GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 14 augustus 2025
[X] te [Z] , belanghebbende,
de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar,
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/936
in het geding tussen:
(gemachtigde: N.G.A. Voorbach)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 3 oktober 2024, nummer SGR 23/6186.
Procesverloop
Aan belanghebbende zijn aanmaningskosten in rekening gebracht.
De Heffingsambtenaar heeft het door belanghebbende gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De uitspraak van de Rechtbank luidt als volgt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vernietigt de beschikking inzake de kosten van het dwangbevel;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.061,50, vermeerderd met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden, vermeerderd met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening.”
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 138. De Heffingsambtenaar heeft bij nader stuk van 14 maart 2025 verweer gevoerd.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 23 juli 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Aan belanghebbende zijn op 17 juni 2023 aanmaningskosten in rekening gebracht in verband met de invordering van een naheffingsaanslag. Op 6 juli 2023 is aan belanghebbende een dwangbevel uitgevaardigd. Belanghebbende heeft tegen de kosten van het dwangbevel (de invorderingskosten) bezwaar gemaakt.
Tijdens de beroepsfase heeft de Heffingsambtenaar geconstateerd dat de aan belanghebbende in rekening gebrachte invorderingskosten dienen te vervallen omdat de verzendadministratie ontbreekt en niet meer beschikbaar is. De Heffingsambtenaar heeft dit bij brieven van 3 september 2024 aan de gemachtigde en aan de Rechtbank meegedeeld.
De Rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting gevraagd of de tegemoetkoming van verweerder voor belanghebbende aanleiding geeft tot intrekking van het beroep. Belanghebbende heeft het beroep niet ingetrokken. De Rechtbank heeft vervolgens uitspraak gedaan over de te vergoeden proceskosten.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2024. Namens eiser heeft [naam] zich gemeld. Zij heeft echter, desgevraagd, geen geldige volmacht kunnen overleggen. De reeds in het dossier bevindende volmacht is naar het oordeel van de rechtbank ontoereikend aangezien zij daarin niet met naam en toenaam is vermeld, zij evenmin op de site van [website] , waar zij stelt werkzaam te zijn, vermeld staat als werknemer en gesteld nog gebleken is dat [naam] werkzaam is bij [A B.V.] . Derhalve heeft de rechtbank haar als gemachtigde van eiser geweigerd. (…)
(…)
5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.061,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 624, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,5). Omdat de zaak een eenvoudig te beslechten geschil behelst, wordt op de waarde een wegingsfactor van 0,5 (licht) toegepast. [1]
[1] Zie de uitspraak van het Hof Amsterdam van I augustus 2024, ro 1.3. onder d,
ECLI:NL:GHAMS:2024:2158.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In hoger beroep is in geschil of de Rechtbank de proceskosten op het juiste bedrag heeft vastgesteld. Specifiek is in geschil of de Rechtbank een punt had moeten toekennen voor het verschijnen ter zitting.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot veroordeling van de Heffingsambtenaar tot vergoeding van een hoger bedrag aan proceskosten, tot vergoeding van de door belanghebbende betaalde griffierechten en tot vergoeding van wettelijke rente over die laatste twee bedragen.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
De Rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat voor het verschijnen ter zitting geen procespunt behoeft te worden toegekend. De persoon die zich namens belanghebbende voor de behandeling van de zaak bij de Rechtbank meldde, kon op geen enkele manier aannemelijk maken dat zij was gemachtigd om namens belanghebbende op de zitting te verschijnen. De Rechtbank heeft deze persoon dan ook terecht niet tot de zittingszaal toegelaten. Het Hof verwijst voorts naar de overweging ten overvloede in het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127. De Heffingsambtenaar had vóór de zitting al toegezegd het besluit om de invorderingskosten in rekening te brengen te zullen vernietigen. Belanghebbende heeft het aanbod gekregen om het beroep in te trekken, maar heeft dit – om onverklaarbare redenen - niet gedaan. Het bijwonen van een zitting was dus sowieso een zinloze proceshandeling, waarvoor in redelijkheid geen professionele bijstand behoefde te worden ingeroepen.
Proceskosten en griffierecht
6. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten of het griffierecht.
Beslissing
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, P.J.J. Vonk en E.P.A. Brakeboer, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda.
De griffier, de voorzitter,
J. Azmi Shenouda A. van Dongen
De beslissing is op 14 augustus 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.