een eventuele strijdigheid hoeft te worden verbonden.

Anders dan belanghebbende meent, is het VEU niet van toepassing op dit geschil.

Het Hof merkt op dat de omstandigheid dat een gemachtigde een verplichting heeft om op de geplande zittingsdatum bij een ander gerecht te verschijnen een reden kan zijn om uitstel te verlenen. De gemachtigde dient dan wel aannemelijk te maken dat deze verplichting om bij het andere gerecht te verschijnen al bestond voordat hij de uitnodiging van de Rechtbank ontving. Het ligt dan op de weg van de gemachtigde om bij zijn uitstelverzoek een kopie mee te sturen van de uitnodiging van het andere gerecht. Uit het dossier blijkt niet dat de gemachtigde van belanghebbende bij het uitstelverzoek een dergelijke kopie heeft gevoegd. De enkele blote stelling van de gemachtigde dat hij altijd een kopie van de uitnodiging van het andere gerecht meestuurt bij zijn verzoeken om uitstel aan de Rechtbank is daartoe onvoldoende.

Indexeringspercentages

Belanghebbende heeft (bloot) gesteld dat de Heffingsambtenaar niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze de verkoopcijfers van de vergelijkingsobjecten zijn geïndexeerd naar de waardepeildatum. De Heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase ten aanzien van de door hem gehanteerde vergelijkingsobjecten een onderbouwing van het indexeringspercentage (bolletjesgrafieken) verstrekt en hierbij een toelichting verstrekt. De Heffingsambtenaar heeft toegelicht dat de bolletjesgrafieken zijn opgebouwd uit alle verkopen binnen de gemeente die vallen binnen de categorie woningen waartoe zowel de woning als de vergelijkingsobjecten behoren en dat de bolletjesgrafieken daarmee zeer specifiek zijn ten aanzien van de waardeontwikkeling van de betreffende categorie woningen in de gemeente. De Heffingsambtenaar heeft daarmee voldoende inzicht verschaft in de gehanteerde indexering van de gebruikte verkooptransacties. De stelling van belanghebbende faalt derhalve.

Waarde woning

De waarde van een woning wordt ingevolge artikel 17, lid 2, Wet WOZ bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 43-44).

Op de Heffingsambtenaar rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. Bij de beoordeling van de vraag of de Heffingsambtenaar aan zijn bewijslast heeft voldaan, dient evenwel te worden gelet op hetgeen door belanghebbende wordt aangevoerd (vgl. HR 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:332, BNB 2023/63).

Niet vereist is dat vergelijkingsobjecten identiek zijn aan de woning. Voldoende is dat vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn, mits bij de bepaling van de waarde voldoende rekening wordt gehouden met de onderlinge verschillen tussen vergelijkingsobjecten en de woning. De in aanmerking genomen vergelijkingsobjecten zijn in voldoende mate vergelijkbaar met de woning en de Heffingsambtenaar heeft met de door hem aangevoerde gegevens, de matrix en de toelichting bij de matrix aannemelijk gemaakt dat bij de waardering van de woning voldoende rekening is gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning. De verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten kunnen hierdoor als richtsnoer dienen bij het bepalen van de waarde van de woning.

Het Hof acht de door de Heffingsambtenaar vastgestelde waarde, gelet op de voor de vergelijkingsobjecten gerealiseerde verkoopprijzen, niet te hoog.

Hetgeen belanghebbende ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd, doet niet af aan het oordeel dat de Heffingsambtenaar aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan.

Belanghebbende heeft gesteld dat de Heffingsambtenaar in zijn matrix, gelet op factor 3 voor de ligging van de woning, een onjuiste grondwaarde van de woning in aanmerking heeft genomen. De Heffingsambtenaar heeft ter zitting onweersproken gesteld dat zijn matrix onder punt 5 weliswaar factor 3 voor de ligging vermeldt, maar dat bij de berekening van de grondwaarde factor 4 is toegepast. Dit komt ook overeen met het bedrag van € 174.699 met daarbij een correctie voor een bovengemiddelde ligging van 20% zit ten opzichte van de waarde volgens de grondstaffel. Bij de herwaardering van de woning is de factor voor de ligging naar aanleiding van een grief van belanghebbende gewijzigd in 3 (zie punt 8 in de matrix van de Heffingsambtenaar). Het staat de Heffingsambtenaar vrij om in beroep de waarde op een andere manier, met een andere waardeberekening, te onderbouwen. Dit leidt niet tot een schending van het vertrouwensbeginsel.

Belanghebbende heeft voorts gesteld dat aan de kwaliteit van de woning factor 2 moet worden toegekend in plaats van factor 3 die de Heffingsambtenaar heeft toegepast. De Heffingsambtenaar heeft ter zitting toegelicht dat in het geval ofwel de keuken gedateerd is ofwel de badkamer de factor voor voorzieningen wordt aangepast en in het geval beide gedateerd zijn de factor kwaliteit. De Heffingsambtenaar is ervan uitgegaan dat in dit geval alleen de keuken gedateerd is en heeft daarom de factor voor voorzieningen op 2 gesteld. Met de door belanghebbende in het geding gebrachte foto’s heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de badkamer van ondergemiddelde kwaliteit is.

Belanghebbende heeft met betrekking tot het vergelijkingsobject [adres 5] gesteld dat aan de kwaliteit van dit object factor 4 in plaats van factor 2 moet worden toegekend. De Heffingsambtenaar heeft daartegenover ter zitting onweersproken verklaard dat dit object meer dan 15 jaar geleden is uitgebouwd en verbouwd. Uit de door belanghebbende bij zijn nadere stukken overgelegde iWOZ-kaart van dit object blijkt dat de verbouwing heeft plaatsgevonden in 2003. Het Hof acht de verklaring van de Heffingsambtenaar toereikend voor het toepassen van factor 2.

Belanghebbende heeft met betrekking tot het vergelijkingsobject [adres 6] gesteld dat aan voorzieningen factor 3 in plaats van factor 2 moet worden toegekend. Hij heeft deze stelling echter niet onderbouwd en daarom gaat het Hof eraan voorbij.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 3 maart 2023, ECLI:NL:2023:332, beslist dat bij de beoordeling of een heffingsambtenaar de door hem verdedigde waarde van een object aannemelijk maakt ook de gegevens van andere objecten, waarvan de vergelijkbaarheid niet in geschil is, in de beoordeling moeten worden betrokken als een belanghebbende met bewijsmiddelen onderbouwd stelt dat de verkoopopbrengst van die andere objecten lager is dan van de vergelijkingsobjecten waarvan de heffingsambtenaar is uitgegaan.

Belanghebbende verwijst onder meer naar de verkopen van de objecten [adres 2] , op 1 maart 2021 verkocht voor € 595.000, [adres 7] , op 25 januari 2021 verkocht voor € 485.000, en [adres 3] , op 14 januari 2021 verkocht voor € 481.222. De Heffingsambtenaar heeft de vergelijkingsobjecten [adres 2] en [adres 7] eveneens in aanmerking genomen bij het vaststellen van de waarde van de woning en het Hof heeft hiervoor reeds geoordeeld dat de verkoopprijzen van deze vergelijkobjecten kunnen dienen als richtsnoer ter onderbouwing van de beschikte waarde. De Heffingsambtenaar heeft voorts onweersproken gesteld dat het object [adres 3] een rijwoning betreft en geen eindwoning, zoals de woning en de vergelijkingsobjecten, en is gelegen langs de drukke ontsluitingsweg tussen [woonplaats 2] en [woonplaats 3] , een zeer drukke doorgaande weg met bushaltes. Met de Heffingsambtenaar acht het Hof dit object daarom niet goed vergelijkbaar en daarom niet geschikt om te dienen als vergelijkingsobject voor de woning.

Belanghebbende heeft de in de door hem in het geding gebrachte matrix toegepaste correctiepercentages en bedragen per basiseenheid niet onderbouwd. Niet inzichtelijk is bijvoorbeeld op welke wijze de correctiepercentages tot stand zijn gekomen. Het ligt op de weg van belanghebbende om hierover door middel van een doeltreffende toelichting van de taxateur opheldering te geven. Omdat een dergelijke toelichting ontbreekt, brengt de matrix van belanghebbende het Hof niet tot een ander oordeel.

Afnemende meerwaarde / wortelformule

Belanghebbende bestrijdt dat de afnemende meerwaarde van de grotere gebruiksoppervlakte van de vergelijkingsobjecten ten opzichte van de gebruiksoppervlakte van de woning kan worden berekend aan de hand van een vast bedrag van, naar het Hof begrijpt, € 5 per m2, zoals in de matrix van de Heffingsambtenaar is vermeld. Door een vast bedrag toe te passen heeft de Heffingsambtenaar, naar belanghebbende stelt, geen rekening gehouden met de verhoudingen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. Belanghebbende stelt dat daarom de wortelformule moet worden toegepast.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Heffingsambtenaar met de correctie van € 5 per m2 (zie punt 7 van zijn matrix) aannemelijk gemaakt dat hij in voldoende mate rekening heeft gehouden met het verschil in gebruiksoppervlakte tussen de woning en de vergelijkingsobjecten en dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Belanghebbendes stelling dat de Heffingsambtenaar de wortelformule onjuist of ten onrechte niet toepast, leidt niet tot een ander oordeel. Het gebruik van die formule of de wijze van toepassing daarvan is geen wettelijke verplichting of anderszins voorgeschreven regel. Het gaat erom dat de waarde van de woning in een redelijke verhouding staat tot de vergelijkingsobjecten. Dit is naar het oordeel van het Hof het geval.

Voor zover belanghebbende verder nog stellingen heeft aangevoerd met betrekking tot de waarde leiden zij niet tot een ander oordeel.

Slotsom

Het hoger beroep is alleen gegrond wegens schending van de toezendplicht.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten voor de door belanghebbende in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten en tot vergoeding van de in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten.

Beroepsfase

Wat betreft de vergoeding van de proceskosten in beroep, zal het Hof de Heffings-ambtenaar veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage, vast op € 453,50 (1 punt voor het beroepschrift à € 907 x wegingsfactor 0,50).

Belanghebbende is slechts ten aanzien van de schending van de toezendverplichting in het gelijk gesteld. Hierin ziet het Hof aanleiding om met toepassing van artikel 2, lid 2, Bpb de toe te kennen proceskostenvergoeding te verminderen door toepassing van factor 0,50. Voor een hogere vergoeding ziet het Hof geen aanleiding.

Verder dient aan belanghebbende het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 50 te worden vergoed.

Hogerberoepsfase

Het Hof stelt de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de procedure in hoger beroep, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vast op € 181,40 (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 x wegingsfactor 1 x factor 0,1 (artikel 30a Wet WOZ)).

Bij de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv) is artikel 30a aan de Wet WOZ toegevoegd, waarin de hoogte van proceskostenvergoedingen voor procedures betreffende de WOZ is beperkt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, ten aanzien van de werkingssfeer van de WHpkv het volgende overwogen:

“3.5.1 Uit hetgeen hiervoor in 3.4.1 tot en met 3.4.6 is overwogen, volgt dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ en de bpm het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak.

Gevallen die kennelijk niet de hiervoor in 3.5.1 bedoelde kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de WHpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van de tweede volzin van artikel 19a, leden 1 en 2, van de Wet bpm en artikel 30a, leden 1 en 2, van de Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10. Een dergelijke uitleg van het begrip bijzondere gevallen draagt bij aan de verwezenlijking van het in artikel 17, lid 1, van de Grondwet begrepen recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende.”

Uit de bij het hogerberoepschrift gevoegde volmacht volgt dat de gemachtigde optreedt op basis van no cure, no pay, waarbij de proceskostenvergoedingen en andere vergoedingen aan de gemachtigde of zijn kantoor worden afgedragen. Verder volgt uit de door de gemachtigde ingediende gedingstukken van de op de zitting van het Hof van 30 januari 2025 behandelde zaken, waaronder de hogerberoepschriften, dat deze veelal inwisselbaar zijn, waarbij ten dele wordt gebruikgemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die zich niet op de zaak toespitsen. Ook in de onderhavige zaak bevat het hogerberoepschrift gronden die toepassing missen of waarin wordt gevraagd om stukken die al eerder aan belanghebbende zijn verstrekt.

De gemachtigde heeft met hetgeen hij ter zitting heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een bijzonder geval in de zin van de tweede volzin van artikel 30a, lid 2, Wet WOZ. Het is aan de gemachtigde om feiten te stellen en – bij betwisting – aannemelijk te maken dat sprake is van zo’n bijzonder geval. Met de algemene stellingen van de gemachtigde dat hij de vergelijkingsobjecten bespreekt, de objectkenmerken van de woning en de vergelijkingsobjecten controleert en bij een geringere vergoeding geen rechtsbescherming meer kan bieden, heeft hij niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Nog daargelaten dat het doel van de proceskostenvergoeding niet eruit bestaat de werkelijke kosten te vergoeden, maar het bieden van een tegemoetkoming in die kosten.

Nu de uitspraak van de Rechtbank is bekendgemaakt na 1 januari 2024 en het bestreden besluit, de WOZ-beschikking, niet wordt vernietigd of gewijzigd, heeft het Hof factor 0,1 toegepast. Voor een hogere vergoeding ziet het Hof geen aanleiding.

De stelling dat artikel 30a Wet WOZ in strijd is met hogere regelgeving, zoals artikel 17 van de Grondwet, het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel, artikel 6 juncto artikel 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, faalt op de gronden als vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.

Verder dient de Heffingsambtenaar het voor de behandeling in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138 aan belanghebbende te vergoeden.

Uitbetaling van proceskostenvergoeding en griffierecht

Belanghebbende heeft verzocht te bepalen dat de betaling van de vergoeding voor de proceskosten en het griffierecht, in overeenstemming met dat wat is opgenomen in de aan de gemachtigde verleende volmacht, rechtstreeks aan de gemachtigde dient plaats te vinden.

De belastingrechter is niet bevoegd een oordeel te geven over de wijze waarop de betaling van de proceskostenvergoeding en het griffierecht dient plaats te vinden. Belanghebbende dient zich bij een geschil daarover te wenden tot de burgerlijke rechter (vgl. HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, r.o. 5.4). Overigens bepaalt artikel 30a, lid 4, Wet WOZ dat uitbetalingen van – kortgezegd – proceskosten en griffierecht uitsluitend plaatsvinden op de bankrekening die op naam staat van de belanghebbende.

Beslissing

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

Het Gerechtshof:

Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, P.J.J. Vonk en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.

De griffier, De voorzitter,

L. van den Bogerd Chr.Th.P.M. Zandhuis

De beslissing is op 13 maart 2025 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2025/2020
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?