6. Recapitulatie Correcties
Vennootschapsbelasting [belanghebbende]
2014
2015
2016
Correctie 1
€ 195.052
€ 16.855
Correctie 2
€ 66.650
Correctie 3
€ 49.772
Correctie 4
€ 24.835
Correctie 5
€ 7.534
€ 2.137
=======
======
=======
Totaal
€ 195.052
€ 32.369
€ 135.414
(…)
7. Berekening belastbare winst
Bij de nader vastgestelde belastbare bedragen is nog geen rekening gehouden met de te corrigeren verliesverrekening van het jaar 2014.
(…)
9. Boete, heffingsrente en belastingrente
Vergrijpboete en kennisgeving navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting 2014, 2015 en 2016
(…).
Toerekening
Het voeren van de financiële administratie en de controle daarop behoorde tot een van de dagelijkse werkzaamheden van [A.] en/of [M.] , die eveneens in hun hoedanigheid als aandeelhouder en bestuurder bevoegd waren deze werkzaamheden te verrichten. De gedragingen van hun zijn derhalve toe te rekenen aan de vennootschap voor de beoordeling van de schuldvraag.
Gronden vergrijpboete 2014, 2015 en 2016
Uit het onderzoek is gebleken dat de administratie na verwerking bij [belanghebbende], overhandigd aan de adviseur. Aan de hand van deze administratie en aangeleverde informatie heeft de adviseur de administratie verwerkt en de aangiften vennootschapsbelasting ingediend met goedkeuring van de leiding van [belanghebbende]. We zijn van mening dat de correcties voortvloeien uit het redelijke vermoeden dat de leiding van [belanghebbende] grof schuldig en/of (voorwaardelijk) opzettelijk onjuiste aangiften vennootschapsbelasting heeft laten in dienen.
(…)
Motivering van de boeten:
Correctie 1
(…). Op grond van de feiten en/of omstandigheden genoemd in hoofdstuk 4.2.2.1. van dit controlerapport zijn wij van mening dat deze bedragen niet zijn voldaan voor de op deze facturen vermelde werkzaamheden.
Boete:
Wij beschouwen dit als grove schuld en de boete bedraagt 25% over het belastingbedrag van de correcties.
Correctie 2
(…). Op grond van de feiten en/of omstandigheden genoemd in hoofdstuk 4.2.2.2. van dit controlerapport zijn wij van mening dat niet aannemelijk is gemaakt dat deze bedragen zijn voldaan ten behoeve van [belanghebbende].
Boete:
Wij beschouwen dit als grove schuld en de boete bedraagt 25% over het belastingbedrag van de correcties.
Correctie 3
(…). Op grond van de feiten en/of omstandigheden genoemd in hoofdstuk 4.2.2.3. van dit controlerapport zijn wij van mening dat er onvoldoende is aangetoond dat er sprake is van oninbare debiteuren van [belanghebbende].
Boete:
Wij beschouwen dit als grove schuld en de boete bedraagt 25% over het belastingbedrag van de correctie.
Correctie 4
(…). Op grond van de feiten en/of omstandigheden zijn genoemd in hoofdstuk 4.2.2.4. zijn wij van mening dat het hier gaat om een privé bestedingen van de aandeelhouders en hun partners.
Boete:
Wij beschouwen dit als (voorwaardelijke) opzet en de boete bedraagt 50% over het belastingbedrag van de correctie.
Correctie 5
(…). Op grond van de feiten en/of omstandigheden genoemd in hoofdstuk 4.2.2.5. van dit controlerapport zijn wij van mening dat dit onterecht is.
Boete:
Wij beschouwen dit als grove schuld en de boete bedraagt 25% over het belastingbedrag van de correcties.
(…).”
In de administratie van belanghebbende zijn tijdens het onderzoek twee facturen aangetroffen die afkomstig zijn van [G B.V.] Van deze facturen zijn kopieën gemaakt, waarbij is opgemerkt dat van de op 17 januari 2015 gedateerde factuur meerdere kopieën zijn gemaakt aangezien op deze kopieën de via de bank overgeschreven deelbetalingen staan aangetekend. Ten tijde van het verrichten van de gefactureerde werkzaamheden stond [G B.V.] volgens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven met de volgende activiteiten:
"SBI-code: 6420 - Financiële holdings
SBI-code: 4639 - Groothandel in voedings- en genotmiddelen algemeen assortiment
Beheermaatschappij. Het im- en exporteren van food- en non-food producten, mozaïek tegels, groenten en fruit. Zakelijke dienstverlening: bedrijven advies geven op het gebied van beleidsvoering en oprichting, business to business klanten werving personeelsselectie. Het geven van advies gericht op commercieel en (bedrijfs)economisch gebied. Exploitatie van 0900-nummers en belminuten."
Tevens beschikte [G B.V.] , volgens het uittreksel uit het Handelsregister, over de volgende handelsnamen:
" [G B.V.]
[naam] "
Op beide facturen afkomstig van [G B.V.] staan de volgende twee adressen:
" [adres 1] ;
[adres 2] ."
[G B.V.] was, volgens het uittreksel uit het Handelsregister, gevestigd op het adres [adres 3] en heeft haar naam op 29 september 2016 gewijzigd in [B B.V.] Alle aandelen van [G B.V.] waren tot 29 september 2016 in handen van [G] , die tevens alleen/zelfstandig bestuurder was, en werden op deze datum geleverd aan [B] , die tevens vanaf deze datum alleen/zelfstandig bestuurder werd van [G B.V.] / [B B.V.] [B] heeft van tientallen vennootschappen alle aandelen overgenomen en staat binnen de Belastingdienst bekend als een zogenaamde “katvanger”. Aan het bestaan van [G B.V.] / [B B.V.] is op 9 januari 2017 een einde gekomen. Bij [G B.V.] is in het kader van het boekenonderzoek geen derdenonderzoek ingesteld.
Voor de werkzaamheden, die via de op 17 januari 2015 gedateerde factuur door [G B.V.] werden gefactureerd, werd in totaal (inclusief BTW) een bedrag van € 195.052 aan belanghebbende gefactureerd en als Advies en Consultancy kosten (in grootboekrekening 00004370) ten laste van het resultaat gebracht.
Voor de werkzaamheden die via de op 1 oktober 2016 gedateerde factuur, met als omschrijving “onderhoud [adres 4] werkzaamheden 3e kwartaal”, zijn gefactureerd, werd door [G B.V.] in totaal (inclusief BTW) een bedrag van € 16.855,30 aan belanghebbende gefactureerd en als kosten onderhoud gebouw (in grootboekrekening 00005509) volledig ten laste van het resultaat gebracht. Deze factuur is per kas zijn voldaan.
Volgens het uittreksel uit het Handelsregister, staat met betrekking tot [G B.V.] in de rubriek werkzame personen: 0.
[G B.V.] was niet opgenomen als inhoudingsplichtige voor de aangiften loonheffingen. Van [G B.V.] is door de Belastingdienst nimmer het formulier Melding Loonheffingen Aanmelding Werkgever (voor binnenlandse ondernemers) ontvangen.
De Inspecteur heeft naar aanleiding van het boekenonderzoek met dagtekening 6 juni 2020, 20 juni 2020 en 1 augustus 2020 de onderhavige navorderingsaanslagen opgelegd, resulterende in te betalen bedragen van € 17.258 (2014), € 27.291 (2015) en € 27.511 (2016). Bij de navorderingsaanslagen zijn tevens de onderhavige vergrijpboeten opgelegd van € 9.753 (2014), € 2.861 (2015) en € 6.771 (2016) en zijn de onderhavige beschikkingen belastingrente gegeven naar te betalen bedragen van € 6.798 (2014), € 8.553 (2015) en € 6.419 (2016).
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang in hoger beroep, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“25. Tussen partijen is niet in geschil dat de bewijslast voor het aannemelijk maken van de aftrekbaarheid van de kosten op eiseres rust. De correctieposten autokosten en de reis- en verblijfkosten voor de reizen naar (…) worden niet (langer) door eiseres betwist.
26. (…)
Verbouwingen
27. Ten aanzien van de verbouwingskosten heeft eiseres aangevoerd dat de bedrijfsruimte casco werd gehuurd, zodat een verbouwing nodig was. De verbouwing heeft vóór 2014 plaatsgevonden. In de jaren 2014 tot en met 2016 heeft onderhoud van het gebouw plaatsgevonden. Alle afspraken ten aanzien van de verbouwing en het onderhoud hebben mondeling en op basis van vertrouwen plaatsgevonden met G. De facturen zijn op basis van een mondelinge afspraak pas later verstuurd. Dat de facturen (mogelijk) fouten bevatten, kan volgens eiseres niet aan haar worden toegerekend. Ook wijst eiseres op het verzekerd bedrag van het huurdersbelang en op door haar overgelegde foto’s van een verbouwing. Voor zover de kosten van de verbouwing en het onderhoud niet in 2014 en 2016 aftrekbaar zouden zijn, zijn deze kosten volgens eiseres wel in andere jaren aftrekbaar.
28. De rechtbank is van oordeel dat eiseres met hetgeen zij heeft aangevoerd de aftrekbaarheid van de kosten van de verbouwing en onderhoud niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit hetgeen eiseres heeft aangevoerd en overlegd kan niet worden afgeleid of, wanneer en welke werkzaamheden er concreet hebben plaatsgevonden binnen een bedrijfsgebouw van eiseres. Ook is de relatie tussen de afgetrokken kosten en de gestelde door G. verrichte werkzaamheden niet inzichtelijk. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van eiseres dat verweerder ten onrechte geen derdenonderzoek heeft verricht, omdat het niet aan verweerder is om een dergelijk onderzoek uit te voeren. De bewijslast rust immers op eiseres.
Marketingkosten
29. Ten aanzien van de marketingkosten heeft eiseres aangevoerd dat deze onderdeel zijn van een gesloten “totaal deal” met G. en dat deze afspraken mondeling zijn gemaakt en berusten op wederzijds vertrouwen. Eiseres heeft geen stukken overgelegd waaruit de gemaakte afspraken en de gestelde werkzaamheden blijken. Eiseres heeft de gestelde marketingkosten dan ook niet aannemelijk gemaakt.
Oninbare debiteuren
30. Desgevraagd heeft eiseres op zitting toegelicht dat de oninbaarheid van de debiteuren op individueel niveau heeft plaatsgevonden. Eiseres heeft aangegeven per klant te hebben vastgesteld of de factuur en de aanmaning werden betaald en, als geen betaling werd vastgesteld, wat de reden daarvan was. In veel gevallen ging het om ouders die in de knel zaten door de toeslagenaffaire of beschikte eiseres niet meer over adresgegevens van klanten. Alhoewel eiseres ter zitting meer inzicht heeft verschaft in de werkwijze omtrent de afboeking van oninbare debiteuren, heeft zij daarmee nog niet per debiteur inzichtelijk gemaakt waarom deze debiteur als oninbaar werd gekwalificeerd. Daarmee heeft eiseres de post oninbare debiteuren niet aannemelijk gemaakt.
Vergrijboeten
31. De vergrijpboeten zijn opgelegd op grond van artikel 67e van de Awr in samenhang met paragraaf 25 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Voor het opleggen van dergelijke vergrijpboeten bestaat aanleiding indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslagen tot een te laag bedrag zijn vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven.
32. In zijn arrest van 8 april 2022 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit is geleverd de waarborgen in acht dienen te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, van het EVRM. Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond.
33. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet (met betrekking tot alle correctieposten) in zijn bewijslast is geslaagd. Zoals uit het hiervoor opgenomen arrest volgt, rust op verweerder een zwaardere bewijslast voor een boete dan voor een navorderingsaanslag. Verweerder heeft niet overtuigend aangetoond dat eiseres de verbouwings- en marketingkosten als ook de post oninbare debiteuren ten onrechte in de aangifte heeft opgenomen. Dat het aannemelijk is gemaakt, is voor een vergrijpboete niet voldoende. De rechtbank zal om die reden de vergrijpboete over het jaar 2014 in zijn geheel vernietigen en de vergrijpboete over het jaar 2016 (met betrekking tot voornoemde correcties) verminderen.
34. Voor wat betreft de vergrijpboeten ter zake van de correcties voor de autokosten en de reis- en verblijfkosten voor de reizen naar (…) is door eiseres aangegeven niet langer te betwisten dat verweerder deze posten terecht heeft gecorrigeerd. Hiermee zijn de feiten en omstandigheden betreffende die correctieposten komen vast te staan. Verweerder moet vervolgens aannemelijk maken dat het aan (voorwaardelijke) opzet (reis- en verblijfskosten) dan wel grove schuld (autokosten) van eiseres is te wijten dat op dit punt in de jaren 2015 en 2016 te weinig belasting is geheven en dat de aangiften over deze jaren onjuist zijn gedaan. Eiseres had zich naar het oordeel van de rechtbank op de hoogte moeten stellen van de van toepassing zijnde regelgeving omtrent de mogelijkheden van de in aftrek te brengen reis- en verblijfskosten en autokosten en de daarbij in acht te nemen administratieve verplichtingen. Zij had er dan ook niet zonder meer vanuit mogen gaan dat deze kosten zakelijke kosten zouden zijn en geen privébestedingen van de aandeelhouders. De rechtbank is van oordeel dat verweerder is geslaagd in het bewijs dat aan de kant van eiseres sprake is van opzet dan wel grove schuld nu door eiseres de kosten met betrekking tot de reizen naar (…) en de autokosten (zonder controle) aan haar adviseur heeft verstrekt en de adviseur deze heeft (laten) verwerken in de aangiften als zijnde zakelijke kosten. De rechtbank is niet gebleken dat aan de aandeelhouders ten onrechte voor dezelfde feiten dubbele boeten zijn opgelegd. De onderhavige boeten zijn opgelegd aan eiseres met betrekking tot bij haar gecorrigeerde posten. De rechtbank acht de boeten met betrekking tot de correcties reis- en verblijfskosten (50%) en de autokosten (25%), alle omstandigheden in aanmerking nemend, passend, en in het kader van norminscherping, in beginsel ook geboden.
35. Het door eiseres voor het eerst ter zitting gedane beroep op het vertrouwensbeginsel, maakt het voorgaande niet anders. Verweerder heeft de verklaring van eiseres ten aanzien van de vergrijpboete welke ziet op de reis- en verblijfkosten ontkend dan wel weersproken. Volgens verweerder heeft hij – zoals eiseres stelt – niet gezegd akkoord te gaan met een correctie van reis- en verblijfkosten dan wel van de daarmee samenhangende vergrijpboete. Eiseres heeft niet de indruk kunnen krijgen dat het door eiseres gedane aanbod hieromtrent door verweerder is geaccepteerd.
36. De rechtbank ziet in de duur van de procedure aanleiding om de boeten te matigen. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn wat betreft de boeten is aangevangen met het controlerapport van 28 april 2020 en dat sinds die datum tot het moment waarop in deze zaken uitspraak wordt gedaan, 3 jaren en ruim 8 maanden zijn verstreken. Van bijzondere omstandigheden die een langere termijn dan 2 jaar rechtvaardigen is de rechtbank niet gebleken. De redelijke termijn is dan ook met 1 jaar en ruim 8 maanden overschreden. De rechtbank ziet in die overschrijding aanleiding de vergrijpboeten, conform de door Gerechtshof Amsterdam geformuleerde uitgangspunten, te matigen met 15%.
(…)
Belastingrente en verliesbeschikking
39. Het beroep wordt mede geacht gericht te zijn tegen de belastingrente en de verliesbeschikking. Hiertegen heeft eiseres geen afzonderlijke gronden aangevoerd. De rechtbank is ook niet gebleken dat de belastingrente ten onrechte dan wel naar een te hoog bedrag in rekening is gebracht. Volgens de rechtbank is de verliesbeschikking ook naar het juiste bedrag opgelegd.
40. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen voor zover deze zien op de vergrijpboeten gegrond te worden verklaard. Voor het overige dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
41. Eiseres heeft – anders dan in de uitspraak op bezwaar staat – voor het eerst in haar bezwaarschriften verzocht om vergoeding van de proceskosten. Primair heeft eiseres verzocht om vergoeding van de integrale proceskosten. De rechtbank stelt voorop dat een forfaitair stelsel bestaat voor de vergoeding van (proces)kosten, neergelegd in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Voor toekenning van een kostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Bpb is grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden, dan wel indien verweerder in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Eiseres heeft in haar stukken en ter zitting uitvoerig uiteengezet waarom volgens haar sprake is van ernstig onzorgvuldig handelen door verweerder. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet kan worden verweten in ernstige mate onzorgvuldig te hebben gehandeld, zodat de rechtbank dit verzoekt afwijst.
42. De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De rechtbank stelt de kostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in onderhavige zaken en de op dezelfde zitting behandelde zaken van [W. BV] betreffende de aan [W. BV] opgelegde (navorderings)aanslagen vennootschapsbelasting tezamen vast op € 2.955 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 296, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en factor 1,5 omdat sprake is van 4 of meer samenhangende zaken). Daarvan wordt 50%, ofwel € 1.477,50, toegerekend aan de zaken van eiseres.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In het principaal hoger beroep is in geschil of de navorderingsaanslagen 2014, 2015 en 2016 terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Voorts is in geschil of de vergrijpboeten terecht zijn opgelegd en of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
In het incidenteel hoger beroep is in geschil of de Rechtbank terecht de vergrijpboete 2014 heeft vernietigd en de vergrijpboete 2016 heeft verminderd.
Belanghebbende concludeert in het principaal hoger beroep tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar, tot vernietiging dan wel vermindering van de onderhavige navorderingsaanslagen, tot dienovereenkomstige vermindering van de beschikkingen belastingrente, tot vernietiging van de vergrijpboeten, tot vergoeding van immateriële schade, tot vergoeding van de proceskosten voor het hoger beroep en tot vergoeding van het griffierecht voor het hoger beroep.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het principaal hoger beroep.
In het incidenteel hoger beroep concludeert de Inspecteur tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor wat betreft de vernietiging van de vergrijpboete 2014 en vermindering van de vergrijpboete 2016 en de uitspraak op bezwaar te bevestigen.
Belanghebbende concludeert in het incidenteel hoger beroep tot ongegrondverklaring daarvan.
Beoordeling van het hoger beroep
Horen getuigen
Belanghebbende en de Inspecteur zijn in de uitnodiging voor de hiervoor in 1.6 vermelde zitting op de mogelijkheid gewezen getuigen naar de zitting mee te brengen of bij aangetekende brief of deurwaardersexploot op te roepen. Het is aan de partij die getuigen wil horen die personen mee te nemen naar de zitting of hen op te roepen. Belanghebbende heeft dat niet gedaan. Feiten en/of omstandigheden waaruit kan worden opgemaakt dat belanghebbende in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat hij van de geboden mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt zijn gesteld noch gebleken (vgl. HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:912 en HR 23 mei 2014, nr. 12/05526, ECLI:NL:HR:2014:1194, BNB 2014/154). Het bewijsaanbod wordt op grond van het voorgaande gepasseerd.
Toetsingskader verbouwingskosten en marketingkosten
Belanghebbende heeft bedragen ten laste van de winst gebracht onder de noemer ‘verbouwingskosten’ en ‘marketingkosten’. De Inspecteur heeft niet betwist dat belanghebbende de uitgaven heeft gedaan, maar wel dat belanghebbende in ruil voor die uitgaven een tegenprestatie heeft ontvangen.
In zijn arrest van 21 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:AA2964, BNB 1995/16, overwoog de Hoge Raad dat indien vaststaat dat een belastingplichtig lichaam een betaling heeft gedaan zonder dat blijkt van enige tegenprestatie, deze uitgave slechts dan tot de kosten van de door de belastingplichtige gedreven onderneming kan worden gerekend, indien deze aannemelijk maakt dat de uitgave ten behoeve van die onderneming is gedaan.
Nu de Inspecteur niet betwist dat de uitgaven zijn gedaan betekent dit dat dient te worden beoordeeld of het aannemelijk is dat belanghebbende een (reële) tegenprestatie heeft ontvangen. Als het aannemelijk is dat een (reële) tegenprestatie ontbreekt, dient in de tweede plaats te worden beoordeeld of het aannemelijk is dat belanghebbende de uitgaven heeft gedaan ten behoeve van haar onderneming.
Verbouwingskosten
De Rechtbank is tot het oordeel gekomen dat belanghebbende de aftrekbaarheid van de gedane uitgaven niet aannemelijk heeft gemaakt omdat uit hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd en overgelegd niet kan worden afgeleid of, wanneer en welke werkzaamheden concreet hebben plaatsgevonden en omdat de relatie tussen de in aftrek gebrachte kosten en de gestelde door de [G Groep] (G Groep) verrichte werkzaamheden niet inzichtelijk is gemaakt. In hoger beroep heeft belanghebbende evenmin aannemelijk gemaakt dat zij tegenover de facturen van de G Groep een reële tegenprestatie heeft ontvangen.
In het controlerapport van het boekenonderzoek van 28 april 2020 (controlerapport) is geconcludeerd dat op basis van de in het rapport opgenomen feiten en omstandigheden niet aannemelijk is geworden dat de uitgaven met betrekking tot de facturen van de G Groep zijn gedaan ten behoeve van de onderneming van belanghebbende.
Met betrekking tot de verbouwingskosten wijst belanghebbende in hoger beroep op de aan de Inspecteur gestuurde brieven van 13 juli 2020 en 2 september 2020. Belanghebbende voert dienaangaande aan dat de bedrijfsruimte van belanghebbende aan de [adres 4] (de bedrijfsruimte) casco plus werd gehuurd, zodat een verbouwing noodzakelijk was. De verbouwing heeft vóór 2014 plaatsgevonden. Na de verbouwing en inrichting werden de bedrijfsgebouwen betrokken en vonden de bedrijfsactiviteiten daarin plaats. In de periode van 2014 tot en met 2016 is er onderhoud aan het gebouw verricht. Alle afspraken over de verbouwing en het onderhoud zijn mondeling en op basis van vertrouwen gemaakt met de G Groep. De facturen zijn op grond van een mondelinge afspraak pas later verzonden. Het feit dat de facturen (mogelijk) fouten bevatten, kan volgens belanghebbende niet aan haar worden toegerekend. Tevens wijst belanghebbende op het verzekerde bedrag van het huurdersbelang en op door haar overgelegde foto's van de verbouwing.
Dat een verbouwing heeft plaatsgevonden, wordt door de Inspecteur niet betwist. De Inspecteur betwist dat de verbouwing door de G Groep is uitgevoerd zodat er geen reden is de door de G Groep aan belanghebbende verzonden factuur te voldoen. De Inspecteur wijst in dat verband op onvolkomen- en onduidelijkheden aangaande de factuur van de G Groep. De Inspecteur wijst voorts op de omstandigheid dat blijkens de grootboekadministratie belanghebbende sinds 2014 reeds verbouwingskosten van afgerond € 39.282 heeft geactiveerd waarop zij gedurende de jaren 2014 tot en met 2016 heeft afgeschreven, zodat niet zonder meer valt uit te sluiten dat de geactiveerde verbouwingskosten reeds de gehele verbouwing omvat.
De Rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat de uitgaven voor verbouwing niet aftrekbaar zijn. Belanghebbende heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zij een reële tegenprestatie heeft ontvangen voor de uitgaven. In hoger beroep heeft belanghebbende geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die een ander of nieuw licht op de zaak werpen.
Zoals de Rechtbank terecht heeft overwogen blijkt uit de overgelegde stukken niet welke verbouwingswerkzaamheden door de G Groep zijn verricht en wanneer deze zijn uitgevoerd. De door belanghebbende aangevoerde feiten en omstandigheden, waaronder de verwijzing naar de taxatie in het kader van het verzekerde bedrag van het huurdersbelang en de algemene stelling dat dergelijke kosten gebruikelijk door ondernemingen worden gedragen, zijn onvoldoende om de tegenprestatie door de G Groep voor de gemaakte kosten aannemelijk te achten. Met de enkele verwijzing naar de gewaardeerde onderdelen in het taxatierapport is immers niet aannemelijk geworden dat deze betrekking hebben op de door belanghebbende gestelde verbouwing door de G Groep. De overgelegde foto’s maken evenmin voldoende duidelijk hoe de situatie voorafgaand aan en na afloop van de verbouwing was. Bovendien ontbreken een schriftelijke overeenkomst, gedetailleerde facturen met specificaties van werkzaamheden en urenregistraties. Dat binnen bepaalde culturele contexten mondelinge overeenkomsten en contante betalingen gebruikelijk zijn, ontslaat belanghebbende niet van haar verplichting om een gedegen en controleerbare financiële administratie te voeren.
Belanghebbendes stelling dat de Inspecteur haar betalingen van de facturen van de G Groep als omzet van de G Groep heeft geaccepteerd, wat daarvan ook zij, maakt niet dat deze betalingen door belanghebbende zonder meer als aftrekbare kosten kunnen worden aangemerkt. Iedere belastingplichtige dient afzonderlijk te voldoen aan de wettelijke eisen voor aftrekbaarheid van kosten.
Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat, wegens het ontbreken van inzicht dienaangaande, niet aannemelijk is geworden dat tegenover de in aftrek gebrachte bedragen tegenprestaties hebben gestaan.
Marketingkosten
In het controlerapport is geconcludeerd dat ten onrechte uitgaven ter zake van cliëntenwerving in aftrek zijn gebracht omdat er geen offerte, overeenkomst of andere schriftelijke vastlegging is overgelegd en het onduidelijk is gebleven welke werkzaamheden dienaangaande zijn verricht.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende de gestelde marketingkosten niet aannemelijk heeft gemaakt aangezien belanghebbende geen stukken heeft overgelegd waaruit de gemaakte afspraken en de gestelde werkzaamheden blijken.
Ten aanzien van de marketingkosten die door belanghebbende in aftrek zijn gebracht wordt overwogen dat het enkele feit dat belanghebbende in de betreffende periodes van 2016 met haar kinderdagverblijflocatie heeft geadverteerd op de Google zoekmachine, niet leidt tot de conclusie dat daarmee aannemelijk is gemaakt dat de betalingen zijn gedaan voor de gestelde marketingdiensten door de G Groep.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat mondelinge afspraken zijn gemaakt tussen haar en de G Groep met betrekking tot de marketingdiensten. Hoewel een schriftelijke overeenkomst geen vereiste is om aannemelijk te achten dat de G Groep de gestelde marketingdiensten heeft geleverd, dient belanghebbende voldoende bewijs te leveren voor de onderliggende afspraken. De offerte van 25 januari 2016, verstrekt door [naam] van de afdeling Marketing van de G Groep aan belanghebbende en de facturen van respectievelijk 5 oktober 2016 en 21 december 2016 voor cliëntenwerving, zijn daartoe onvoldoende. De offerte betreft slechts een voorstel voor het ontwikkelen en uitvoeren van een marketingstrategie, en bevat geen specifieke details of feitelijke gegevens die de levering van de daarin vermelde diensten, kunnen onderbouwen. Ook overigens kunnen de mondelinge afspraken niet anderszins uit de gedingstukken worden afgeleid.
Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat, wegens het ontbreken van inzicht dienaangaande, niet aannemelijk is geworden dat tegenover de in aftrek gebrachte bedragen tegenprestaties hebben gestaan.
Tussenconclusie
De verbouwings- en de marketingkosten zijn terecht niet in aftrek toegelaten.
Oninbare debiteuren
Bij de beoordeling van dit geschilpunt dient voorop te worden gesteld dat de waardering van debiteuren plaats dient te vinden op basis van de regels van goed koopmansgebruik (HR 4 mei 1955, ECLI:NL:HR:1955:AY2480, BNB 1955/220). Voor de waardering is beslissend het subjectieve oordeel dat de belastingplichtige zich omtrent de waarde daarvan heeft gevormd en redelijkerwijze heeft kunnen vormen na een nauwgezet onderzoek van de omstandigheden waardoor de waarde van de vordering op de balansdatum kan worden beïnvloed, zoals die omstandigheden hem ten tijde van het opmaken van de balans bekend zijn (HR 19 februari 1958. ECLI:NL:HR:1958:AY1112, BNB 1958/127).
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de vorderingen op een aantal debiteuren terecht zijn afgewaardeerd ten laste van de winst, hetgeen de Inspecteur betwist. Volgens belanghebbende is het systeem en zijn de parameters op basis waarvan de oninbaarheid van vrijwel alle bestaande client-ouders voor kinderopvang wordt beoordeeld toegelicht, inzichtelijk gemaakt en is dat in overeenstemming met goed koopmansgebruik. Belanghebbende heeft daarnaast ter zitting – onweersproken – het volgende verklaard. Belanghebbende beschikt over een toeslagenservicepunt dat de relaties tussen haar cliënten en de Belastingdienst Toeslagen onderhoudt en is betrokken bij de aanvraag van toeslagen door de cliënten. Indien de cliënten facturen niet betaalden, werd door het toeslagenservicepunt contact met de backoffice van de Belastingdienst Toeslagen opgenomen en werden pogingen gedaan om de aanvragen voor de toeslagen te bespoedigen. Op de aanvragen werd echter niet of niet snel beschikt en de beslissingen werden uitgesteld. Indien wel werd beschikt, werden de toeslagen verrekend met vorderingen van andere instanties. De kinderopvangtoeslag werd in dergelijke gevallen aldus ingehouden. Alle contacten met de Belastingdienst Toeslagen vonden via telefonische gesprekken plaats en daarnaast moest voor de desbetreffende aanvragen in de vertrouwelijke omgeving van DigiD worden ingelogd, zodat van deze werkwijze geen correspondentie is vastgelegd. Als de facturen niet werden voldaan, dan werd daarvoor – ten laste van de debiteurenvordering – een voorziening gevormd. Op een gegeven moment worden de desbetreffende cliënten uitgeschreven. Wegens afwezigheid van betalingen, zijn alle vorderingen op cliënten waarvoor een voorziening is gevormd uiteindelijk finaal afgewaardeerd.
Gelet op deze geloofwaardige en aannemelijke verklaring van belanghebbende, tezamen met de cijfermatige verwerking van de voorziening dubieuze debiteuren per debiteur in de grootboekrekening, is aannemelijk geworden dat zij de oninbaarheid van de desbetreffende bedragen per debiteur heeft beoordeeld. Belanghebbende heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, per debiteur gespecificeerd, aannemelijk gemaakt dat zij voldoende inspanningen heeft verricht om de openstaande vorderingen te innen en dat die vorderingen daadwerkelijk oninbaar waren. Belanghebbende heeft aannemelijk gemaakt dat de afwaardering zijn grondslag vindt in een reëel risico dat de vordering door cliënten niet of voor een deel niet zal worden terugbetaald, hetgeen zich, gelet op de finale afwaardering zoals hiervoor vermeld, ook overigens daadwerkelijk heeft gemanifesteerd.
De Inspecteur heeft de afwaardering van de vorderingen op cliënten ten onrechte gecorrigeerd. Het hoger beroep is in zoverre gegrond. De vergrijpboete 2016 is in zoverre ten onrechte opgelegd.
Reis- en verblijfkosten
De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende de niet-aftrekbaarheid van de reis- en verblijfkosten niet langer betwist. In hoger beroep komt belanghebbende op tegen dit oordeel en stelt de aftrekbaarheid van de reis- en verblijfkosten opnieuw ter discussie.
Het staat belanghebbende vrij in hoger beroep alle gronden aan te voeren die zij dienstig acht, tenzij die gronden ondubbelzinnig zijn prijsgegeven, dan wel dat ze in hoger beroep worden aangevoerd onder zodanige omstandigheden dat behandeling ervan zou leiden tot een inbreuk op de goede procesorde.
De in het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank weergegeven opmerkingen van belanghebbende over de reis- en verblijfkosten zijn, bezien in de context waarvan die opmerkingen zijn gemaakt, onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat belanghebbende haar standpunt over de aftrekbaarheid daarvan ondubbelzinnig heeft prijsgegeven.
Belanghebbende heeft een bedrag van € 24.835 aan reis- en verblijfkosten ten laste van haar winst gebracht. Het gaat om een factuur van € 20.075 en een factuur van € 4.760. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de door belanghebbende betaalde reis- en verblijfkosten een winstuitdeling vormen en daarom niet aftrekbaar zijn.
Uit de jurisprudentie kan de volgende omschrijving van winstuitdeling worden afgeleid:
iedere bevoordeling, ongeacht naam of vorm, hetzij middellijk, hetzij onmiddellijk (de objectieve eis: de vermogensverschuiving);
toegekend door de vennootschap uit reeds verkregen of nog verkrijgbare winst (de winsteis);
aan de aandeelhouder (in de kwaliteit van aandeelhouder);
waarbij zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich van de bevoordeling bewust is of redelijkerwijs bewust moet zijn (de subjectieve eis: de bewustheidseis).
De reis- en verblijfkosten ad € 20.075 betrof een reis per vliegtuig naar [land] van 17 september 2015 tot en met 11 oktober 2015 met een verblijf in twee hotels voor respectievelijk twintig en vier overnachtingen door [A], [F] en [L], de indirecte aandeelhouders van belanghebbende, en [M], de zus van deze drie indirecte aandeelhouders en hun partners. Volgens belanghebbende ging het om een groepsreis ter bevordering van de samenwerking tussen de (indirecte) aandeelhouders. De partners mochten ook mee, omdat er destijds enige onenigheid tussen de partners was, om zo de teamgeest te verbeteren en de invloeden van thuis te verminderen doordat iedereen elkaar beter zou leren kennen.
Uit deze feiten en omstandigheden blijkt dat het privékarakter van de reis- en verblijfkosten zodanig overheerst dat de uitgaven als winstuitdeling zijn aan te merken. De combinatie van de duur van het verblijf, het verblijf op twee locaties en het meereizen van de partners maken dat het aannemelijk is dat belanghebbende de kosten van de reis (een privéuitgave van haar indirecte aandeelhouders) voor haar rekening heeft genomen met het doel haar indirecte aandeelhouders te bevoordelen en dat belanghebbende zich van die bevoordeling bewust moet zijn geweest.
De reis- en verblijfkosten van € 4.760 betrof een reis betrof per vliegtuig van 7 juli 2015 tot en met 13 augustus 2015 voor [L], zijn echtgenote en zes andere reisgenoten waarvan er vijf als “CHD” zijn aangeduid, hetgeen kennelijk betekent dat het kinderen zijn.
Ook met betrekking tot deze kosten wordt geoordeeld dat het privékarakter van de reis- en verblijfkosten zodanig overheerst dat de uitgaven als winstuitdeling zijn aan te merken. De combinatie van de duur van het verblijf en het meereizen van de partner van [L] en hun zes kinderen maken dat het aannemelijk is dat belanghebbende de kosten van reis- en verblijf (een privéuitgave van haar indirecte aandeelhouder) voor haar rekening heeft genomen met het doel haar indirecte aandeelhouder, [L], te bevoordelen en dat belanghebbende zich van die bevoordeling bewust moet zijn geweest.
Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de reis- en verblijfkosten voor 25 percent een zakelijk karakter hebben. Zij onderbouwt het percentage echter op geen enkele manier, zodat deze stelling wordt verworpen.
De reis- en verblijfkosten zijn derhalve terecht als winstuitdeling aangemerkt en niet in aftrek op de winst toegelaten.
Vergrijpboeten (principaal en incidenteel hoger beroep)
De Inspecteur heeft over de jaren 2014, 2015 en 2016 vergrijpboeten opgelegd. Hij
stelt onder verwijzing naar het controlerapport dat het aan voorwaardelijk opzet met betrekking tot de correctie voor de reis- en verblijfkosten dan wel grove schuld met betrekking tot de verbouwingskosten, marketingkosten en de afwaardering van de debiteurenvordering wegens oninbare debiteuren, van belanghebbende te wijten is dat er (initieel) te weinig vennootschapsbelasting is geheven.
De Rechtbank heeft de vergrijpboete 2014 vernietigd en de vergrijpboete 2016 verminderd omdat de Inspecteur niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast om overtuigend aan te tonen dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat ten aanzien van de correcties met betrekking tot de verbouwingskosten, marketingkosten en de afwaardering van de debiteurenvordering wegens oninbare debiteuren te weinig vennootschapsbelasting is geheven. Voorts zijn de vergrijpboeten 2015 en 2016 verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Belanghebbende stelt zich in het principaal hoger beroep op het standpunt dat de vergrijpboeten moeten worden vernietigd, omdat zij de in aanmerking genomen verbouwingskosten, de marketingkosten, de reis – en verblijfkosten en de afwaardering van de debiteurenvordering wegens oninbare debiteuren terecht in haar aangiften Vpb in aanmerking heeft mogen nemen. De vergrijpboete die is opgelegd voor de correctiepost autokosten is evenals de correctie zelf niet in geschil.
De Inspecteur stelt in het incidenteel hoger beroep dat de Rechtbank de vergrijpboeten 2014 en 2016 ten onrechte heeft vernietigd respectievelijk verminderd. Ter zitting in hoger beroep heeft hij verklaard in te stemmen met de vermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Wettelijk kader
Over sommige correcties heeft de inspecteur een boete opgelegd van 25% (grove schuld) en over andere van 50% (voorwaardelijke opzet). Een belastingplichtige valt grove schuld te verwijten als hij redelijkerwijs moet (kunnen) begrijpen dat zijn handelen (of nalaten) tot gevolg kan hebben dat er te weinig belasting wordt geheven. Het gaat om ernstige onachtzaamheid of ernstige nalatigheid. Een belastingplichtige heeft met voorwaardelijke opzet gehandeld, als hij wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat er te weinig belasting zou worden geheven en hij die kans bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). In HR 3 februari 2023, nr. 22/01072, BNB 2023/48, overwoog de Hoge Raad:
“4.2.1 Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 8 april 2022 dienen bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit, zoals in dat geval (voorwaardelijk) opzet, is geleverd, de waarborgen in acht te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, van het EVRM. Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond.
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven bewijsmaatstaf heeft verder het volgende te gelden. Voor de beantwoording van de vraag of (voorwaardelijk) opzet aanwezig is, is mede van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. De beoordeling of dit het geval is, hangt af van de omstandigheden van het geval en vergt daarom een waardering van feitelijke aard, die in cassatie alleen op begrijpelijkheid kan worden getoetst.”
Op zichzelf moet voor elke correctie afzonderlijk worden beoordeeld of een boete gerechtvaardigd is, dus of er sprake is van grove schuld of voorwaardelijke opzet. Die afzonderlijke beoordeling verhindert niet dat acht moet worden geslagen op de samenhang van (of het patroon in) de correcties. Dat patroon is dat belanghebbende forse bedragen ten laste van de winst brengt zoals autokosten, verbouwingskosten, marketingkosten en reis- en verblijfkosten, terwijl de onderbouwing volstrekt onvoldoende is dat deze bedragen ondernemingskosten vormen. Het ten onrechte in aftrek brengen van autokosten (zie par. 4.2.2.5 van het controlerapport dat in punt 2.5 is geciteerd) is in hoger beroep niet in geschil. Bij de verbouwings- en marketingkosten is de onderbouwing onvoldoende, omdat er geen offerten en gespecificeerde facturen zijn en belanghebbende ook niet op een andere manier aannemelijk kan maken dat er werkzaamheden zijn uitgevoerd (zie hierna 6.2.3). Bij de reis- en verblijfkosten gaat het om privéuitgaven (zie hierna 6.2.4). De gedragingen (het in de aangifte vennootschapsbelasting ten laste van de winst brengen van uitgaven die geen ondernemingskosten vormen) zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het gevolg dat te weinig vennootschapsbelasting wordt geheven dat het niet anders kan zijn dan dat belanghebbende dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard (vergelijk HR 18 juli 2025, nr. 24/00735, ECLI:NL:HR:2025:1063, r.o. 5.3).
Boete met betrekking tot de verbouwingskosten en marketingkosten
6.2.3.1. Ten aanzien van de verbouwingskosten stelt de Inspecteur dat het opleggen van de boete gerechtvaardigd is op basis van de volgende feiten en omstandigheden:
“- een offerte, een overeenkomst, overzicht van de gebruikte materialen of iets dergelijks is niet overgelegd;
het is niet duidelijk door wie de verbouwingen en/of werkzaamheden zijn uitgevoerd en met welke werklieden;
er is geen urenverantwoording overgelegd;
er is geen enkele vorm van schriftelijke vastlegging van de in dit overzicht gemaakte kosten overgelegd en/of is bijgehouden;
het is niet aannemelijk is dat er voor de uitbreiding (verbouwing) een bedrag van € 23.700 in rekening is gebracht en er daarvoor bedragen van € 36.000, € 27.000 en € 74.500 aan kosten voor consultancy, vergunning en begeleiding nodig zijn;
het is ongebruikelijk dat er aanzienlijke bedragen contant aan de aannemer zijn betaald en er is hiervan geen kwitantie of iets dergelijk opgemaakt;
het is opmerkelijk dat de werkzaamheden vermeld op factuurnummer 201503 zijn afgerond op 23-12-2014, gefactureerd zijn op 17-01-2015 en het factuurbedrag uiteindelijk pas volledig is voldaan op 29-12-2015.”
6.2.3.2. Ten aanzien van de marketingkosten stelt de Inspecteur dat de het opleggen van een boete gerechtvaardigd is op basis van de volgende feiten en omstandigheden:
“- Er geen offerte, overeenkomst of ander vorm (urenverantwoording) van schriftelijke vastlegging overgelegd is;
het is volstrekt onduidelijk gebleven wat voor werkzaamheden zijn verricht;
er zijn nog steeds geen betalingen verricht.”
6.2.3.3. Het in aftrek brengen van uitgaven waarvan niet aannemelijk is dat belanghebbende een (reële) tegenprestatie heeft ontvangen, is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer erop gericht dat te weinig vennootschapsbelasting zou worden geheven dat de Inspecteur met de voorgaande opsomming heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast overtuigend aan te tonen dat belanghebbende met in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid heeft gehandeld door uitgaven in aftrek te brengen zonder een verifieerbare onderbouwing van de aard en de omvang van de verbouwings- en de marketingwerkzaamheden in haar administratie op te nemen. De facturen van de G Groep kunnen niet als zodanig dienen, want die bevatten geen omschrijving. De foto’s van de verbouwing zijn onduidelijk en niet van een (voldoende) toelichting voorzien en de verzekering van het huurdersbelang is niet te herleiden tot de verbouwing. De boetes met betrekking tot de verbouwingskosten en de marketingkosten zijn derhalve terecht opgelegd.
Boete met betrekking tot reis- en verblijfkosten
6.2.4.1. Ten aanzien van de reis- en verblijfkosten stelt de Inspecteur dat voorwaardelijke opzet blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden:
“- In 2015 is er een bedrag van € 20.075 als reis- en verblijfkosten in mindering gebracht op het resultaat van de onderneming. Hiervan heeft de Inspecteur een nadere uitleg c.q. toelichting gevraagd. De verklaring van belanghebbende was dat het hier ging om een groepsreis ter bevordering van de samenwerking tussen de (uiteindelijke) aandeelhouders. De partners mochten ook mee, omdat er destijds ook enige onenigheid tussen de partners was. Derhalve is, aldus belanghebbende, besloten dat de partners mee mochten om de teamgeest te verbeteren en dat de invloeden van thuis zouden verminderen als iedereen elkaar beter zou leren kennen.
Volgens de achterliggende gegevens die bij het reisbureau zijn opgevraagd gaat het met betrekking tot het bedrag van € 20.075 om reis- en verblijfkosten voor vier personen over de periode van 17 september 2015 tot en met 10 oktober 2015 ten behoeve van de drie (uiteindelijke) aandeelhouders [A.], [F.], [M.] en hun zus [L.].
Voorts is in 2015 een bedrag van € 4.760 als reiskosten ten laste het resultaat gebracht. Hierbij gaan het om reis- en verblijfkosten van [M.] met zijn echtgenote en zes kinderen.”
6.2.4.2. De Inspecteur is geslaagd in zijn bewijslast met betrekking tot de boete voor de aftrek van de reis- en verblijfkosten ter zake van de factuur ad € 20.073. Het standpunt van de Inspecteur dat sprake is van voorwaardelijk opzet is gebaseerd op de hiervoor in 6.2.4.1 weergegeven gedragingen. Terecht heeft de Inspecteur zich dienaangaande op het standpunt gesteld dat deze gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg, te weten het verminderen van de vennootschapsbelasting, dat het niet anders kan zijn dan dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. De door belanghebbende aangevoerde argumenten voor het tegendeel treffen geen doel.
Belanghebbende moet hebben geweten dat de kosten van een reis van meer dan drie weken van de aandeelhouders, hun zus en hun partners ter bevordering van de samenwerking tussen de aandeelhouders en de invloeden van thuis te verminderen niet tot kosten behoren die op de winst in aftrek mogen worden gebracht. Belanghebbendes stelling dat zij is geadviseerd door een ter zake kundige adviseur is niet onderbouwd.
6.2.4.3. Met betrekking tot de reis- en verblijfkosten ad € 4.760 voor [M.] en zijn gezin is de Inspecteur eveneens geslaagd in zijn bewijslast. Ook ten aanzien van deze reis- en verblijfkosten heeft de Inspecteur zich dienaangaande terecht op het standpunt gesteld dat de gedragingen van belanghebbende naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg, te weten het verminderen van de vennootschapsbelasting, dat het niet anders kan zijn dan dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. De door belanghebbende aangevoerde argumenten voor het tegendeel treffen geen doel, aangezien belanghebbende op geen enkele manier het begin van bewijs heeft bijeengebracht dat de kosten zijn gemaakt met het oog op de zakelijke belangen van haar onderneming.
6.2.4.4. Door deze kosten toch in aftrek te brengen heeft belanghebbende, met inachtneming van hetgeen is overwogen in 6.2.2, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. De boete is in zoverre terecht opgelegd.
Vergoeding van immateriële schade
Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Op grond van vaste jurisprudentie geldt als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak in de bezwaar- en de beroepsfase niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen, uitspraak doet. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. Hierbij geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag heeft genomen. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het gerechtshof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld.
Aangezien het verzoek om vergoeding van immateriële schade voor het eerst in hoger beroep is gedaan, heeft te gelden dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van de uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen. Een voortvarende behandeling van het hoger beroep kan in een zodanig geval ertoe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn door het bestuursorgaan en/of de rechtbank wordt gecompenseerd (HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3562, BNB 2015/43).
Het eerste bezwaarschrift is door de Inspecteur ontvangen op 25 juni 2020 en hij heeft op 8 juni 2022 uitspraken op bezwaar gedaan. Het beroepschrift is op 29 augustus 2022 door de Rechtbank ontvangen en de Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 19 december 2023. Het hogerberoepschrift in deze zaak is op 31 januari 2024 ontvangen en deze uitspraak is gedateerd 12 augustus 2025. Vanaf de datum van ontvangst van de bezwaarschriften door de Inspecteur op 25 juni 2020 tot en met de datum waarop deze uitspraak wordt gedaan, zijn vijf jaar en afgerond twee maanden verstreken. De redelijke termijn van vier jaar is dus met afgerond een jaar en twee maanden overschreden. Belanghebbende heeft daarom recht op vergoeding van immateriële schade van € 1.500. De overschrijding dient in zijn geheel te worden toegerekend aan de bezwaarfase.
Belastingrente
Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is evenmin gesteld of gebleken.
Slotsom
Het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep zijn gegrond.
Proceskosten en griffierecht
Er bestaat aanleiding de Inspecteur te veroordelen voor de door belanghebbende gemaakte proceskosten in hoger beroep, welke kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, in de onderhavige zaken en de op dezelfde zitting behandelde zaken met nummers BK-24/96 tot en met BK-24/99 tezamen worden vastgesteld op € 2.721 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep: 2 punten (1 punt hogerberoepschrift en 1 punt zitting hoger beroep) à € 907 x 1 (gewicht van de zaak) en factor 1,5 omdat sprake is van 4 of meer samenhangende zaken). Daarvan wordt 50%, ofwel € 1.360,50, toegerekend aan de zaken van belanghebbende.
Voorts dient de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 559 voor het hoger beroep aan haar te worden vergoeden.
Beslissing
Het Gerechtshof:
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank met betrekking tot de niet-aftrekbaarheid van de dubieuze debiteuren (navorderingsaanslag Vpb 2016);
vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag Vpb 2016;
vermindert de navorderingsaanslag Vpb 2016 tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 158.801;
vermindert de beschikking belastingrente 2016 dienovereenkomstig;
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank met betrekking tot de boetes ten aanzien van de verbouwingskosten (vergrijpboete 2014) en de marketingkosten (vergrijpboete 2016);
vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de vergrijpboete 2014 en 2016;
draagt de Inspecteur op de vergrijpboete 2014 te verminderen met 15% wegens overschrijding van de redelijke termijn;
draagt de Inspecteur op de vergrijpboete 2016 te verminderen voor zover die ziet op de dubieuze debiteuren en de aldus verminderde vergrijpboete te verminderen met 15% wegens overschrijding van de redelijke termijn;
veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.500;
veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.360,50; en
gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het griffierecht voor het hoger beroep tot een bedrag van € 559 vergoedt.
Deze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, M.J.M. van der Weijden en P.G.H. Albert, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda.
De griffier, De voorzitter,
J. Azmi Shenouda P.J.J. Vonk
De beslissing is op 12 augustus 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.