ECLI:NL:GHDHA:2025:1750

ECLI:NL:GHDHA:2025:1750, Gerechtshof Den Haag, 16-04-2025, BK-23/1096

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 16-04-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer BK-23/1096
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2026:110
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001840

Samenvatting

Parkeerbelasting. Art. 225, lid 8, Gemeentewet. Gereduceerd tarief voor bewonersvergunningen in twee vergunningsgebieden in Den Haag (kraagregeling); beroep op gelijkheidsbeginsel; objectieve en redelijke rechtvaardiging voor ongelijke behandeling; hoorrecht niet geschonden; geen vergoeding van griffierecht maar wel van proceskosten voor beroep tegen niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Uitspraak van 16 april 2025

[X] te [Z] , belanghebbende,

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar,

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-23/1096

in het geding tussen:

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de rechtbank) van 19 september 2023, nummer SGR 22/4214.

Procesverloop

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (het college) heeft aan belanghebbende voor de periode van 22 oktober 2021 tot 1 juli 2022 een bewonersvergunning voor het vergunninggebied [Buurt 1] (gebiedscode [1] ) verleend. Voor de verleende vergunning heeft belanghebbende op 29 oktober 2021 een bedrag van € 59,43 aan parkeerbelasting op aangifte voldaan.

Belanghebbende heeft tegen de voldoening van parkeerbelasting ter zake van de van gemeentewege verleende vergunning bezwaar gemaakt bij brief van 25 november 2021 en de Heffingsambtenaar bij brief van 8 maart 2022 in gebreke gesteld omdat hij daarop nog niet had beslist.

Op 13 juli 2022 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar en daarbij verzocht om een dwangsom. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 50.

De Heffingsambtenaar heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 10 augustus 2022 kennelijk ongegrond verklaard en daarbij vastgesteld dat belanghebbende recht heeft op een maximale dwangsom van € 1.442.

De beslissing van de Rechtbank luidt:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond.”

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend.

Bij uitspraak na vereenvoudigde behandeling van 13 juni 2024 heeft het Hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet voldoen van het verschuldigde griffierecht. Het Hof heeft het verzet tegen de uitspraak na vereenvoudigde behandeling gegrond verklaard en het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich voor de uitspraak van 13 juni 2024 bevond.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 maart 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

In de openbare raadsvergadering van 19 november 2009 heeft de raad van de gemeente Den Haag op voorstel van het college besloten:

“I. in te stemmen met de kraagregeling met de volgende randvoorwaarden:

- in principe gaat het om een tijdelijke regeling (de invoering van betaald parkeren is daarbij niet uitgesloten in de toekomst);

- een kraagregeling is een ‘maatwerkoplossing’ die qua principe stadsbreed kan worden toegepast;

- de kraagregeling wordt alleen toegepast als er in een of meerdere straten extra parkeeroverlast optreedt als gevolg van de in het raadsvoorstel ‘Aanpak Parkeren Woongebieden’ genoemde invoeringen van betaald parkeren, waarbij:

- er sprake is van een ‘blauw gebied’ waar een reguliere invoering van betaald parkeren (nog) geen oplossing biedt, en;

- er sprake is van uitwijkverkeer vanuit twee of meer aangrenzende betaald parkeergebieden;

- een kraagregeling mag in principe voor bewoners weinig kosten, want de extra parkeerproblemen zijn een gevolg van de invoering van betaald parkeren elders;

- een kraagregeling moet snel kunnen worden ingevoerd;

- een kraagregeling mag in termen van kosten en organisatie niet tot een grote belasting van de gemeentelijke organisatie leiden;

- een kraagregeling dient fraudebestendig te zijn om een goede effectiviteit te waarborgen.

II. te starten met de invoering van de kraagregeling in [Buurt 2] .

(…)”

De raad heeft besloten per 1 oktober 2012 in de [Buurt 3] (gebiedscode [2] ) de tijdelijke kraagregeling in te voeren omdat door invoering van een reguliere vorm van betaald parkeren in de gehele [Buurt 4] “de [Buurt 3] te maken krijgt met uitwijkeffect van twee betaald parkeergebieden”. In de openbare raadsvergadering van 27 juni 2013 is besloten de tijdelijke kraagregeling eveneens in te voeren in de [Buurt 5] (gebiedscode [3] ).

Belanghebbende is woonachtig in [Buurt 1] (gebiedscode [1] ). Op 22 oktober 2021 is aan belanghebbende voor de periode van 22 oktober 2021 tot 1 juli 2022 een bewonersvergunning voor dit vergunninggebied verleend. Voor de verleende vergunning heeft belanghebbende een bedrag van € 59,43 aan parkeerbelasting op aangifte voldaan. Belanghebbende heeft bij brief van 25 november 2021 tegen de voldoening op aangifte bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift vermeldt dat belanghebbende heeft geconstateerd “dat voor de [Buurt 5] en de [Buurt 3] een gereduceerd jaartarief geldt” van € 13,80 in plaats van het algemene tarief van € 64,80 en dat op grond van het gelijkheidsbeginsel ook voor het [adres] , waar belanghebbende woont, een tarief dient te gelden van € 13,80.

Bij brief van 8 maart 2022 heeft belanghebbende de Heffingsambtenaar in gebreke gesteld. Vervolgens heeft belanghebbende op 13 juli 2022 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar en heeft hij een dwangsom verzocht. De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 augustus 2022 het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. De uitspraak op bezwaar vermeldt onder meer:

“In uw bezwaar voert u aan dat het toegepaste jaartarief voor de parkeervergunning van

€ 64,80 niet juist is. Voor de [Buurt 6] en [Buurt 5] geldt een gereduceerd jaartarief van

€ 13,80. Het enige verschil tussen deze buurt en uw buurt is dat in de [Buurt 6] en

[Buurt 5] de verantwoordelijk wethouder woonachtig is. Op basis van het

gelijkheidsbeginsel moet in uw buurt ook het gereduceerde tarief toegepast worden.”

De Heffingsambtenaar heeft verder in die uitspraak meegedeeld dat de beslistermijn is overschreden en dat belanghebbende recht heeft op de maximale dwangsom van € 1.442. De dwangsom is op 4 januari 2023 betaald.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“1. Op 22 oktober 2021 is aan eiser voor de periode van 22 oktober 2021 tot 1 juli 2022 een bewonersvergunning voor het vergunningengebied [Buurt 1] (gebiedscode [1] ) verleend tegen een tarief van € 59,43, zijnde een tarief van € 5,40 per maand. Eiser heeft hiertegen bij brief van 25 november 2021 bezwaar gemaakt.

2. Bij brief van 8 maart 2022 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. Vervolgens heeft eiser op 13 juli 2022 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar en heeft hij om een dwangsom verzocht. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 augustus 2022 het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft verder in die uitspraak meegedeeld dat de beslistermijn is overschreden en dat eiser recht heeft op de maximale dwangsom van € 1.442.

3. In geschil is of verweerder het bezwaar terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard.

Beroep niet tijdig beslissen op bezwaar

4. Vaststaat dat verweerder na indiening van het beroep op 13 juli 2022 alsnog uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Dit brengt mee dat er niet langer een processueel belang is bij het beroep wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar. Het beroep dient dan ook in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Beroep uitspraak op bezwaar

5. Het beroep wordt op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede geacht te zijn gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 10 augustus 2022.

6. Bij uitspraak op bezwaar van 10 augustus 2022 heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

7. Het staat de gemeente binnen de grenzen van artikel 219 en 225 van de Gemeentewet vrij om parkeerbelasting voor het verlenen van een bewonersvergunning te heffen en daarvoor een tarief te vast te stellen. De gemeente komt een ruime beleidsvrijheid toe bij de vaststelling van de parkeertarieven. In die autonome bevoegdheid mag de rechter, en ook verweerder (de heffingsambtenaar) in beginsel niet treden. Daarop geldt een uitzondering in geval komt vast te staan dat de tarieven voor een bewonersvergunning in strijd zijn met algemene rechtsbeginselen, zoals het gelijkheidsbeginsel, of tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing leiden die wetgever bij de toekenning aan de gemeente van de bevoegdheid tot het heffen van parkeerbelasting niet voor ogen kan hebben gehad.. Uit hetgeen eiser heeft aangevoerd, kan echter niet worden afgeleid dat in het onderhavige geval sprake is van gelijke gevallen, laat staan dat in een meerderheid van de met dit geval vergelijkbare gevallen een juiste heffing achterwege zou zijn gebleven. De enkele omstandigheid dat in het vergunningengebied [Buurt 6] en [Buurt 5] een lager jaartarief van € 13,80 wordt gehanteerd, maakt dit niet anders, nu, naar hiervoor is overwogen, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Gegeven de hoogte van het tarief waarnaar de belasting van eiser is geheven, is van onredelijke en willekeurige belastingheffing geen sprake.

8. Van schending van de hoorplicht is evenmin sprake. Op grond van artikel 7:3, onderdeel b, van de Awb kan een bestuursorgaan van het horen van een belanghebbende afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat is alleen het geval indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, hiervan in dit geval sprake is. Het bezwaar is dan ook terecht kennelijk ongegrond verklaard.

9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

In geschil is of belanghebbende recht heeft op een verlaagd parkeerbelastingtarief voor een bewonersvergunning, of het hoorrecht in bezwaar is geschonden en of de Rechtbank hem een vergoeding van zijn proceskosten en het griffierecht had moeten toekennen.

Belanghebbende concludeert tot terugwijzing om alsnog van het hoorrecht gebruik te maken, tot een teruggaaf van parkeerbelasting, tot toekenning van een vergoeding van het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht en tot toekenning van een proceskostenvergoeding van € 48 aan verletkosten in beroep en in hoger beroep.

De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Tarief / gelijkheidsbeginsel

Artikel 225 van de Gemeentewet luidt:

“1. In het kader van de parkeerregulering kunnen de volgende belastingen worden geheven:

(…)

b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.

(…)

8. Het tarief van de in het eerste lid bedoelde belastingen kan afhankelijk worden gesteld (…) van de ligging van de terreinen of weggedeelten.”

Artikel 2 van de Verordening parkeerbelastingen Den Haag 2021 luidt:

“Onder de naam ‘parkeerbelastingen’ worden de volgende belastingen geheven:

(…)

b. een belasting voor een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een

motorvoertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.

Hoofdstuk 3 van de Tarieventabel behorende bij de Verordening parkeerbelastingen 2021 luidt voor zover thans van belang:

Art

Omschrijving

Tarief 2021

3

Het tarief voor een vergunning als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, bedraagt:

(…)

(…)

(…)

3.3.1

voor een 1e bewonersvergunning of bewonersvergunning Gehandicapten afgegeven op kenteken per maand:

€ 5,40

(…)

(…)

(…)

3.3.4

in afwijking van het bepaalde in de onderdelen 3.3.1 tot en met 3.3.3 voor een bewonersvergunning afgegeven op kenteken en geldig in de deelgebieden met gebiedscodes [3] en [2] per maand:

€ 1,15

Belanghebbende stelt – naar het Hof begrijpt – dat hij voor wat betreft het parkeren geen verschil ziet tussen zijn buurt ( [Buurt 1] ) en de [Buurt 5] en de [Buurt 3] , dat sprake is van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van gelijke gevallen en dat hij daarom op grond van het gelijkheidsbeginsel het recht heeft om het gereduceerde jaartarief dat gold voor de vergunningengebieden [Buurt 5] en [Buurt 3] te betalen voor zijn bewonersvergunning.

De Heffingsambtenaar stelt daar tegenover dat geen sprake is van gelijke gevallen, dat het invoeren van betaald parkeren in bepaalde buurten heeft geleid tot het verplaatsen van parkeerdruk naar andere buurten en dat in verband daarmee de zogenoemde kraagregeling is ingevoerd. Daarom is een gereduceerd tarief ingevoerd voor bewonersvergunningen voor de [Buurt 3] en de [Buurt 5] .

Dienaangaande oordeelt het Hof als volgt. De gemeentelijke wetgever komt bij de tariefstelling voor de parkeerbelasting een ruime beoordelingsvrijheid toe (HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1430, BNB 2024/30). Die vrijheid wordt wel begrensd door de algemene rechtsbeginselen en bepalingen van hoger recht. Belanghebbende heeft zich in dit geval beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Het Hof vat dit op als een beroep op artikel 1 van de Grondwet. Die bepaling verbiedt niet ieder verschil in behandeling van gelijke gevallen, maar slechts die verschillen waarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Aan de gemeentelijke wetgever komt in dit verband een zekere beoordelingsruimte toe (zie onder meer HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2495, BNB 2017/26 en HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, BNB 2022/106).

Naar het oordeel van het Hof bestond in dit geval een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het verschil in behandeling tussen de vergunninggebieden [Buurt 1] enerzijds en de [Buurt 3] en de [Buurt 5] anderzijds, wat er verder zij van de vergelijkbaarheid van die gebieden. De kraagregeling betrof een preventieve maatregel, waarmee werd beoogd te voorkomen dat inwoners van de ene buurt, waarin betaald parkeren was ingevoerd, hun auto’s zouden gaan parkeren in een aangrenzende buurt, waarin nog niet betaald parkeren was ingevoerd. In de aangrenzende buurt werd dan ook betaald parkeren ingevoerd tegen een gereduceerd tarief voor bewonersvergunningen. Het staat vast dat de kraagregeling gold voor de [Buurt 3] en de [Buurt 5] en niet voor [Buurt 1] . Het is gesteld noch gebleken dat in laatstgenoemde wijk gegronde vrees bestond voor parkeeroverlast door de invoering van betaald parkeren in een naburige wijk. Er is alsdan geen plaats voor het oordeel dat de wetgever de grenzen van de hem toekomende beoordelingsruimte heeft overschreden door op de hiervoor beschreven wijze het door hem geduchte waterbedeffect tegen te gaan. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd over de motieven van de verantwoordelijke wethouder maakt dat niet anders, aangezien het hier niet meer dan speculaties betreft. Belanghebbendes verwijzingen naar debatten in de raad uit november 2023 kunnen evenmin tot een andere slotsom leiden, aangezien die debatten dateren van lang na de invoering van de kraagregeling in de [Buurt 5] en de [Buurt 3] en daarop geen nader licht werpen. Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.

Hoorrecht

Belanghebbende betoogt dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond mocht worden verklaard en dat in verband daarmee sprake is van schending van het hoorrecht. De Heffingsambtenaar heeft dit bestreden.

Gelet op hetgeen is aangevoerd in het bezwaarschrift (zie het citaat in 2.4) is de Heffingsambtenaar terecht tot de conclusie gekomen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Alsdan kan op grond van artikel 7:3, aanhef en onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden afgezien van het horen van een belanghebbende. Van schending van het hoorrecht is derhalve geen sprake.

Proceskostenvergoeding in beroep

De Rechtbank heeft vastgesteld dat de Heffingsambtenaar niet tijdig uitspraak op bezwaar heeft gedaan, dat belanghebbende daartegen beroep heeft ingesteld en dat de Heffingsambtenaar vervolgens alsnog uitspraak heeft gedaan. Ook al leidde het geding voor de Rechtbank niet tot een vermindering van de geheven parkeerbelasting, behoorde de Rechtbank – daarop door belanghebbende in beroep gewezen – in beginsel gebruik te maken van haar bevoegdheid de Heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die redelijkerwijs moesten worden gemaakt voor het beroep tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar (vgl. HR 8 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3504, BNB 2004/432 en HR 30 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4638, BNB 2013/67).

Nu de Rechtbank een veroordeling van de Heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende zonder nadere motivering achterwege heeft gelaten en uit de stukken van het geding geen feiten of omstandigheden blijken die reden zouden kunnen zijn om af te wijken van de hiervoor in 5.8 bedoelde regel, moet het Hof – daarop door belanghebbende in het hogerberoepschrift gewezen – alsnog tot die veroordeling overgaan. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof onweersproken gesteld dat zijn verletkosten voor de behandeling van het beroep € 48 bedroegen.

Griffierecht in beroep

Ingevolge artikel 6:20, lid 4, Awb wordt een tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingesteld beroep geacht mede betrekking te hebben op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoetkomt. Bij toepassing van artikel 6:20, lid 4, Awb is niet opnieuw griffierecht verschuldigd. Het ligt in de rede dat in een geval als bedoeld in artikel 6:20, lid 4, Awb de beslissing omtrent het griffierecht afhangt van de beslissing over het alsnog genomen besluit. In het onderhavige geval heeft de Rechtbank het beroep tegen de door de Heffingsambtenaar alsnog gedane uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard, zodat toepassing van artikel 8:74, lid 1, Awb niet aan de orde is. De Rechtbank heeft geen grond aanwezig geacht het griffierecht op grond van artikel 8:74, lid 2, Awb te laten vergoeden. Het Hof ziet geen aanleiding hierover anders te oordelen (vgl. HR 8 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3504, BNB 2004/432, r.o. 3.2.3).

Slotsom

Het hoger beroep is gegrond, gelet op hetgeen hiervoor onder 5.9 is overwogen.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 48 wegens verletkosten in beroep en € 48 wegens verletkosten in hoger beroep, in totaal derhalve op € 96. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 136 te worden vergoed.

Beslissing

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover daarin geen proceskostenvergoeding is toegekend,

- veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 96, en

- gelast de Heffingsambtenaar aan belanghebbende een bedrag van € 136 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door C. Maas, Chr.Th.P.M. Zandhuis en R.M. Hermans, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.

De griffier, de voorzitter,

L. van den Bogerd C. Maas

De beslissing is op 16 april 2025 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NDFR Nieuws 2025/1658 Belastingblad 2025/417 met annotatie van M.P. van der Burg NTFR 2025/1795 met annotatie van mr. S. El Oiskhiri
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?