GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 9 januari 2024
[X] te [Z] , belanghebbende,
de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de Heffingsambtenaar,
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-23/1149
in het geding tussen:
(gemachtigde: I.N.D.J. Rissema)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 25 oktober 2023 nummer ROT 22/5275.
Procesverloop
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 68,30, bestaande uit € 1,80 parkeerbelasting en € 65,50 kosten voor het opleggen van de naheffingsaanslag.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De griffier heeft ter zake € 50 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 138. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Op 1 november 2024 heeft de Heffingsambtenaar - daartoe uitgenodigd - een nader stuk ingediend, waarbij een onderbouwing van de kostenraming is overgelegd. Op 6 november 2024 heeft belanghebbende gereageerd op dit nadere stuk.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 12 november 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Op 15 februari 2022 om 17:45 uur is geconstateerd dat de auto van belanghebbende met kenteken [kenteken] (de auto) stond geparkeerd op locatie [straat] te [woonplaats] . Deze locatie is door burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam aangewezen als een plaats waar alleen tegen betaling van parkeerbelasting of met een geldige parkeervergunning mag worden geparkeerd. Tijdens een controle op het genoemde tijdstip is door de parkeercontroleur geconstateerd dat de auto zonder geldige parkeervergunning geparkeerd stond en dat ook geen parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding daarvan heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd.
De kostenraming 2022 ter zake van de bij de naheffingsaanslag in rekening te brengen kosten van de gemeente is onderverdeeld conform artikel 2, lid 1, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (het Besluit), namelijk als volgt:
A. vaste informatieverwerkingskosten;
B. variabele informatieverwerkingskosten;
C/D. kosten van afschrijving en interest;
E. personeelskosten;
F. overheadkosten.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“Bedrag naheffing boven wettelijk maximum
2. Eiser voert aan dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd, omdat het door verweerder gehanteerde bedrag aan kosten voor naheffing (€ 66,50) onjuist is. Op grond van artikel 234, zesde lid van de Gemeentewet gelden bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels met betrekking tot de wijze van berekening en de maximale hoogte van de kosten van de naheffing. Op grond van artikel 3, tweede lid van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (Bgpb) maakt de minister het berekende bedrag jaarlijks bekend vóór 1 september in de Staatscourant. Het maximale bedrag aan kosten van € 66,50 is in 2021 pas bekend gemaakt op 13 september 2021. De kosten in de Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen 2022 van de gemeente Rotterdam (de Verordening) gaan het wettelijk maximum te boven.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. De termijn van 1 september in artikel 3, tweede lid, van het Bgpb strekt niet tot bescherming van de belangen van de belastingplichtige maar heeft te maken met het tijdig, namelijk vóór aanvang van het nieuwe jaar, kunnen vaststellen van de verordening door de gemeenteraad. Dat het jaarlijkse maximum aan kosten in 2021 te laat bekend is gemaakt heeft in dit geval niet tot gevolg gehad dat de Verordening niet of te laat kon worden vastgesteld en heeft naar het oordeel van de rechtbank geen gevolgen. Noch uit de tekst van artikel 3, tweede lid, van het Bgpb noch uit de Nota van Toelichting bij de wijziging is af te leiden dat het aangepaste maximumbedrag niet geldt voor het daaropvolgende kalenderjaar als het niet vóór, maar op of na 1 september van het voorliggende jaar bekend is gemaakt door publicatie in de Staatscourant. De omstandigheid dat het maximale bedrag te laat bekend is gemaakt kan op grond van artikel 8:69a Algemene wet bestuursrecht niet leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslag. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 november 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:11871 en naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7481.
Geen sprake van parkeren
3. Ter zitting heeft eiser, naar aanleiding van de door verweerder overgelegde foto’s (gemaakt door de scanauto) van het voertuig van eiser ten tijde van het opleggen van de naheffing, zijn beroepsgrond dat er geen sprake was van parkeren laten vallen. De grond hoeft daarom geen bespreking meer.
Kostenonderbouwing kosten naheffing
4. Eiser stelt dat de door verweerder berekende hoogte van de kosten van naheffing in strijd is met artikel 2 van het Bgpb. Ten onrechte zijn verschillende kostenposten meegenomen in de berekening voor de kosten per naheffing terwijl dit geen kosten zijn ter zake het opleggen van een naheffingsaanslag. Tevens is ten aanzien van deze kosten ook niet voldaan aan de eis dat de kosten samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen.
Verweerder vermeldt dat artikel 2 van het Bgpb met ingang van 1 juli 2019 is gewijzigd. Het begrip ‘rechtstreeks voortvloeien uit’ is vervangen door het begrip ‘’samenhangen met’’. Verweerder wijst op de toelichting van het Verzamelbesluit openbaar bestuur 2019 waarin wordt aangegeven dat kosten verhaalbaar zijn indien ze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen. Verweerder licht de kostenposten waarvan eiser de samenhang met de inning in twijfel trekt als volgt toe:
Vaste informatieverwerkingskosten
- telefonie publiekszaken: telefoniekosten naar aanleiding van opgelegde naheffingsaanslagen en info met betrekking tot de indiening en de status van bezwaren. Telefoniekosten met betrekking tot straatparkeren, zoals het aan- en afmelden van parkeertransacties.
- sim-kaarten parkeerautomaten: sim-kaarten maken communicatie met het naheffingssysteem mogelijk, waardoor kan worden vastgesteld of er parkeerbelasting is voldaan.
- schoonmaakwerkzaamheden: schoonmaken van parkeerautomaten is onderdeel van de infrastructuur waarbij invoer van een juist kenteken van belang is.
Variabele informatieverwerkingskosten
- niet geïnde naheffingsaanslagen: de gemeente raamt op voorhand, aan de hand van ervaringscijfers, het bedrag aan naheffingsaanslagen dat niet wordt geïnd.
- beheer parkeermiddelen (externe leveranciers): de kosten van 06-providers zijn onderdeel van de infrastructuur die het betalen van parkeerbelastingen en naheffen van niet betaalde parkeerbelasting mogelijk maakt.
- personeelskosten: opleidingskosten en kosten van bedrijfskleding houden verband met inning.
- stafbureau parkeervoorzieningen: De personeelskosten die zijn meegenomen in de berekening hebben uitsluitend betrekking op beheer en ondersteuning van de parkeervoorzieningen op straat, zoals oplossen van problemen met parkeerautomaten. Kosten die gemaakt worden voor andere parkeervoorzieningen, zoals garages en fietsparkeren zijn hierin niet meegenomen. Ook kosten van overheadfuncties zijn hierin niet meegenomen.
Verweerder heeft toegelicht dat de posten, die zijn opgenomen in de kostenonderbouwing naheffingsaanslag parkeerbelasting 2022, kosten zijn die samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelasting. Daarbij stelt verweerder dat de kosten onderdeel uitmaken van de infrastructuur welke het betalen van parkeerbelastingen en naheffen van niet betaalde parkeerbelastingen mogelijk maakt.
Verweerder wijst naar rechtsoverweging 7.1. uit de uitspraak van het hof Den Haag van 6 oktober 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:2033). Het hof overweegt daarin onder meer dat, in het kader van de beoordeling of de opbrengstlimiet is overschreden, bij de vaststelling van tarieven niet ten aanzien van alle posten zekerheid of een volledig inzicht kan bestaan. Verweerder verwijst tevens naar het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1020) waarin de Hoge Raad onder meer overweegt dat kosten die meer dan zijdelings verband houden (meer dan 10%) als geheel kunnen worden toegerekend.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Bgpb kunnen de gemeentelijke kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet ten hoogste bestaan uit de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen:
a. vaste informatieverwerkingskosten;
b. variabele informatieverwerkingskosten;
c. kosten van afschrijving;
d. kosten van interest;
e. personeelskosten;
f. overheadkosten, welke ten hoogste 50% van de personeelskosten mogen bedragen.
Op grond van artikel 2, tweede lid, van het Bgpb stelt de raad op basis van een raming van het jaarlijkse totaal van deze kosten in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven, het bedrag vast dat per nageheven aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht.
Volgens de met ingang van 1 juli 2019 geldende tekst van artikel 2 van het Bgpb kunnen de kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting ten hoogste bestaan uit de in artikel 2, eerste lid, van het Bgpb vermelde componenten, voor zover deze ‘samenhangen’ met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen. Volgens de toelichting op deze wijziging in het Verzamelbesluit openbaar bestuur 2019 (Stb 2019,46) heeft deze wijziging geleid tot een verbreding van de grondslag van het kostenverhaal door middel van op te leggen naheffingsaanslagen parkeerbelasting:
‘Artikel III
Dit artikel bevat enkele wijzigingen van overwegend technische aard van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (Bgpb). Allereerst gaat het om twee verduidelijkingen van artikel 2 Bgpb, dat bepaalt welke kostencomponenten gemeenten in rekening mogen brengen bij het opleggen van een naheffingsaanslag voor een niet betaalde parkeerbelasting. Het eerste lid bevat een limitatieve opsomming van kostencomponenten, zoals informatieverwerkingskosten of personeelskosten, en bepaalt dat de kosten slechts in rekening mogen worden gebracht voor zover ze «rechtstreeks voortvloeien uit de inning van niet betaalde parkeerbelastingen». Dit roept in de praktijk met name de vraag op of de kosten van digitale scantechnologie die niet uitsluitend zijn gemaakt ten behoeve van de inning van niet betaalde parkeerbelastingen, ook in rekening mogen worden gebracht. De nieuwe formulering «samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen» (onderdeel C, eerste lid) stelt buiten twijfel dat de kosten niet uitsluitend ten behoeve van de inning van niet betaalde parkeerbelastingen hoeven te zijn gemaakt. De formulering is ontleend aan de modelbepalingen voor de doorberekening van kosten in aanwijzing 5.57 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Dezelfde wijziging is doorgevoerd in de artikelen 5 en 14 Bgpb (onderdelen D en I, eerste lid).’
De rechtbank is van oordeel dat, anders dan eiser stelt, de in de kostenonderbouwing genoemde kosten samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen in de zin van artikel 2, eerste lid, van het Bgpb. De door verweerder opgevoerde kostenposten (behoudens de kostenpost: niet geïnde naheffingsaanslagen) vervullen een centrale functie in het proces van het mogelijk maken van het voldoen van parkeerbelasting, het vaststellen of de verschuldigde parkeerbelasting is voldaan en het opleggen van naheffingsaanslagen indien blijkt dat onvoldoende parkeerbelasting is afgedragen inclusief informatievoorziening daarover. Zoals verweerder terecht stelt maken deze kosten onderdeel uit van de infrastructuur hetgeen naheffen mogelijk maakt. Dat sommige van deze kosten mogelijk niet uitsluitend ten behoeve van de inning van niet betaalde parkeerbelasting zijn gemaakt, zoals eiser stelt, doet daar niet aan af. Gelet op de toelichting bij de gewijzigde tekst van artikel 2 van het Bgpb kunnen kosten die samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen (en niet uitsluitend ten behoeve van de inning van niet betaalde parkeerbelastingen zijn gemaakt) volledig worden verhaald.
Over de kostenpost niet geïnde naheffingsaanslagen oordeelt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft – onweersproken ̶ aangegeven, dat rekening moet worden gehouden met de oninbaarheid van een deel van de naheffingsaanslagen om te voorkomen, dat tekorten ontstaan bij de inning. De rechtbank begrijpt dat zo, dat verweerder om uit de kosten (van de inning van naheffingsaanslagen) te komen via het mechanisme van artikel 2, tweede lid, van het Bgpb de naheffingsaanslagen die wel worden geïnd verhoogt met het (geraamde) bedrag van oninbare naheffingsaanslagen om zo de kosten te dekken. Daartoe begrijpt verweerder het “geheven” in artikel 2, tweede lid, van het Bgpb als “geheven en geïnd”. Nu met het Bgpb onder meer is beoogd gemeenten in staat te stellen om de kosten van inning van niet betaalde parkeerbelasting te verhalen acht de rechtbank de uitleg van verweerder aanvaardbaar en is de rechtbank van oordeel dat deze kosten samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen. Nu samenhang tussen kosten en inning al kan worden aangenomen bij een meer dan zijdelings verband hoefde verweerder niet verder te specificeren dat de verhoging met het totaal aan kosten voor niet geïnde naheffingsaanslagen in dit verband in zijn geheel kan worden meegenomen.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”
Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de vraag of de ter zake van het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag in rekening gebrachte kosten te hoog zijn vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag. Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van proceskosten en griffierechten en tot vergoeding van wettelijke rente over deze bedragen, indien deze niet binnen vier weken na openbaarmaking van de uitspraak zijn betaald.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Niet in geschil is dat belanghebbende op het moment van de controle niet beschikte over een geldige parkeervergunning en geen parkeerbelasting had voldaan voor het parkeren van zijn auto in een gebied waarin alleen tegen betaling van parkeerbelasting of met een geldige parkeervergunning mag worden geparkeerd.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de tariefbepaling in de Verordening onverbindend dan wel partieel onverbindend is, omdat de kostenraming die daaraan ten grondslag ligt niet voldoet aan de daaraan gestelde regels. In de kostenraming zijn volgens belanghebbende kosten opgenomen die niet samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting, zoals artikel 234, lid 6, van de Gemeentewet en het daarop gebaseerde artikel 2 van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (het Besluit) voorschrijven.
Het gaat daarbij onder meer om de kosten voor vaste informatieverwerking, variabele informatieverwerkingskosten, kosten van afschrijving en interest en personeelskosten.
Van de gedetailleerde kostenraming die de Heffingsambtenaar in zijn nader stuk heeft overgelegd wijst belanghebbende de volgende posten als niet toerekenbaar aan, omdat ze niet voldoen aan het criterium dat ze verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting:
A. Vaste informatieverwerkingskosten
1.1.1. Beheer parkeersysteem
1.1.2. Onderhoudswerkzaamheden algemeen (externe leveranciers)
1.2. Telefonie publiekszaken
1.3. ICT-ontwikkeling (voornamelijk [naam] )
B. Variabele informatieverwerkingskosten
3.1. Beheer parkeermiddelen (externe leveranciers): 06-providers
3.2. Uitbestede ICT dienstverlening (obv managed services)
3.3. Doorbelasting Cluster Dienstverlening: perceptiekosten Belastingen (infrastructuur inning parkeerbelastingen)
3.4. Doorbelasting Cluster Dienstverlening: perceptiekosten Stadswinkels (infrastructuur inning parkeerbelastingen)
C/D. Kosten van afschrijving en interest
4.1. SR Afschr Machines apparaten en inst (econ nut)
4.2. Toegerekende rente activa
E. Personeelskosten
4. Opleidingskosten medewerkers infrastructuur inning parkeerbelastingen
5. Bedrijfskleding medewerkers infrastructuur inning parkeerbelastingen
6. Salaris medewerkers infrastructuur inning parkeerbelastingen
Belanghebbende betoogt dat ten aanzien van de volgende posten door de Heffingsambtenaar niet is onderbouwd waarom deze voldoen aan het criterium dat ze meer dan zijdelings verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting:
A. Vaste informatieverwerkingskosten
1.1.3. Onderhoud software (externe leveranciers)
1.6. Overig
Voorts merkt belanghebbende dat op dat bepaalde door de Heffingsambtenaar verstrekte gegevens inconsistenties vertonen, de geraamde inkomsten uit fiscale naheffingen hoger zijn dan de geraamde kosten en dat de raming van de kosten achteraf lijkt te zijn opgesteld. Belanghebbende merkt bovendien op dat de overheadkosten onjuist zijn berekend en dat het geraamde aantal naheffingsaanslagen hoger lag dan het aantal netto opgelegde naheffingsaanslagen.
Primair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat deze posten uit de kostenraming geëlimineerd zouden moeten worden, omdat ze niet voldoen aan het criterium dat ze samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting. Subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat, indien zou worden geoordeeld dat deze posten wel samenhangen met het opleggen van naheffingsaanslagen, deze posten naar een lager bedrag moeten worden toegerekend, omdat de woorden “voor zover” in artikel 2 van het Besluit een beperking inhouden ten aanzien van de mate waarin bepaalde kosten kunnen worden doorberekend in de hoogte van de kosten van de naheffingsaanslag. Volgens belanghebbende mogen deze kosten slechts worden toegerekend in de mate dat deze samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting.
De Heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat artikel 2 van het Besluit aldus moet worden uitgelegd dat de kosten die meer dan zijdelings verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting volledig mogen worden toegerekend, onder verwijzing naar de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam en de conclusie van Advocaat-Generaal Pauwels. De Heffingsambtenaar heeft in zijn nader stuk een gedetailleerde kostenonderbouwing overgelegd. Daarbij heeft de Heffingsambtenaar per post uitgelegd uit welke voorzieningen of werkzaamheden deze bestaat en gemotiveerd dat deze meer dan zijdelings verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting. De posten hebben volgens de Heffingsambtenaar ofwel een essentiële rol bij het tot stand komen van een geldige kentekenregistratie, die nodig is voor de controle met behulp van scanvoertuigen, ofwel een functie bij het opstellen en afhandelen van de naheffingsaanslagen parkeerbelastingen.
Bij de beoordeling van de onderhavige geschilpunten staat voorop dat de fiscale parkeerhandhaving in de gemeente Rotterdam bestaat uit een samenhangend en onlosmakelijk verbonden geheel van systemen, apparaten, processen, mensen, hardware en software. De systemen voor de parkeercontrole met scanauto’s worden rechtstreeks ‘gevoed’ vanuit parkeerautomaten, parkeerapps en vergunningensystemen. Het hele systeem is erop ingericht dat naheffing van niet-betalers zo efficiënt mogelijk kan plaatsvinden.
De voorwaarde voor de toerekenbaarheid van kosten was in de oorspronkelijke tekst van artikel 2, lid 1, van het Besluit verwoord als “rechtstreeks voortvloeien uit” (de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen). Dat is per 1 juli 2019 gewijzigd in “samenhangen met”. Deze tekstuele wijziging brengt mee dat de maatstaf voor de toerekenbaarheid van de kosten is verruimd. Kosten hoeven blijkens de toelichting op deze wijziging niet uitsluitend ten behoeve van de inning van niet-betaalde parkeerbelasting te worden gemaakt om toerekenbaar te zijn. Het Besluit is op dit punt geformuleerd conform de modelbepalingen voor het verhalen van kosten. De ruime formulering van ‘samenhangen met’ brengt mee, dat kosten die meer dan zijdelings verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting kunnen worden toegerekend. Deze uitleg is in overeenstemming met de jurisprudentie over de opbrengstnorm in artikel 229b van de Gemeentewet. Deze uitleg brengt bovendien mee, dat ingeval de kosten voor tenminste 10% samenhangen, ze volledig mogen worden toegerekend. Slechts de kosten die geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen, alsmede de kosten die reeds op andere wijze worden verhaald, mogen niet worden toegerekend. Anders dan belanghebbende heeft bepleit, geeft de formulering “voor zover” in artikel 2, lid 1 van het Besluit geen aanleiding om de mogelijkheid van kostenverhaal beperkter uit te leggen. Dat zou indruisen tegen de kennelijk door de besluitgever beoogde zekerstelling van de ruime mogelijkheid tot kostenverhaal door de wijziging van het Besluit per 1 juli 2019.
Gelet op deze uitgangspunten en de toelichting door de Heffingsambtenaar voldoet de kostenraming aan de gestelde eisen. De betwiste posten houden namelijk meer dan slechts zijdelings verband met het opleggen van naheffingsaanslagen, zodat ze volledig mogen worden toegerekend. Hetgeen belanghebbende hier tegenin heeft gebracht, is onvoldoende om anders te oordelen.
Belanghebbende stelt dat oninbare naheffingsaanslagen ten onrechte tot de kosten zijn gerekend. Ook wijst belanghebbende erop, dat bij het aantal naheffingsaanslagen reeds rekening is gehouden met een percentage dat niet kan worden geïnd, zodat deze kosten dubbel verhaald worden.
De Heffingsambtenaar heeft onweersproken verklaard, dat bij de raming van het aantal naheffingsaanslagen rekening is gehouden met gevallen waarin weliswaar is geconstateerd dat geen parkeerbelasting is voldaan, maar desondanks geen naheffingsaanslag kan worden opgelegd, bijvoorbeeld omdat een kenteken op het voertuig ontbreekt. Van de wel opgelegde naheffingsaanslagen is bovendien een gedeelte oninbaar. In de raming van de kosten is daarom vervolgens rekening gehouden met de verwachte oninbare vorderingen.
Anders dan belanghebbende betoogt is de raming van de kosten en baten in overeenstemming is met het doel en de strekking van de regeling tot kostenverhaal in het Besluit. Weliswaar is hierin niet opgenomen dat deze kosten mogen worden toegerekend, maar gelet op de bedoeling van de regelgever om de gemeente een ruime kostenverhaalsmogelijkheid te bieden en de uitleg van deze regeling in overeenstemming met de jurisprudentie over de opbrengstnorm mag met niet op te leggen en oninbare naheffingsaanslagen rekening worden gehouden bij de kostenraming. Hoewel het zuiverder was geweest hier aan de batenkant rekening mee te houden, is het resultaat in dit geval hetzelfde. Derhalve is de kostenraming op dit punt daarom niet in strijd met de regelgeving.
Gelet op het voorgaande is het hoger beroep ongegrond.
Proceskosten
Er is geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.
Beslissing
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, L.D.M.A Reijs en A.P. Bliek-Monsma, in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout. De beslissing is op 9 januari 2024 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.