ECLI:NL:GHDHA:2025:1826

ECLI:NL:GHDHA:2025:1826, Gerechtshof Den Haag, 08-07-2025, Bk-24/307

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 08-07-2025
Datum publicatie 13-10-2025
Zaaknummer Bk-24/307
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2024:2230
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002320

Samenvatting

Wet bpm. VWEU. Verzoek om uitstel van de zitting afgewezen. Bevoegdheid van de nationale rechters om het Unierecht uit te leggen. Geen verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen. Bevoegdheid tot naheffen. Heffingsmodaliteiten. Unierechtelijk verdedigingsbeginsel. Artikel 110 VWEU. Schade-aftrek en bewijslastverdeling. CO2-uitstoot. Ex-rental. Belastingrente. Verzoek aanhouding afgewezen. Strijdigheid regeling met Unierecht, algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur. Het vooraf heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Hogere proceskostenvergoeding bezwaar. Vergoeding immateriële schade.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Uitspraak van 8 juli 2025

[X] te [Z] , belanghebbende,

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-24/307

in het geding tussen:

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 21 februari 2024, nummer SGR 22/4963.

Procesverloop

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 3.514 (de naheffingsaanslag). Bij beschikking is € 23 belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).

De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

vermindert de naheffingsaanslag tot € 3.158 en vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 143;

veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 857;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.370;

draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden;

draagt de Staat en verweerder op om de toegekende vergoedingen en het griffierecht te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiser;

bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiser.”

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 279 geheven. De Inspecteur heeft verweer gevoerd bij nader stuk van 8 september 2024. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 24 april 2025 en een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 26 mei 2025.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 28 mei 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 4.621 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een Mercedes-Benz A-klasse, 45 AMG 4MATIC. In de aangifte is als datum eerste toelating 26 juni 2018 vermeld. Belanghebbende is bij het bepalen van de bruto bpm uitgegaan van een CO2-uitstoot van 171 gr/km. Voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde heeft belanghebbende gebruikgemaakt van een taxatierapport van [naam] B.V (het taxatierapport). In het taxatierapport is de gemiddelde vraagprijs (inclusief BOVAG-garantie en aflevering) bepaald op € 63.750. Hierop is een handelsmarge van 25% in aftrek gebracht, zodat de handelsinkoopwaarde is bepaald op € 47.800. Vervolgens is de huidige inkoopwaarde met inachtneming van een waardevermindering wegens schade bepaald op € 20.000.

Belanghebbende is opgeroepen om de auto te tonen bij de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). DRZ heeft de auto geschouwd en geconstateerd dat de auto slechts normale gebruikssporen heeft, die passen bij de leeftijd en de kilometerstand van de auto. Van de schouw is een rapport opgesteld met dagtekening 22 maart 2019, dat tot de gedingstukken behoort.

In de kennisgeving van de naheffingsaanslag van 22 januari 2021 staat, voor zover van belang, het volgende:

Kilometerstand

Bij de RDW-keuring op 28 februari 2019 stond er vervolgens 9.010 kilometer op de teller. De tellerstand bij de fysieke opname door [naam] B.V. op 5 maart 2019 bedroeg 9.063 kilometer. En bij de fysieke schouw op 19 maart 2019 bij DRZ bedroeg de tellerstand 9.062 kilometer.

Ten eerste acht ik het zeer onwaarschijnlijk dat een toename in kilometers mogelijk is bij het door u geschetste schadebeeld. Dit mede omdat (1) er tijdens de keuring door de RDW geen schadefoto's van de auto zijn gemaakt hetgeen gebruikelijk is als de auto schade heeft zeer zeker in de mate zoals door u in het taxatierapport vermeld, en (2) de auto niet goedgekeurd zou

zijn door de RDW.

Ten tweede vind ik het opmerkelijk dat de tellerstand op 19 maart 2019 lager is dan de tellerstand op 5 maart 2019.

Gelet op vorenstaande ben ik van mening dat u de auto vóór het moment dat de auto ter keuring werd aangeboden bij de RDW op 28 februari 2019 en daarmee ook vóór het moment van aangifte hebt gerepareerd. Dit betekent dat ik geen waardevermindering zal accepteren.”

De naheffingsaanslag bedraagt € 3.514. Bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde is de Inspecteur uitgegaan van de XRAY-koerslijst. Er is geen waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen.

De Rechtbank heeft, conform het in eerste aanleg door belanghebbende ingenomen standpunt waar de Inspecteur zich ter zitting van de Rechtbank bij heeft neergelegd, de naheffingsaanslag verminderd tot € 3.158 gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703. De belastingrente is dienovereenkomstig verminderd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

7. De Bpm wordt verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen. Nu derhalve in alle gevallen van registratie van voertuigen te weinig betaalde belasting kan worden nageheven, is geen sprake van schending van artikel 110 het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

8. Eiser stelt dat de Bpm is strijd met het Unierecht is geheven omdat, anders dan bij binnenlandse voertuigen, aangifte en betaling van de belasting eerder plaats moet vinden dan het tijdstip waarop het belastbare feit zich heeft voorgedaan. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2022 [2] is deze stelling onjuist.

9. Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Er is geen rechtsregel die verweerder verplicht de betrokkene daarvoor uit te nodigen voor een gesprek. Dit volgt ook niet uit artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verweerder heeft eiser bij brief van 22 januari 2021 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiser de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Aldus heeft verweerder de eisen die het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd.

10. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen. Dit volgt ook niet uit artikel 67 VWEU. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. [3]

11. Eiser stelt dat uit onderzoeken door KPMG en TNO (de onderzoeken) volgt dat als gevolg van de overgang van de NEDC-meetmethode naar de WLTP-meetmethode de CO2 uitstoot voor de auto dient te worden verlaagd met 7,3 gram/km. Met de enkele verwijzing naar de algemene conclusies uit de onderzoeken heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in de aangifte van een te hoge uitstoot is uitgegaan. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding van een lagere uitstoot uit te gaan dan eiser in de aangifte heeft vermeld.

12. Eiser stelt dat bij de aanslagoplegging van een onjuiste koerslijstwaarde is uitgegaan omdat op de Xray-koerslijst met een aantal opties geen rekening is gehouden. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Verweerder heeft verklaard dat opties die niet in Nederland verkrijgbaar zijn onder een andere naam of onder het kopje “overige opties” in de koerslijst zijn betrokken. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan die verklaring te twijfelen. Dat op de koerslijst een bedrag van € 6.129 aan rest Bpm is opgenomen, maakt niet dat de ter zake van de auto te betalen Bpm op dat bedrag dient te worden gemaximeerd. Soortgelijkheid dient niet zo ruim te worden uitgelegd.

13. De bewijslast voor een waardevermindering van de auto als gevolg van schade rust op eiser. Eiser heeft verwezen naar het taxatierapport. DRZ heeft de auto geschouwd en daarbij de in het taxatierapport opgenomen schade niet aangetroffen. Verweerder heeft het taxatierapport van eiser daarom terecht terzijde geschoven. Dat een waardevermindering wegens schade in aanmerking moet worden genomen is niet aannemelijk gemaakt.

14. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. Het staat verweerder vrij een deskundige van zijn keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling) staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op een door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. Dat betekent dat verweerder mag en kan kiezen voor de onder het Ministerie van Financiën vallende DRZ. De door eiser aangehaalde jurisprudentie over de Europese aanbestedingsregels leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn stelling dat sprake is van strijd met het Unierechtelijk beginsel van wapengelijkheid omdat eiser wettelijk verplicht is de waarde van het voertuig te laten vaststellen door een derde deskundige waarbij tal van voorwaarden gelden, terwijl voor de taxateur van DRZ die voorwaarden niet gelden.

15. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is op 19 juli 2021 door verweerder ontvangen en de rechtbank doet op 21 februari 2024 uitspraak. De bezwaar- en beroepsfase heeft derhalve twee jaar en ruim 7 maanden geduurd, zodat de redelijke termijn met ruim 7 maanden is overschreden. Aangezien verweerder op 15 juli 2022 uitspraak op bezwaar heeft gedaan dient de overschrijding voor 6/7 deel aan de bezwaarfase te worden toegerekend en voor 1/7 aan de beroepsfase.

16. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Uit de overgelegde machtiging volgt dat schadevergoedingen aan de gemachtigde moeten worden uitbetaald, maar niet dat ze aan hem toekomen. In zoverre verschilt onderhavige zaak van de zaak waarin gerechtshof Den Haag op 13 juli 2023 uitspraak heeft gedaan. [3] Dit betekent dat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000. Daarvan dient € 857 door verweerder te worden vergoed en € 143 door de Staat. Aan het arrest van het EHRM van 29 maart 2006[4] kan in dit geval geen aanspraak op een hogere vergoeding worden ontleend.

17. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard.

18. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Wel dient de rentebeschikking te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de naheffingsaanslag.

Proceskosten

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.370 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 310, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1). Voor een hogere vergoeding bestaat geen aanleiding.

20. Nu het beroep gegrond is verklaard, dient het door eiser betaalde griffierecht te worden vergoed. De stelling dat de hoogte van het griffierecht moet worden afgestemd op de hoogte van onderliggende vordering behoeft geen behandeling. Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente. Het voorgaande neemt niet weg dat wettelijke rente verschuldigd wordt indien het griffierecht niet tijdig aan eiser wordt uitbetaald.

21. Bovengenoemde vergoedingen dienen op grond van artikel 19a, vierde lid, van de Wet Bpm uitsluitend plaats te vinden op een bankrekening die op naam staat van eiser. De rechtbank acht deze bepaling niet in strijd met enige verdragsrechtelijke bepaling.

[2] ECLI:NL:HR:2022:1277

[3] ECLI:NL:GHAMS:2023:1451

[4] ECLI:CE:ECHR:2006:0329JUD003681397”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

In hoger beroep zijn in geschil diverse Unierechtelijke vraagstukken, of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd en of de Rechtbank de proceskostenvergoeding tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Ook is in geschil of het percentage van de belastingrente strijdig is met hogere regelgeving, algemene rechtsbeginselen of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verder klaagt belanghebbende over het belemmerende effect van het griffierecht en dat de schadevergoeding onjuist is vastgesteld. Ook wil belanghebbende een passende rentevergoeding over alle bedragen waarop hij recht heeft.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag. Daarnaast concludeert belanghebbende tot toekenning van een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase alsmede een hogere (immateriële)schadevergoeding. Belanghebbende verzoekt voorts om een integrale althans veel hogere proceskostenvergoeding alsmede om vergoeding van het griffierecht en om een passende rentevergoeding.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Uitstel van de zitting

De gemachtigde van belanghebbende heeft meermaals verzocht om aanhouding van de zaak wegens een ongeluk van de gemachtigde en de door hem daarbij opgelopen sleutelbeenbreuk, gekneusde ribben en schouder. Het Hof heeft de verzoeken afgewezen, omdat de medische verklaringen die de gemachtigde heeft overgelegd niet helemaal duidelijk zijn over de precieze beperkingen die de gemachtigde op de datum van de zitting zou hebben. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat de gemachtigde, (ook) na het bewuste ongeluk, in alle zeven zaken van deze zitting uitvoerige nadere stukken heeft ingediend, zodat bij het Hof onduidelijkheid ontstond over de vraag in hoeverre de gemachtigde aan een zitting kon deelnemen. Het Hof heeft uit de motivering begrepen dat vooral de reis van [buitenland] , alwaar de gemachtigde woonachtig is, naar Den Haag een probleem vormde. Het Hof vond dit niet voldoende voor uitstel, omdat het altijd mogelijk is om een alternatieve manier van vervoer te regelen of om iemand te vragen als chauffeur te dienen. Bij dit besluit heeft ook meegewogen dat de gemachtigde heel veel zaken heeft en het niet altijd mogelijk is om genoeg zittingsruimte in zijn agenda te reserveren. Het Hof is verplicht om zaken binnen een redelijke termijn af te doen, zodat het belang van tijdige rechtspraak ook in het nadeel van de gemachtigde heeft gewerkt.

Uiteindelijk is de gemachtigde op tijd verschenen, gebracht door zijn echtgenote, en heeft de gemachtigde een zeer uitvoerig betoog gehouden over alle zaken. Uiteindelijk zijn de zaken volledig behandeld en heeft het Hof alle informatie gekregen om de zaken – waaronder deze – af te doen. De overige verzoeken om uitstel dan wel aanhouding zijn gebaseerd op juridische argumenten en worden behandeld bij de onderwerpen CO2-uitstoot en belastingrente. De belangen van belanghebbende zijn door de afwijzing van het uitstelverzoek niet geschaad, wat de belangrijkste constatering is.

Uitleg Unierecht en stellen van prejudiciële vragen

Belanghebbende stelt dat de Hoge Raad der Nederlanden en de feitenrechters niet bevoegd zijn uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het Unierecht nu de Unierechter exclusief en bij uitsluiting bevoegd is bindend en rechtsgeldig uitlegging te geven over de draagwijdte en betekenis van het recht van de Unie. Nu de Rechtbank hier wel een oordeel over heeft gegeven, zonder dat de Rechtbank prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU), is, aldus belanghebbende, sprake van misbruik van bevoegdheid en misbruik van recht.

De Rechtbank en het Hof zijn, als instanties tegen wier uitspraken respectievelijk hoger beroep bij het Hof en cassatie bij de Hoge Raad kunnen worden ingesteld, niet verplicht prejudiciële vragen te stellen. Het Hof stelt voorop dat het bij de beoordeling van elk van de standpunten van belanghebbende steeds, gelijk overigens ook de Rechtbank blijkens overweging 10 heeft gedaan, heeft overwogen of het stellen van prejudiciële vragen wenselijk is en ziet geen aanleiding voor het stellen van vragen aan het HvJ EU.

Belanghebbende stelt dat het Hof niet bevoegd is om het Unierecht uit te leggen. Belanghebbende verwijst naar het hoofdstuk in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) over het HvJ EU en naar diens rechtspraak, waaruit zou volgen dat uitsluitend de Unierechter bevoegd is het Unierecht uit te leggen. Dit standpunt van belanghebbende is juridisch niet juist. Het Hof is, net als de Rechtbank, gelet op de status van het Unierecht als autonome en hoogste rechtsorde en het beginsel van Unietrouw, verplicht het nationale recht in situaties waarin het Unierecht van toepassing is in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen en de beginselen van het Unierecht te respecteren (HvJ EU 9 maart 1978, Simmenthal, ECLI:EU:C:1978:49, punt 4, en HvJ EU 5 juli 2016, Ognyanov, ECLI:EU:C:2016:514, punt 34). Aan deze belangrijke uitgangspunten houdt het Hof zich en het is het Hof niet gebleken dat de Rechtbank dit niet heeft gedaan. Over hetgeen belanghebbende over de vermeende onbevoegdheid van de Hoge Raad heeft opgemerkt, onthoudt het Hof zich van een oordeel. Dat is aan de Hoge Raad om te beoordelen (Hof Den Haag 5 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1638 en HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1918).

Bevoegdheid tot naheffen (na het belastbare feit)

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, aangezien naheffing bij gebruikte auto’s die al in Nederland rijden niet mogelijk is, het Unierecht zich tegen naheffing bij uit andere lidstaten ingevoerde gebruikte auto’s verzet. Het Hof sluit zich aan bij hetgeen de Rechtbank in overweging 7 van haar uitspraak op dit punt heeft overwogen en voegt daaraan nog het volgende toe. Belanghebbende maakt een onjuiste vergelijking. Heffing dan wel naheffing van bpm bij gebruikte auto’s uit andere lidstaten heeft ten doel op deze auto’s een passende, in overeenstemming met het Unierecht berekende belastingdruk (in de woorden van de gemachtigde: het juiste bedrag aan bpm) te leggen. Indien de belastingplichtige te weinig bpm op aangifte voldoet, mag de Inspecteur het verschil naheffen, ook nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan, mits hij de beginselen van het Unierecht respecteert. Op deze wijze ontstaat een evenwichtige situatie op de markt voor gebruikte auto’s in Nederland (HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393). Ook deze stelling van belanghebbende faalt.

Heffingsmodaliteiten

Anders dan belanghebbende stelt, is geen sprake van verschillende heffingsmodaliteiten ten aanzien van binnenlandse en uit het buitenland afkomstige personenauto’s, als gevolg waarvan belanghebbende uiteindelijk een hoger bedrag aan bpm op aangifte heeft voldaan voor de auto, dan het bedrag aan bpm dat wordt geacht te rusten op vergelijkbare gebruikte, in het binnenland geregistreerde, personenauto’s. De naheffing dient te voorkomen dat te weinig bpm wordt geheven en ervoor te zorgen dat de bpm die op de ingevoerde auto drukt in lijn is met de bpm die drukt op een vergelijkbare auto op de binnenlandse markt. De toepassing van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet bpm) leidt niet tot heffing van een hogere belasting dan de belasting die op gelijksoortige binnenlandse auto's drukt. Bovendien is de wettelijke regeling – voor zover al sprake is van een belemmering – gerechtvaardigd, proportioneel en geschikt om de doelstelling te verwezenlijken.

Unierechtelijk verdedigingsbeginsel

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden en verbindt daaraan de conclusie dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Gelijk de Rechtbank in overweging 9 van haar uitspraak heeft overwogen, is belanghebbende vóór het opleggen van de naheffingsaanslag in de gelegenheid gesteld haar standpunt kenbaar te maken. De Inspecteur was niet gehouden belanghebbende uit te nodigen voor een gesprek alvorens de naheffingsaanslag op te leggen (HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3467 en HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393). Dit standpunt faalt.

Artikel 110 VWEU

Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag in strijd is met artikel 110 van het VWEU, meer specifiek omdat het opleggen van de naheffingsaanslag aan de koper van een gebruikt geïmporteerd voertuig leidt tot discriminatie in de zin van voornoemd artikel. Deze stelling van belanghebbende, wordt verworpen.

Niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een situatie waarin op reeds geregistreerde gebruikte auto’s een lagere belasting drukt dan op de onderhavige geïmporteerde gebruikte auto. Het is op grond van de jurisprudentie van het HvJ EU de Inspecteur toegestaan om in een andere lidstaat dan Nederland geregistreerde personenauto’s aan een eenmalige registratiebelasting te onderwerpen in gevallen waarin de auto’s hoofdzakelijk bestemd zijn voor duurzaam gebruik in Nederland of hier aldus feitelijk duurzaam worden gebruikt (HvJ EU 21 november 2013, C-302/12, ECLI:EU:C:2013:756).

Schade-aftrek en bewijslastverdeling

Belanghebbende stelt dat ten onrechte geen schade in aftrek is toegelaten. Hij stelt daartoe dat DRZ geen onafhankelijke taxateur is en dat de opdracht onrechtmatig aan DRZ is verstrekt. Belanghebbende meent dat het taxatierapport dient te worden gevolgd en dat de daarin berekende handelsinkoopwaarde in beschadigde staat als uitgangspunt moet worden genomen.

Om te beginnen verwerpt het Hof het standpunt over de onrechtmatigheid van de aan DRZ verstrekte opdracht onder verwijzing naar hetgeen de Rechtbank onder overweging 14 van haar uitspraak heeft overwogen. Inhoudelijk overweegt het Hof het volgende. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken (HR 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695, en HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63). Belanghebbende is hierin niet geslaagd. Belanghebbende heeft geen enkel objectief bewijs aangedragen waaruit zou volgen dat aan de auto schade is ontstaan of gerepareerd. Zo zijn, ondanks diverse verzoeken van de Inspecteur, geen nota’s of facturen overgelegd van reparaties of werk aan de auto. Het is ongeloofwaardig dat van een gestelde schade van ruim € 28.000 aan een auto van negen maanden oud geen enkel bewijsstuk zou bestaan. Ook is vreemd dat in het taxatierapport een kilometerstand staat, die 1 kilometer hoger is dan de later door DRZ opgenomen kilometerstand. Daarnaast heeft de taxateur een niet onderbouwde en zeer hoge handelsmarge in aftrek gebracht. De foto’s in het taxatierapport zijn klein en donker en tonen de gestelde schade niet. Duidelijke foto’s zijn ondanks een verzoek niet verstrekt. Het Hof twijfelt om deze redenen aan de juistheid van het taxatierapport. Aan het standpunt over de norm van 72% komt het Hof niet toe.

CO2-uitstoot

Belanghebbende doet een beroep op de prejudiciële vragen die gerechtshof Amsterdam heeft gesteld aan de Hoge Raad (uitspraak van 15 mei 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1252) en betoogt dat de zaak dient te worden aangehouden in afwachting van de antwoorden. Het Hof wijst dit verzoek af. Om te beginnen zijn de antwoorden niet relevant voor de beslechting van het onderhavige geschil. Belanghebbende heeft geen referentieauto genoemd die aan de objectieve criteria voldoet die in de vragen worden benoemd, maar een willekeurig voertuig genomen (zie 5.8.3). Dit is niet voldoende. Belanghebbende heeft niet aan zijn stelplicht voldaan. Ten overvloede voegt het Hof toe dat het verzoek van belanghebbende opmerkelijk is, omdat de Hoge Raad in zaken die het Unierecht raken volgens belanghebbende niet bevoegd is om ook maar ergens iets van te vinden.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur is uitgegaan van de gegevens van een uit een andere lidstaat afkomstig gebruikt voertuig. Uitgegaan moet worden van een soortgelijk voertuig, bijvoorbeeld een Mercedes A 45 AMG, dat al in het binnenland is geregistreerd. Hieruit volgt een CO₂-uitstoot van 162 gr/km, zodat de verschuldigde bpm moet worden begrensd op € 6.129.

Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende. Om te beginnen merkt het Hof op dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de in de aangifte vermelde CO₂-uitstootwaarde van 171 gr/km. Belanghebbende doet enkel een beroep op artikel 110 VWEU. De bewijslast rust op hem. Bij de toepassing van artikel 110 VWEU komt het erop aan vast te stellen dat ter zake van de registratie van de auto niet méér bpm wordt geheven dan het restbedrag aan bpm dat geacht kan worden nog vervat te zijn in de waarde van gelijksoortige gebruikte auto’s die in Nederland op het tijdstip van de registratie al in de handel zijn. Belanghebbende vergelijkt de auto met een willekeurige Mercedes-Benz uit de A-klasse, zonder aannemelijk te maken dat beide auto’s gelijksoortig zijn vanuit het oogpunt van de gemiddelde consument, bijvoorbeeld wat betreft kilometerstand en slijtage. Belanghebbende heeft zijn standpunt onvoldoende onderbouwd.

Ex-rental

Belanghebbende stelt dat de waarde in onbeschadigde staat moet worden verminderd met 10% nu moet worden aangesloten bij de waarde van een auto met een huurverleden (ex-rental). Het zijn van een ex-rental is een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van de auto; een niet ex-rental bevindt zich ten opzichte van ex-rentals dan ook niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in het arrest van het HvJ EU van 19 december 2013, C-437/12, ECLI:EU:C:2013:857. Ter zitting is gesteld noch gebleken dat hier sprake is van een ex-rental. Er is dan ook geen aanleiding desalniettemin uit te gaan van een referentievoertuig met een verhuurverleden (vgl. Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331). Deze stelling faalt.

Conclusie naheffingsaanslag

Voor de eventuele overige grieven die belanghebbende tegen de hoogte van de naheffingsaanslag heeft, geldt dat belanghebbende niet aan de op hem rustende stel- dan wel bewijsplicht heeft voldaan. Er bestaat geen aanleiding om de naheffingsaanslag verder te verminderen dan de Rechtbank heeft gedaan. Het Hof komt dus niet toe aan het standpunt van de Inspecteur over mogelijke essentiële gebreken aan de auto bij het doen van aangifte. Wat de gevraagde rentevergoeding betreft, verwijst het Hof naar de uitspraak van de Rechtbank. Indien belanghebbende rente vergoed wil hebben over de door de Rechtbank verleende vermindering, dient zij zich te wenden tot de ontvanger.

Belastingrente

Aan belanghebbende is € 23 belastingrente in rekening gebracht. Belanghebbende betwist, onder verwijzing naar de massaalbezwaarprocedure over de belastingrente voor, onder andere, de bpm van 8 mei 2025, dat de belastingrente terecht en tot het juiste bedrag in rekening is gebracht. Het percentage zou in strijd zijn met hogere regelgeving, zoals het Unierecht, en met algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur. Het Hof ziet in de aanwijzing van de staatssecretaris van Financiën geen aanleiding om de zaak aan te houden, zoals belanghebbende wil. Het Hof beoordeelt de in zeer algemene bewoordingen verwoorde grieven van belanghebbende daarom zelf. Dit komt het Hof voor als de snelste manier om de voor belanghebbende zo belangrijke zekerheid over dit onderwerp te krijgen.

In de Memorie van Toelichting staat over de invoering van het belastingrenteregime, voor zover van belang (MvT, Kamerstuk 2011-2012, 33 003, nr. 3):

Artikel 30hb

Voor de hoogte van het percentage van de belastingrente wordt aangesloten bij de wettelijke rente voor niet-handelstransacties. Dit percentage wordt ingevolge artikel 6:120, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaald bij algemene maatregel van bestuur.[64]

Aanpassing van het percentage van de wettelijke rente geschiedt, voor zover nodig, halfjaarlijks per 1 januari en per 1 juli door bij de herfinancieringsrente (peildatum ultimo oktober respectievelijk ultimo april) van de Europese Centrale Bank 2,25 procentpunt op te tellen. Om al te grote veranderingen te vermijden wordt een verlaging of verhoging beperkt tot maximaal 2 procentpunten. Er vindt een afronding plaats van halven of meer naar boven en overigen naar beneden.

[64] Koninklijk Besluit van 18 januari 1971 (Stb. 27), laatstelijk gewijzigd bij Koninklijke besluit van 23 juni 2011 (Stb. 317). ”

Artikel 1, eerste volzin en onderdeel a, van het Besluit belasting- en invorderingsrente van 17 juni 2020 luidt tijdens de onderhavige periode als volgt:

“Het percentage van de belastingrente, bedoeld in artikel 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen:

a. is voor de inkomstenbelasting, de erfbelasting, de loonbelasting, de dividendbelasting, de omzetbelasting, de overdrachtsbelasting, de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, de accijns, de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en de in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde belastingen gelijk aan het percentage van de ingevolge artikel 120, eerste lid, van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde wettelijke rente, bedoeld in artikel 119 van Boek 6 van dat wetboek, met dien verstande dat het eerstgenoemde percentage ten minste 4 bedraagt;”

In het Besluit wettelijke rente van 18 januari 1971 (zoals dit geldt tijdens de onderhavige periode) wordt de wettelijke rente als bedoeld in artikel 119 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek vastgesteld op 2% per jaar. Dit percentage geldt tussen 1 januari 2015 en 1 januari 2023, de datum waarop het besluit wordt ingetrokken. De toelichting op de vaststelling van het percentage van 2 luidt (Nota van Toelichting, Stb. 2014,491), voor zover van belang:

“Aanpassing van het percentage van de wettelijke rente geschiedt, indien nodig, halfjaarlijks per 1 januari en per 1 juli door bij de basisherfinancieringsrente (peildatum ultimo oktober, respectievelijk ultimo april) van de Europese Centrale Bank (hierna: ECB) 2,25 procentpunt op te tellen. Om al te grote veranderingen in het wettelijke rentepercentage te vermijden wordt een verlaging of verhoging beperkt tot maximaal 2 procentpunt. Er vindt een afronding plaats van halven of meer naar boven en overigens naar beneden. Maandelijks beslist de Raad van Bestuur van de ECB over de officiële rentetarieven in het eurogebied, waaronder de rente voor basisherfinancieringstransacties. De vaste rente voor basisherfinancieringsoperaties bedraagt sinds 10 september 2014 0,05 procent. Dit betekent dat berekening per de peildatum ultimo oktober 2014 een rentepercentage oplevert van 2,3 procent. In overeenstemming met voornoemde vaststellingssystematiek wordt de wettelijke rente per 1 januari 2015 bepaald op 2 procent.”

Het Hof is van oordeel dat geen sprake is van strijd met het geschreven of ongeschreven Unierecht. Het is, bij gebrek aan een Unierechtelijke regeling, aan de lidstaten om een regeling te treffen over het al dan niet in rekening brengen van rente op belastingschulden en over het uit het Unierecht voortvloeiende recht op compensatie van verlies en schade bij teruggaven van in strijd met het Unierecht geïnde bedragen. De nationale regeling mag niet in strijd zijn met het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. Het belastingrenteregime is voor Unierechtelijke en niet-Unierechtelijke situaties gelijk, zodat het niet in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel. Ook maakt dit regime het niet moeilijk of onmogelijk om uit het Unierecht voortvloeiende rechten te verzilveren. Het is dus ook niet in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel.

Het belastingrenteregime komt het Hof evenmin strijdig voor met andere internationale verbindende bepalingen, zoals artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), artikel 14 EVRM of artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Het Hof stelt voorop dat de belastingplichtige die op tijd een juiste aangifte doet en op tijd en volledig de verschuldigde belasting betaalt, geen belastingrente betaalt. Het belastingrenteregime is ontworpen om belastingplichtigen te stimuleren om tijdig aangifte te doen en de verschuldigde belasting op tijd en tot de laatste euro te betalen. Het is de overheid als schuldeiser toegestaan om rente in rekening te brengen die zij derft wanneer schuldenaren (de belastingplichtigen) hun uit de wet voortvloeiende schulden te laat betalen. In dit verband is een parallel te trekken met de verzuimrenteregeling in de Awb. Deze vergelijking is bij belastingen die op aangifte worden afgedragen of voldaan zuiverder dan bij belastingen die bij wege van aanslag worden geheven, omdat de omvang van de schuld direct vaststaat en moet worden betaald en niet eerst geformaliseerd hoeft te worden. Het percentage voor andere belastingen dan de vennootschapsbelasting is weliswaar hoger dan de wettelijke rente op niet-handelstransacties, maar veel lager dan het percentage op handelstransacties. Het percentage van 4 – het hoogste percentage dat in de onderhavige periode van toepassing is – is niet dusdanig hoog dat kan worden gezegd dat sprake is van een woekerrente of van misbruik van bevoegdheid (détournement de pouvoir). De schuld waarover de rente wordt berekend, wordt niet gedekt door een garantie of enige andere vorm van zekerheid (anders dan de positie van preferent schuldeiser ingeval van faillissement), zodat een opslag op de basisrente van het ECB en ook op het gangbare percentage voor een hypothecaire lening billijk is. Ook is het percentage voor teruggaven en schulden gelijk. Om al deze redenen acht het Hof het rentepercentage op regelniveau niet in strijd met de eerder genoemde bepalingen. Er is geen sprake van onteigening of van een buitensporige en individuele last voor de belastingplichtigen die de rente moeten betalen. Zoals de gemachtigde van belanghebbende altijd betoogt in de omgekeerde situatie, dient een schuldenaar zijn schuldeiser schadeloos te stellen bij latere betaling.

Van strijd met het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM), het legaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel (artikel 7 EVRM en artikel 49, derde lid, Handvest van grondrechten van de Europese Unie (Handvest EU)) of het ne bis in idem beginsel (artikel 50 Handvest EU en artikel 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM) is evenmin sprake. Belanghebbende heeft niet gemotiveerd waarom deze belangrijke beginselen zouden zijn geschonden en het Hof ziet geen reden om ambtshalve te oordelen dat dit wel het geval is.

Belanghebbende heeft geen juiste aangifte gedaan en moet daarom nog een relatief aanzienlijk deel van de verschuldigde belasting betalen. Ook is het te betalen bedrag in absolute zin als hoog aan te merken. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 23, wat gelet op de aanschafkosten van de auto (inclusief alle verschuldigde belastingen) geen hoog bedrag is. Belanghebbende heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat de belastingrente een onoverkomelijk last voor hem vormt. Ook op individueel niveau is geen sprake van een buitensporige last.

Griffierecht

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het Unierecht de lidstaten verbiedt om voorafgaand aan de behandeling en de uitspraak griffierecht te heffen. Het Hof ziet dit anders en verwerpt dit standpunt. Het Hof motiveert deze beslissing als volgt.

De bpm is een nationale belasting en het staat de lidstaten vrij nationale belastingen te heffen, mits, indien van toepassing, het Unierecht wordt gerespecteerd. Voor de bpm geldt als belangrijkste uitgangspunt dat artikel 110 VWEU een hogere belasting op uit andere lidstaten afkomstige gelijksoortige goederen verbiedt. Voor zover het om procedurele en formele regels gaat, zijn de lidstaten vrij deze zelf te bepalen; het Unierecht voorziet niet in een stelsel van heffing en inning van nationale belastingen of in effectieve rechtsbescherming. Het is vaste jurisprudentie dat regels van formeel en procedureel recht moeten voldoen aan twee beginselen: het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel.

Zo is aan het HvJ EU de vraag voorgelegd of een nationale regeling die de volgende kenmerken bevat, in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel (HvJ EU 14 juli 2022, ECLI:EU:C:2022:565, punten 70 tot en met 78):

- ten eerste de regel dat, op dat gebied, de ontvankelijkheid van een verzoek in kort geding of een beroep afhangt van betaling, door de justitiabele, van vaste griffierechten, zodat dat verzoek of beroep slechts kan worden behandeld nadat die rechten zijn voldaan;

- ten tweede de regel dat, op dat gebied, voor een verzoek in kort geding dat met een beroep ten gronde wordt ingediend een specifiek vast griffierecht moet worden voldaan; en

- ten derde de regel dat, op dat gebied, de vaste griffierechten niet bij administratief besluit worden opgelegd, zodat tegen die griffierechten niet kan worden opgekomen bij een gerecht met volledige rechtsmacht.

Het HvJ EU besliste dat deze nationale regeling niet in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel. Voor de Nederlandse regeling geldt dat deze van toepassing is in alle zaken, wat een verschil is met de aan het HvJ EU voorgelegde regeling en maakt dat van schending van het gelijkwaardigheidsbeginsel in Nederland ook geen sprake is. Uit het eerdere arrest van het HvJ EU van 6 oktober 2015, ECLI:EU:C:2015:655, punten 43 tot en met 45, kon reeds worden afgeleid dat betaling van het griffierecht bij het instellen van het beroep geen schending vormt van het doeltreffendheidsbeginsel, omdat dit de toegang tot de rechter niet uiterst moeilijk of onmogelijk maakt. Niet kan worden gezegd dat de hoogte van het griffierecht in het onderhavige geval een belemmering voor belanghebbende vormt. Het griffierecht is volledig en op tijd voldaan. Er is geen beroep gedaan op de regeling voor betalingsonmacht, welke regeling in de beschouwing dient te worden betrokken bij de beoordeling of de Nederlandse regeling strijd oplevert met het Unierecht. De Nederlandse regeling voor het heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Er bestaat evenmin aanleiding om rente te vergoeden over de periode tussen de betaling en de uitspraak. Vooraf heffen is immers niet in strijd met een hogere rechtsorde.

Kostenvergoeding in bezwaar

Belanghebbende heeft in zijn nadere stuk in hoger beroep van 24 april 2024 om een hogere proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase verzocht. Belanghebbende verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.

Belanghebbende stelt zich terecht op het standpunt dat hij recht heeft op een hogere vergoeding voor de bezwaarfase. Om deze reden is het hoger beroep gegrond.

Verzoek vergoeding van (immateriële) schade

De Rechtbank heeft de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld volgens de door de Hoge Raad vastgestelde uitgangspunten. Dit betekent dat geen recht bestaat op een hogere vergoeding van immateriële schade. De verwijzing naar het arrest Scordino van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 29 maart 2006, ECLI:NL:XX:2006:AW8901, leidt niet tot een hogere schadevergoeding. De omvang van de vergoeding hangt volgens het EHRM af van diverse omstandigheden, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de klager en de aangesproken staat en de aard en het belang van het geschil. Uit het arrest kan, anders dan belanghebbende stelt, niet worden afgeleid dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 1.500 of meer voor ieder jaar dat de procedure duurt, dus zonder aftrek van wat als een redelijke termijn wordt beschouwd. Voor hoger beroep heeft te gelden dat de redelijke termijn, gelet op de uitspraakdatum per heden, nog niet is verstreken.

Voor zover belanghebbende stelt dat hij recht heeft op een schadevergoeding omdat in strijd met het Unierecht is gehandeld, heeft hij de gestelde schade onvoldoende onderbouwd.

Slotsom

Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten en griffierecht

Nu het hoger beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten als hierna berekend. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 3.226, berekend als volgt: € 1.294 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het hoorgesprek à € 647 x 1 (gewicht van de zaak)), € 1.750 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep (conform de uitspraak van de Rechtbank, HR 17 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1203, rechtsoverweging 2.3) en € 182 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor de zitting à € 907 x 0,1 (gewicht van de zaak)). De hoogte van de proceskostenvergoeding in hoger beroep is bepaald op de voet van artikel 19a Wet bpm. De gemachtigde heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dient te worden aangemerkt als een bijzonder geval (vgl. HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670). Het Hof kent voor het als conclusie van repliek/pleitnota aangeduide stuk geen (half) procespunt toe, omdat belanghebbende voor de indiening daarvan geen toestemming heeft gevraagd.

Het Hof ziet geen aanleiding voor een hogere, laat staan een integrale proceskostenvergoeding. Het standpunt van belanghebbende dat aan artikel 47 van het Handvest EU een hogere vergoeding kan worden ontleend, vindt geen steun in het recht.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep betaalde griffierecht van € 279 te worden vergoed.

Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat, gelijk reeds onder 5.12.4 overwogen, geen aanleiding. Dit geldt evenzeer ten aanzien van de proceskostenvergoeding. Het Hof honoreert die aanspraak, gelijk hiervoor reeds overwogen, wel in zoverre dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht niet aan belanghebbende worden uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.

Beslissing

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

Het Gerechtshof:

Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, E.P.A. Brakeboer en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen.

De griffier, de voorzitter,

E.J. Nederveen A. van Dongen

De beslissing is op 8 juli 2025 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2025/2041 V-N 2025/49.1.1
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?