ECLI:NL:GHDHA:2025:2245

ECLI:NL:GHDHA:2025:2245, Gerechtshof Den Haag, 30-09-2025, BK-24/801 t/m BK-24/803

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 30-09-2025
Datum publicatie 24-11-2025
Zaaknummer BK-24/801 t/m BK-24/803
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2024:13265
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 9 zaken
Aangehaald door 1 zaken
6 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002320 BWBR0005806 BWBR0005813 BWBR0006358 CELEX:32000X1218 EU:32000X1218

Samenvatting

Naheffingsaanslagen bpm. Artikel 110 VWEU. Bevoegdheid van de nationale rechters om het Unierecht uit te leggen. Geen verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen. Bevoegdheid tot naheffen bpm. Geen schending Unierechtelijk verdedigingsbeginsel. Taxatierapporten van belanghebbende verworpen. Rapporten van DRZ door partijen verworpen. Geen ex-rentals. Deels sprake van nieuwe auto’s. Het vooraf heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. De vergoeding van immateriële schade is juist vastgesteld. Cessieverbod.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Uitspraak van 30 september 2025

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-24/801 t/m BK-24/803

in het geding tussen:

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 juli 2024, nummers SGR 23/1732, 23/2355 en 23/2356.

Procesverloop

Aan belanghebbende zijn drie naheffingsaanslagen belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd (de naheffingsaanslagen).

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslagen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslagen bij uitspraken op bezwaar gehandhaafd.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 1.095 (3 x € 365). De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:

verklaart de beroepen ongegrond;

veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 218,75;

draagt verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres.”

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van eenmaal € 559 geheven. De Inspecteur heeft verweer gevoerd bij nader stuk van 9 mei 2025. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 14 augustus 2025. De Inspecteur heeft een nader stuk ingediend, binnengekomen bij het Hof op 26 augustus 2025.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 28 augustus 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

Belanghebbende heeft ter zake van de inschrijving in het kentekenregister voor de hierna vermelde vier auto's afkomstig uit een andere lidstaat van de Europese Unie op aangifte bpm voldaan.

Auto 1 (BK24/801; SGR 23/1732) is een Hyundai Tucson 1.6 GDI Premium. Bij de vaststelling van de afschrijving is gebruik gemaakt van een taxatierapport beweerdelijk ondertekend door [naam 1] namens [naam kantoor 1] (het taxatierapport). De handelsinkoopwaarde is aan de hand van het taxatierapport en met inachtneming van een waardevermindering wegens schade van € 9.606 (99%), bepaald op € 5.000. De Inspecteur heeft een naheffingsaanslag bpm opgelegd van € 4.208. Hierbij is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat van € 24.094, een waardevermindering wegens schade van € 2.157 (72% van € 2.996) en een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 21.937.

Auto 2 (BK24/802; SGR 23/2355) is een Hyundai Tucson 1.6 GDI. Bij de vaststelling van de afschrijving is gebruik gemaakt van een taxatierapport ondertekend door [naam 2] namens [naam kantoor 2] (het taxatierapport). De handelsinkoopwaarde is aan de hand van het taxatierapport en met inachtneming van een waardevermindering wegens schade van € 9.615,47 (98%), bepaald op € 2.250. De Inspecteur heeft een naheffingsaanslag bpm opgelegd van € 5.677. Hierbij is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat van € 24.106, een waardevermindering wegens schade van € 475 (72% van € 660) en een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 23.631.

Auto 3 en auto 4 (BK-24/803; SGR 23/2356) zijn beide een Toyota Aygo 1.0 VVTi X-cite. Belanghebbende heeft voor beide auto’s de handelsinkoopwaarde aan de hand van de koerslijst Autotelex vastgesteld op € 10.214 en is hierbij uitgegaan van een CO2-uitstoot van 95 gr/km. De Inspecteur heeft één naheffingsaanslag bpm opgelegd van € 3.474 voor auto 3 en auto 4. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat auto 3 en auto 4 nieuw en ongebruikt zijn. De afgelezen kilometerstand bij keuring door de RDW is bij

beide auto’s 2 kilometer. De Inspecteur is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 118 gr/km.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“8. Voorafgaande aan het doen van uitspraak op bezwaar met betrekking tot auto 1 en

2 is eiseres twee maal per aangetekende brief uitgenodigd voor een hoorgesprek op 17 mei

2022. Gemachtigde van eiseres heeft deze aangetekende brieven geweigerd. Gemachtigde

van eiseres heeft op 17 mei 2022 niet ingelogd via WebEx om deel te nemen aan het

hoorgesprek. Verweerder heeft op 17 mei 2022 telefonisch contact opgenomen met

gemachtigde van eiseres en met een medewerker van zijn kantoor. Beide oproepen werden

niet beantwoord. Ook heeft gemachtigde van eiseres niet gereageerd op het ingesproken

bericht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres voldoende gelegenheid

geboden om te worden gehoord. Van schending van de hoorplicht is dan ook geen sprake.

9. Voorafgaande aan het doen van uitspraak op bezwaar met betrekking tot auto 3 en 4

is eiseres viermaal uitgenodigd voor een hoorgesprek. Op de geplande 29 maart 2022 en

vervolgens geplande 3 1 maart 2022 was de gemachtigde verhinderd. Het geplande

hoorgesprek op 7 april 2022 heeft geen doorgang gevonden wegens een

communicatiestoring bij verweerder. De gemachtigde van eiseres is vervolgens op 8 april

2022 uitgenodigd voor een hoorgesprek op 21 april 2022. Een herinnering voor het

hoorgesprek op 21 april 2022 is op 14 april 2022 aan hem verzonden. Gemachtigde van

eiseres heeft op 21 april 2022 niet ingelogd via WebEx om deel te nemen aan het

hoorgesprek. Verweerder heeft op 21 april 2022 geprobeerd telefonisch contact op te nemen

met gemachtigde van eiseres. Dat is niet gelukt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft

verweerder eiseres voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Van schending

van de hoorplicht is dan ook geen sprake.

10. De Bpm wordt verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het

kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht

de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of

gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de Algemene wet

inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen. Nu derhalve in alle

gevallen van registratie van voertuigen te weinig betaalde belasting kan worden nageheven,

is geen sprake van schending van artikel 110 het Verdrag betreffende de werking van de

Europese Unie (VWEU).

11. Eiseres stelt dat de Bpm is strijd met het Unierecht is geheven omdat, anders dan

bij binnenlandse voertuigen, aangifte en betaling van de belasting eerder plaats moet vinden

dan het tijdstip waarop het belastbare feit zich heeft voorgedaan. Zoals volgt uit het arrest

van de Hoge Raad van 23 september 2022 [4] is deze stelling onjuist.

12. Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat degene aan wie

een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken

alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Er is geen rechtsregel die

verweerder verplicht de betrokkene daarvoor uit te nodigen voor een gesprek. Dit volgt ook

niet uit artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verweerder

heeft eiseres bij brieven van 27 oktober 2021 (auto 1), 24 november 2021 (auto 2) en 24

augustus 2021 (auto 3 en 4) op de hoogte gesteld van zijn voornemen om

naheffingsaanslagen op te leggen en daarbij vermeld hoeveel de betreffende

naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiseres de

gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Aldus heeft verweerder de eisen die het

Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd.

13. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen. Dit volgt ook

niet uit artikel 67 VWEU. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen

reden om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.

14. Dat in de aangifte van een te hoge CO2-uitstoot is uitgegaan is niet aannemelijk

gemaakt. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om van een lagere uitstoot uit te gaan.

Ook aan de stelling van eiseres ten aanzien van auto 1 dat verweerder van een onjuiste

consumentennieuwprijs uitgaat, gaat de rechtbank voorbij.

15. De bewijslast voor een waardevermindering van de auto als gevolg van schade rust

op eiseres. Ten aanzien van auto 3 en 4 geldt dat er geen sprake is van schade. Ten aanzien

van de door eiseres gestelde schade aan auto 1 en 2 heeft zij verwezen naar het

taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangiften van auto 1 en 2. Naar het oordeel

van de rechtbank heeft zij daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de auto's ten tijde van het

doen van aangifte meer schade hadden dan door DRZ is onderkend. Met het rapport en de

daarbij gevoegde foto’s wordt onvoldoende uitsluitsel gegeven over aard en omvang van de

gestelde schade. Eiseres heeft bovendien geen inkoopfacturen van de auto's overgelegd,

terwijl dat wel een aan een taxatierapport gestelde eis is en een inkoopfactuur relevante

informatie kan bevatten over de staat van de auto [5].

16. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat niet 72%, maar 100% van

de door DRZ vastgestelde reparatiekosten wegens schade in mindering zouden moeten

worden gebracht. Eiseres heeft namelijk niet onderbouwd waarom in dit geval, in afwijking

van het uitgangspunt zoals verwoord in artikel 8, vierde lid, letter b, en bijlage I van de

Uitvoeringsregeling, zou moeten worden uitgegaan van een hoger percentage dan 72. De

enkele algemene stelling dat uit het Unierecht volgt dat 100% in aftrek moet worden

toegelaten, is daarvoor onvoldoende.

17. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als

een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven

over de waarde van de auto. Het staat verweerder vrij een deskundige van zijn keuze in te

schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van

personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling) staat daar niet aan in de

weg, omdat dit betrekking heeft op een door de belastingplichtige in te schakelen taxateur.

Dat betekent dat verweerder mag en kan kiezen voor de onder het Ministerie van Financiën

vallende DRZ. De door eiseres aangehaalde jurisprudentie over de Europese

aanbestedingsregels leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank volgt eiseres evenmin in

haar stelling dat sprake is van strijd met het Unierechtelijk beginsel van wapengelijkheid

omdat eiseres wettelijk verplicht is de waarde van het voertuig te laten vaststellen door een

derde deskundige waarbij tal van voorwaarden gelden, terwijl voor de taxateur van DRZ die

voorwaarden niet gelden.

18. Eiseres heeft gesteld dat de naheffingsaanslagen niet aan haar opgelegd hadden

mogen worden omdat zij niet degene is op wier naam de kentekens worden gesteld. Deze

stelling vindt geen steun in de feiten nu eiseres in de aangiften van de auto’s heeft

aangekruist dat zij de kentekens voor zichzelf heeft aangevraagd. Overigens heeft de Hoge

Raad in zijn arrest van 11 april 2003 [6] reeds geoordeeld dat een naheffingsaanslag Bpm aan

de importeur mag worden opgelegd. Verweerder heeft de naheffingsaanslagen dus aan

eiseres kunnen en mogen opleggen. De uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van

10 januari 2017 [7] waarop eiseres zich beroept, leidt niet tot een ander oordeel. Die uitspraak

ziet immers op de zich hier niet voordoende situatie dat een naheffingsaanslag betrekking

heeft op een maandaangifte voor meerdere auto's en geen verband meer kan worden gelegd

tussen de op die aangifte betaalde Bpm en de individuele voertuigen waarop de aangifte

betrekking heeft.

19. Eiseres heeft met betrekking tot auto 2 aangevoerd dat verweerder een teruggave

op grond van artikel 16a Bpm niet ambtshalve mag toepassen maar van rechtswege een

dergelijke teruggaaf moet verlenen. In zaak SGR 23/2355, die betrekking heeft op auto 2, is

geen teruggave verleend op grond van artikel 16a Bpm. De grief van eiseres behoeft

derhalve geen verdere behandeling.

20. Ten aanzien van auto 3 en 4 heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat

verweerder de auto’s ten onrechte heeft aangemerkt als nieuw en ongebruikt. Volgens

eiseres is sprake van gebruikte auto’s omdat deze al eerder in een andere lidstaat

geregistreerd zijn geweest.

21. Nu eiseres stelt dat sprake is van gebruikte auto’s rust de bewijslast in deze op

eiseres. Niet in geschil is dat auto 3 en 4 bij de keuring door de RDW slechts 2 kilometer

hadden gereden. Eiseres heeft verder geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht

waaruit volgt dat de auto’s daadwerkelijk gebruik hebben gemaakt van de weg. Dat beide

auto’s eerst in een andere lidstaat geregistreerd zijn geweest, maakt dat niet anders. Beide

auto’s moeten dus worden aangemerkt als nieuwe personenauto’s in de zin van de Wet

Bpm. De verwijzing van eiseres naar het arrest van het Hof van Justitie [8] waaruit volgens

eiseres volgt dat geregistreerde auto’s gebruikte auto’s zijn, leidt niet tot een ander oordeel.

22. Alle overige door eiseres aangevoerde gronden leiden evenmin tot een gegrond

beroep.

23. Gelet op wat hiervoor is overwogen zijn de beroepen ongegrond.

24. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens

overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat onderhavige zaken van

eiseres in hoofdzaak op hetzelfde onderwerp betrekking hebben en gezamenlijk en in

samenhang met elkaar zijn behandeld. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat bij de

beoordeling van de vraag of recht bestaat op vergoeding van immateriële schade, deze zaken

als samenhangende zaken dienen te worden aangemerkt.

25. Het oudste bezwaarschrift is op 16 november 2021 door verweerder ontvangen. De

rechtbank doet op 10 juli 2024 uitspraak. De bezwaar- en beroepsfase heeft derhalve twee

jaar en 8 maanden geduurd, zodat de redelijke termijn met 8 maanden is overschreden. De

overschrijding van de redelijke termijn is volledig aan verweerder toe te rekenen.

26. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële

schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft

ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van

dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Dit betekent

dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van

€ 1.000. Aan het arrest van het EHRM van 29 maart 2006 [9] kan in dit geval geen aanspraak

op een hogere vergoeding worden ontleend.

27. Nu aan eiseres een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, ziet de

rechtbank aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. De voor vergoeding in

aanmerking komende kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het bepaalde in het

arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023 [10] en het Besluit proceskosten bestuursrecht

voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 punt voor

het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 875 en

wegingsfactor van 0,25). Voor een hogere vergoeding bestaat geen aanleiding.

28. Aangezien het verzoek om immateriële schadevergoeding is gedaan op 24 juni

2024 bestaat geen recht op vergoeding van griffierecht [11].

29. Bovengenoemde vergoedingen dienen op grond van artikel 19a, vierde lid, van de

Wet Bpm uitsluitend plaats te vinden op een bankrekening die op naam staat van eiseres. De

rechtbank acht deze bepaling niet in strijd met enige verdragsrechtelijke bepaling.

(…)

[4] ECLI:NL:HR:2022:1277

[5] Vgl. ECLI:NL:GHDHA:2023:684

[6] ECLI:NL:HR:2003:AE3220

[7] ECLI:NL:GHARL:2017:131

[8] EU:C:2015:216

[9] ECLI:CE:ECHR:2006:0329JUD003681397

[10] ECLI:NL:HR:2023:1526

[11] ECLl:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1 en 7.1.2”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

In hoger beroep zijn in geschil diverse Unierechtelijke vraagstukken, of het juiste bedrag aan bpm is voldaan en of de Rechtbank de proceskostenvergoeding tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Verder klaagt belanghebbende over het belemmerende effect van het griffierecht en dat de schadevergoeding onjuist is vastgesteld. Belanghebbende bepleit voorts dat het cessieverbod in strijd is met het Unierecht. Ook wil belanghebbende een passende rentevergoeding over alle bedragen waarop zij recht heeft.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslagen dan wel vermindering van de naheffingsaanslagen. Daarnaast concludeert belanghebbende tot toekenning van een hogere kostenvergoeding alsmede een hogere (immateriële)schadevergoeding. Belanghebbende verzoekt voorts om een integrale althans veel hogere proceskostenvergoeding alsmede om vergoeding van het griffierecht en om een passende rentevergoeding.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Uitleg Unierecht en stellen van prejudiciële vragen

Belanghebbende stelt dat de Hoge Raad der Nederlanden en de feitenrechters niet bevoegd zijn uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het Unierecht nu de Unierechter exclusief en bij uitsluiting bevoegd is bindend en rechtsgeldig uitlegging te geven over de draagwijdte en betekenis van het recht van de Unie. Nu de Rechtbank hier wel een oordeel over heeft gegeven, zonder dat de Rechtbank prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU), is, aldus belanghebbende, sprake van misbruik van bevoegdheid en misbruik van recht.

De Rechtbank en het Hof zijn, als instanties tegen wier uitspraken respectievelijk hoger beroep bij het Hof en cassatie bij de Hoge Raad kunnen worden ingesteld, niet verplicht prejudiciële vragen te stellen. Het Hof stelt voorop dat het bij de beoordeling van elk van de standpunten van belanghebbende steeds, gelijk overigens ook de Rechtbank blijkens overweging 13 heeft gedaan, heeft overwogen of het stellen van prejudiciële vragen wenselijk is en ziet geen aanleiding voor het stellen van vragen aan het HvJ EU.

Belanghebbende stelt dat het Hof niet bevoegd is om het Unierecht uit te leggen. Belanghebbende verwijst naar het hoofdstuk in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) over het HvJ EU en naar diens rechtspraak, waaruit zou volgen dat uitsluitend de Unierechter bevoegd is het Unierecht uit te leggen. Dit standpunt van belanghebbende is juridisch niet juist. Het Hof is, net als de Rechtbank, gelet op de status van het Unierecht als autonome en hoogste rechtsorde en het beginsel van Unietrouw, verplicht het nationale recht in situaties waarin het Unierecht van toepassing is in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen en de beginselen van het Unierecht te respecteren (HvJ EU 9 maart 1978, Simmenthal, ECLI:EU:C:1978:49, punt 4, en HvJ EU 5 juli 2016, Ognyanov, ECLI:EU:C:2016:514, punt 34). Aan deze belangrijke uitgangspunten houdt het Hof zich en het is het Hof niet gebleken dat de Rechtbank dit niet heeft gedaan. Over hetgeen belanghebbende over de vermeende onbevoegdheid van de Hoge Raad heeft opgemerkt, onthoudt het Hof zich van een oordeel. Dat is aan de Hoge Raad om te beoordelen (Hof Den Haag 5 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1638 en HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1918).

Bevoegdheid tot naheffen (na het belastbare feit)

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, aangezien naheffing bij gebruikte auto’s die al in Nederland rijden niet mogelijk is, het Unierecht zich tegen naheffing bij uit andere lidstaten ingevoerde gebruikte auto’s verzet. Naheffen na het belastbaar feit is volgens belanghebbende in strijd met artikel 110 VWEU, omdat binnenlandse gebruikte voertuigen van een dergelijke belasting/modaliteit zijn uitgesloten. Het Hof volgt belanghebbende daarin niet. De bpm wordt verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen. Nu derhalve in alle gevallen van registratie van voertuigen te weinig betaalde belasting kan worden nageheven, is geen sprake van schending van artikel 110 VWEU. Het Hof voegt daaraan nog toe dat belanghebbende een onjuiste vergelijking maakt. Heffing dan wel naheffing van bpm bij gebruikte auto’s uit andere lidstaten heeft ten doel op deze auto’s een passende, in overeenstemming met het Unierecht berekende belastingdruk (in de woorden van de gemachtigde: het juiste bedrag aan bpm) te leggen. Indien de belastingplichtige te weinig bpm op aangifte voldoet, mag de Inspecteur het verschil naheffen, ook nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan, mits hij de beginselen van het Unierecht respecteert. Op deze wijze ontstaat een evenwichtige situatie op de markt voor gebruikte auto’s in Nederland (HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393). Ook deze stelling van belanghebbende faalt.

Heffingsmodaliteiten

Anders dan belanghebbende stelt, is geen sprake van verschillende heffingsmodaliteiten ten aanzien van binnenlandse en uit het buitenland afkomstige personenauto’s, als gevolg waarvan belanghebbende uiteindelijk een hoger bedrag aan bpm op aangifte heeft voldaan voor de auto’s, dan het bedrag aan bpm dat wordt geacht te rusten op vergelijkbare gebruikte, in het binnenland geregistreerde, personenauto’s. De toepassing van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet bpm) leidt niet tot heffing van een hogere belasting dan de belasting die op gelijksoortige binnenlandse auto's drukt. Bovendien is de wettelijke regeling – voor zover al sprake is van een belemmering – gerechtvaardigd, proportioneel en geschikt om de doelstelling te verwezenlijken.

Unierechtelijk verdedigingsbeginsel

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden en verbindt daaraan de conclusie dat de naheffingsaanslagen dienen te worden vernietigd. Gelijk de Rechtbank in overweging 12 van haar uitspraak heeft overwogen, is belanghebbende telkens vóór het opleggen van iedere naheffingsaanslag in de gelegenheid gesteld haar standpunt kenbaar te maken. De Inspecteur was niet gehouden belanghebbende uit te nodigen voor een gesprek alvorens een naheffingsaanslag op te leggen (HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3467 en HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393). Dit standpunt faalt.

Artikel 110 VWEU

Belanghebbende stelt dat sprake is van strijd met artikel 110 van het VWEU, omdat het voldoen van bpm voor een gebruikt geïmporteerd voertuig leidt tot discriminatie in de zin van voornoemd artikel.

Niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een situatie waarin op reeds geregistreerde gebruikte auto’s een lagere belasting drukt dan op de onderhavige geïmporteerde gebruikte auto’s. Het is op grond van de jurisprudentie van het HvJ EU de Inspecteur toegestaan om in een andere lidstaat dan Nederland geregistreerde personenauto’s aan een eenmalige registratiebelasting te onderwerpen in gevallen waarin de auto’s hoofdzakelijk bestemd zijn voor duurzaam gebruik in Nederland of hier aldus feitelijk duurzaam worden gebruikt (HvJ EU 21 november 2013, C-302/12, ECLI:EU:C:2013:756).

Nieuw of gebruikt

Onder een nieuwe personenauto in de zin van de Wet bpm moet worden verstaan een personenauto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest (HR 14 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7199, r.o. 3.3.2). Auto’s 3 en 4 hadden ten tijde van het belastbare feit ieder twee kilometer gereden. Dat de auto’s in een andere lidstaat geregistreerd zijn geweest is niet relevant. De auto’s dienen dus als nieuw te worden beschouwd en als zodanig in de heffing van bpm te worden betrokken. Het andersluidende standpunt van belanghebbende faalt.

Schadeaftrek, bewijslastverdeling en beroep op interne compensatie

Belanghebbende stelt zich voor auto’s 1 en 2 op het standpunt dat 100% van de schade in aftrek moet worden toegelaten. Belanghebbende meent dat de aangiften dienen te worden gevolgd en dat de daarin berekende handelsinkoopwaarden in beschadigde staat als uitgangspunt moeten worden genomen. De Inspecteur voert om te beginnen aan dat beide taxatierapporten van belanghebbende niet kunnen dienen. Volgens de Inspecteur is [naam 1] , die het taxatierapport van auto 1 heeft ondertekend, geen taxateur. Deze naam staat ook onder een ander taxatierapport, dat onder de naam [naam kantoor 2] is opgesteld. De handtekening op het taxatierapport van auto 1 is van [naam 2] , die ook het taxatierapport van auto 2 heeft ondertekend. Er is geen inkoopfactuur overgelegd en de referentieauto’s zijn ongeschikt. Hoewel belanghebbende gelijk heeft dat de historische nieuwprijs van auto 1 te laag is vastgesteld, kan dit niet tot vermindering van de naheffingsaanslag leiden indien het beroep van de Inspecteur op interne compensatie slaagt. Niet in geschil is dat het taxatierapport van auto 2 is ondertekend door [naam 2] . De FIOD heeft over deze taxateur informatie verstrekt, waaruit blijkt dat deze taxateur gebruikmaakt van een identieke schadecalculatie voor geheel verschillende voertuigen, waaronder auto 2. De Inspecteur heeft deze informatie in hoger beroep ingebracht. Het schadebedrag is in de door de FIOD genoemde gevallen gelijk. Dit kan niet kloppen, aldus de Inspecteur.

Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken (HR 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695, en HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63). De taxatierapporten van belanghebbende kunnen niet dienen, gelet op de door belanghebbende niet weersproken bezwaren die de Inspecteur tegen deze taxatierapporten heeft geuit (zie 5.7.1.). Ook inhoudelijk zijn beide taxatierapporten ondermaats. De foto’s zijn onduidelijk en na de verklaring van de Inspecteur over de (standaard) schadecalculaties twijfelt het Hof ernstig aan de juistheid daarvan. De gecalculeerde schade is niet op de foto’s te zien en DRZ heeft deze niet (volledig) aangetroffen. Partijen zijn het er, zij het ieder om een andere reden, over eens dat de rapporten van DRZ niet kunnen dienen. Het Hof ziet geen aanleiding voor een andere conclusie. Het voorgaande betekent, met en zonder eventuele interne compensatie voor auto 1, dat de naheffingsaanslagen eerder te laag dan te hoog zijn vastgesteld.

Het Hof komt gelet op het oordeel over de (taxatie)rapporten van partijen niet toe aan de overige standpunten die hiermee verband houden, zoals de vermeende onbevoegdheid van de Inspecteur om een voertuig op te roepen voor controle, de omvang van de schade, het aftrekpercentage en het beroep op interne compensatie.

Ex-rental

Belanghebbende stelt dat de waarde in onbeschadigde staat moet worden verminderd met 10% nu moet worden aangesloten bij de waarde van een auto met een huurverleden (ex-rental). Het zijn van een ex-rental is een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van de auto; een niet ex-rental bevindt zich ten opzichte van ex-rentals dan ook niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in het arrest van het HvJ EU van 19 december 2013, C-437/12, ECLI:EU:C:2013:857. Ter zitting is niet gebleken dat sprake is van een ex-rental. Er is dan ook geen aanleiding voor auto 1 of auto 2 uit te gaan van een referentievoertuig met een verhuurverleden (vgl. HR 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331). Deze stelling faalt.

Conclusie bpm

Voor de eventuele overige grieven die belanghebbende tegen de hoogte van de bpm heeft, zoals de CO2-uitstoot, de extra leeftijdskorting en de belastingplicht, geldt dat belanghebbende niet aan de op haar rustende stel- dan wel bewijsplicht heeft voldaan. Er bestaat geen aanleiding om de naheffingsaanslagen te verminderen.

Griffierecht

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het Unierecht de lidstaten verbiedt om voorafgaand aan de behandeling en de uitspraak griffierecht te heffen. Het Hof ziet dit anders en verwerpt dit standpunt. Het Hof motiveert deze beslissing als volgt.

De bpm is een nationale belasting en het staat de lidstaten vrij nationale belastingen te heffen, mits, indien van toepassing, het Unierecht wordt gerespecteerd. Voor de bpm geldt als belangrijkste uitgangspunt dat artikel 110 VWEU een hogere belasting op uit andere lidstaten afkomstige gelijksoortige goederen verbiedt. Voor zover het om procedurele en formele regels gaat, zijn de lidstaten vrij deze zelf te bepalen; het Unierecht voorziet niet in een stelsel van heffing en inning van nationale belastingen of in effectieve rechtsbescherming. Het is vaste jurisprudentie dat regels van formeel en procedureel recht moeten voldoen aan twee beginselen: het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel.

Zo is aan het HvJ EU de vraag voorgelegd of een nationale regeling die de volgende kenmerken bevat, in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel (HvJ EU 14 juli 2022, ECLI:EU:C:2022:565, punten 70 tot en met 78):

- ten eerste de regel dat, op dat gebied, de ontvankelijkheid van een verzoek in kort geding of een beroep afhangt van betaling, door de justitiabele, van vaste griffierechten, zodat dat verzoek of beroep slechts kan worden behandeld nadat die rechten zijn voldaan;

- ten tweede de regel dat, op dat gebied, voor een verzoek in kort geding dat met een beroep ten gronde wordt ingediend een specifiek vast griffierecht moet worden voldaan; en

- ten derde de regel dat, op dat gebied, de vaste griffierechten niet bij administratief besluit worden opgelegd, zodat tegen die griffierechten niet kan worden opgekomen bij een gerecht met volledige rechtsmacht.

Het HvJ EU besliste dat deze nationale regeling niet in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel. Voor de Nederlandse regeling geldt dat deze van toepassing is in alle zaken, wat een verschil is met de aan het HvJ EU voorgelegde regeling en maakt dat van schending van het gelijkwaardigheidsbeginsel in Nederland ook geen sprake is. Uit het eerdere arrest van het HvJ EU van 6 oktober 2015, ECLI:EU:C:2015:655, punten 43 tot en met 45, kon reeds worden afgeleid dat betaling van het griffierecht bij het instellen van het beroep geen schending vormt van het doeltreffendheidsbeginsel, omdat dit de toegang tot de rechter niet uiterst moeilijk of onmogelijk maakt. Niet kan worden gezegd dat de hoogte van het griffierecht in het onderhavige geval een belemmering voor belanghebbende vormt. Het griffierecht is volledig en op tijd voldaan. Er is geen beroep gedaan op de regeling voor betalingsonmacht, welke regeling in de beschouwing dient te worden betrokken bij de beoordeling of de Nederlandse regeling strijd oplevert met het Unierecht. De Nederlandse regeling voor het heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Er bestaat evenmin aanleiding om rente te vergoeden over de periode tussen de betaling en de uitspraak. Vooraf heffen is immers niet in strijd met een hogere rechtsorde.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de drie naheffingsaanslagen geen samenhangende besluiten zijn en heeft het griffierecht daarom vastgesteld op driemaal € 365, in totaal dus € 1.095. Belanghebbende bepleit dat de Rechtbank het griffierecht had moeten vergoeden, als gevolg van het toekennen van een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Rechtbank heeft het griffierecht niet teruggegeven onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, aangezien het verzoek om vergoeding van immateriële schade na dit arrest is gedaan. De Rechtbank heeft het verzoek om vergoeding van het griffierecht terecht afgewezen. Het Hof ziet geen aanleiding om de griffierechten toch te vergoeden. Het beroep dat belanghebbende doet op het Unierecht, kan haar niet baten. De voorwaarden in het arrest gelden voor zowel nationale als Unierechtelijke kwesties (gelijkwaardigheidsbeginsel) en maken het uitoefenen van de rechten die een belastingplichtige aan het Unierecht ontleent, niet uiterst moeilijk of onmogelijk (het doeltreffendheidsbeginsel).

Verzoek vergoeding van (immateriële) schade

De Rechtbank heeft de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld volgens de door de Hoge Raad vastgestelde uitgangspunten. Er bestaat geen recht op een hogere vergoeding van immateriële schade. De verwijzing naar het arrest Scordino van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 29 maart 2006, ECLI:NL:XX:2006:AW8901, leidt niet tot een hogere schadevergoeding. De omvang van de vergoeding hangt volgens het EHRM af van diverse omstandigheden, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de klager en de aangesproken staat en de aard en het belang van het geschil. Uit het arrest kan, anders dan belanghebbende stelt, niet worden afgeleid dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 1.500 of meer voor ieder jaar dat de procedure duurt, dus zonder aftrek van wat als een redelijke termijn wordt beschouwd. Voor hoger beroep heeft te gelden dat de redelijke termijn, gelet op de uitspraakdatum per heden, nog niet is verstreken.

Belanghebbende stelt zich voorts op het standpunt dat drie keer een vergoeding wegens immateriële schade had moeten worden toegekend. Het Hof verwerpt dit standpunt. De zaken zijn in beroep gelijktijdig op zitting behandeld en gaan voor het grootste deel over dezelfde geschilpunten, namelijk het Unierecht en de vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht. De summier onderbouwde standpunten over de heffing van bpm lijken - althans voor de gemachtigde - bijzaak.

Voor zover belanghebbende stelt dat zij recht heeft op een schadevergoeding omdat in strijd met het Unierecht is gehandeld, heeft zij de gestelde schade onvoldoende onderbouwd.

Cessieverbod

Belanghebbende stelt tot slot dat het cessieverbod in strijd is met het Unierecht. Het Hof verwerpt dit standpunt (HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156).

Slotsom

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, H.A.J. Kroon en S.E. Bandsma, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.

De griffier, de voorzitter,

T.S.K.L. Tjon A. van Dongen

De beslissing is op 30 september 2025 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?