ECLI:NL:GHDHA:2025:2323

ECLI:NL:GHDHA:2025:2323, Gerechtshof Den Haag, 28-08-2025, BK-24/148

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 28-08-2025
Datum publicatie 01-12-2025
Zaaknummer BK-24/148
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2024:2116
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002320 BWBR0007119

Samenvatting

Geen recente volmacht. Niet-ontvankelijk

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Uitspraak van 28 augustus 2025

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar,

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-24/148

in het geding tussen:

[Y] , beweerdelijk namens [X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: G. Gieben)

en

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 2 januari 2024, nummer SGR 22/6790.

Procesverloop

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 756.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen (de aanslag).

De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en de aanslag gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar afgewezen.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

[Y] dan wel belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 138. Bij bericht van 28 maart 2025 is [Y] verzocht om een machtiging die niet ouder is dan zes maanden teruggerekend vanaf de datum van indiening van het hogerberoepschrift en een geldig identiteitsbewijs van de persoon die de machtiging heeft ondertekend uiterlijk op 25 april 2025 te verstrekken. [Y] heeft bij bericht van 22 april 2025 een nader stuk overgelegd en gereageerd op het verzoek om de opgevraagde machtiging te verstrekken, de stukken niet verstrekt en verzocht om aanhouding van de zaak in afwachting van een arrest van de Hoge Raad. Het Hof heeft bij bericht van 22 april 2025 het verzoek van [Y] om de zaak aan te houden afgewezen. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift, aangeduid als nader stuk, ingediend.

Een onderzoek ter zitting van de zaak heeft niet plaatsgehad. De Heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift geschreven geen behoefte te hebben aan een mondelinge behandeling. De griffier heeft belanghebbende bij bericht van 13 november 2024 meegedeeld dat het Hof voornemens is een zitting achterwege te laten, tenzij hij uiterlijk 27 november 2024 laat weten dat hij ter zitting wil worden gehoord. Belanghebbende heeft niet verzocht om een mondelinge behandeling. Het Hof heeft bij bericht van 14 augustus 2025 het onderzoek gesloten en aangekondigd dat het schriftelijk uitspraak zal doen.

Feiten

Belanghebbende is eigenaar van de woning.

[Y] heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld en bij het hogerberoepschrift een machtiging gevoegd van 13 maart 2022. De machtiging vermeldt onder meer:

“Ondergetekende:

Naam * : [naam belanghebbende]

Adres : [adres belanghebbende]

Postcode : [postcode belanghebbende]

Plaats : [plaats belanghebbende]

Telefoon : [telefoonnummer]

E-mail : [e-mailadres]

De heer [naam] van [Y] en iedere (huidige en toekomstige) medewerker van [Y] , kantoorhoudende te [adres], om hem of haar te vertegenwoordigen in alle zaken betreffende de aanslag lokale belastingen en de daarop vermelde

WOZ-beschikking(-en)

Deze volmacht houdt in hoofdzaak in:

 Het indienen en desgewenst intrekken van bezwaar, (hoger) beroep of cassatie en het nemen van besluiten in deze procedures

 Het indienen van een verzoek tot het uitkeren van proceskostenvergoeding aan [Y]

 Het bijwonen van uw (hoor-)zitting en daarbij namens u het woord voeren

 Het in gebreke stellen van bestuursorganen en de eventuele dwangsom verbeuren

 Het in ontvangst nemen van besluiten, die in het kader van de procedure kunnen worden genomen

 Het indienen van een verzoek tot controle van eerder opgelegde WOZ-beschikkingen en daarmee samenhangende lokale heffingen

 Al datgene te doen wat gevolmachtigde nuttig of noodzakelijk acht voor volmachtgever

Dit alles met het recht van substitutie, wat wil zeggen dat onder meer samenwerkingspartners van [Y] ook namens volmachtgever op mogen treden.

(…)

Aldus ondertekend te:

Plaats : [woonplaats]

Datum : 13-03-2022

Handtekening : (…)

Let op: Zorg ervoor dat de naam overeenkomt met en wordt ondertekend door de persoon die staat vermeld op het aanslagbiljet”

Bij bericht van 28 maart 2025 van het Hof is [Y] het volgende bericht:

“Naar aanleiding van de brief van het gerechtshof van 27 januari 2025, waarvan u een kopie bijgevoegd aantreft, verzoek ik u de volgende stukken te verstrekken:

- een op uw naam gestelde machtiging, die niet ouder is dan 6 maanden teruggerekend vanaf de datum van indiening van het hogerberoepschrift;

- een kopie van een geldig identiteitsbewijs van de persoon die de machtiging heeft ondertekend.

Ik geef u de gelegenheid om uiterlijk op 25 april 2025 aan het verzoek te voldoen. Als u van deze gelegenheid geen gebruik maakt, kan het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof het hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt.”

Bij brief van 27 januari 2025 van het Hof is [Y] het volgende bericht:

“(…)

Naar aanleiding van eerdere correspondentie tussen [Y] (inclusief [naam] ) en het

gerechtshof Den Haag (Hof) in een aantal recente WOZ-zaken deel ik u het volgende mee.

In een aantal recente dossiers heeft het Hof [Y] gevraagd een nieuwe, recente volmacht over te leggen. [Y] heeft het Hof bericht dat [Y] – ondanks het uitdrukkelijke verzoek daartoe van het Hof – geen nieuwe, recente volmacht zal overleggen.

In uw brieven waarin u het Hof meldt geen nieuwe volmacht over te zullen leggen, merkt u op dat het Hof niet concreet maakt waarom ineens een nieuwe volmacht wordt gevraagd en dat het voor u onduidelijk is op grond waarvan de oude volmacht niet voldoende is. In deze brief leg ik uit waarom het Hof heeft besloten om voortaan in alle zaken die [Y] aan het Hof voorlegt of waarin [Y] zich als gemachtigde stelt in een hoger beroep dat is ingesteld door de wederpartij een recente volmacht (niet ouder dan zes maanden) op te vragen:

Voorbeelden uit de jurisprudentie:

(…)

Voorts wijs ik u op de volgende omstandigheden. Het Hof ontvangt steeds meer zaken waarin de WOZ-waarde niet meer wordt bestreden en de belanghebbende geen enkel belang meer heeft om door te procederen. Het Hof twijfelt aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [Y] ten tijde van het instellen van het hoger beroep, omdat enerzijds de vraag rijst of het doel waarvoor de oude volmacht is verleend (verlaging van de WOZ-waarde) nog wordt gediend, gelet op het beperkte geschil in hoger beroep, en anderzijds niet valt uit te sluiten dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid door herroeping van de volmacht door de belanghebbende is geëindigd.

Tot slot wijs ik u erop dat het niet vermelden (in de volmacht) van het nummer of het kenmerk van de beschikking en/of aanslag waarvoor [Y] gemachtigd is tot problemen kan leiden, bijvoorbeeld in geval van een intrekking van het hoger beroep dan wel (het sluiten van) compromissen voor, tijdens of na zitting. Ook hierdoor kan bij het Hof twijfel aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [Y] ten tijde van het instellen van het hoger beroep ontstaan. Het Hof wil voorkomen dat meerdere gemachtigden over hetzelfde besluit procederen of dat de belanghebbende door de wederpartij met de gevolgen wordt geconfronteerd van een handeling van [Y] , waarvan de belanghebbende niet op de hoogte is.

Het Hof zal voortaan in alle hoger beroepen die u instelt of in hoger beroepen waarin u zich namens de verwerende partij meldt, een recente volmacht (niet ouder dan zes maanden voor de datum van instellen van het hoger beroep) en een kopie van een geldig identiteitsbewijs van de volmachtgever opvragen. Dit geldt ook voor alle aanhangige zaken. Als het Hof op de in het desbetreffende verzoek genoemde uiterste datum geen recente volmacht heeft ontvangen, kan dat ertoe leiden dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard of dat u wordt geweigerd als gemachtigde in een hoger beroep dat door de wederpartij is ingesteld.

(…)”

[Y] heeft geen recente volmacht en kopie van een geldig identiteitsbewijs van belanghebbende overgelegd.

[Y] heeft bij bericht van 22 april 2025 verzendbewijzen van e-mailcorrespondentie met belanghebbende over de onderhavige procedure overgelegd.

Geschil in hoger beroep

Het Hof beoordeelt allereerst ambtshalve of het hoger beroep ontvankelijk is. Specifiek aan de orde is de vraag of [Y] deugdelijk gemachtigd is om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen.

Bij een bevestigende beantwoording van deze vraag is in geschil of de Heffingsambtenaar zijn toezendplicht heeft geschonden en of de waarde van de woning op een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de Heffingsambtenaar ontkennend.

Beoordeling van de ontvankelijkheid in hoger beroep

Op grond van artikel 8:24, lid 2, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechter een schriftelijke machtiging verlangen van een gemachtigde die geen advocaat is, om na te gaan of degene die zich als gemachtigde namens een belanghebbende aandient daartoe (nog) werkelijk bevoegd is.

Als reeds een machtiging is overgelegd, maar aanleiding bestaat om te twijfelen aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid ten tijde van het instellen van het (hoger) beroep, kan op die grond een nieuwe machtiging worden verlangd (vgl. Hoge Raad 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:840).

[Y] heeft bij het hogerberoepschrift van 1 oktober 2024 een schriftelijke machtiging gevoegd, gedateerd 22 maart 2022. Gelet op het tijdsverloop tussen het moment waarop belanghebbende de machtiging heeft verleend en het moment waarop [Y] het rechtsmiddel van hoger beroep heeft aangewend, dat het een doorlopende en in algemene termen geformuleerde volmacht betreft en de omstandigheden zoals nader uiteengezet in de brief van 27 januari 2025 (2.4) is [Y] bij bericht van 28 maart 2025 verzocht om een op naam van belanghebbende gestelde machtiging te verstrekken, die niet ouder is dan zes maanden teruggerekend vanaf de datum van het hogerberoepschrift, en om een kopie van een geldig identiteitsbewijs van de persoon die de machtiging heeft ondertekend te verstrekken.

Gelet op de onder 4.3 vermelde omstandigheden heeft het Hof gerede twijfel aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [Y] in hoger beroep en acht zich daarom bevoegd om een recente machtiging te verlangen. Nu geen gevolg is gegeven aan het verzoek en [Y] is gewezen op het mogelijke gevolg van het niet verstrekken van een recente machtiging en een kopie van het paspoort of een ander geldig identiteitsbewijs van belanghebbende, namelijk niet-ontvankelijkheid, wordt aan het uitblijven van een recente machtiging en een kopie van een geldig identiteitsbewijs van belanghebbende de gevolgtrekking verbonden dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is (zie HR 28 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1558).

Bij het voorgaande wordt in aanmerking genomen dat een bestaande, doorlopende volmacht ingevolge artikel 3:72 Burgerlijk Wetboek weliswaar pas eindigt door herroeping door de volmachtgever, door de dood, de ondercuratelestelling, het faillissement van de volmachtgever of het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, maar dat een verleende, doorlopende volmacht op een van de in voormeld artikel bepaalde gronden beëindigd kan zijn zonder dat het Hof daarvan in kennis wordt gesteld. Aldus is het mogelijk dat een verleende bevoegdheid tot vertegenwoordiging op het moment van het aanwenden van een rechtsmiddel niet langer bestaat. Het periodieke karakter van de hier aan de orde zijnde waardebeschikking en aanslag lokale heffingen, in combinatie met de vaste datum van bekendmaking daarvan, de openbare raadpleegbaarheid van WOZ-waarden van woningen en de mogelijkheid om op basis van artikel 40 Wet WOZ gegevens op te vragen, vergroot de kans dat een natuurlijke persoon of rechtspersoon die door een algemene, doorlopende volmacht is gemachtigd, rechtsmiddelen kan aanwenden zonder dat de volmachtgevende belastingplichtige daarvan kennis draagt en instemt met het aanwenden van het rechtsmiddel. In de brief van 27 januari 2025 zijn een aantal van dergelijke gevallen, waarbij [Y] betrokken was, genoemd.

Hetgeen [Y] hiertegen inbrengt leidt niet tot een ander oordeel. Op de verzendbewijzen die [Y] bij het nader stuk van 22 april 2025 heeft gevoegd staat vermeld dat een e-mail naar het e-mailadres van belanghebbende is gestuurd met als onderwerpregel dat hoger beroep bij “het gerechtshof” wordt ingesteld. Of belanghebbende dit bericht heeft geopend en gelezen, en of en hoe belanghebbende hier vervolgens op heeft gereageerd, is niet inzichtelijk gemaakt. Met de extra mededeling over de lopende procedure die aan belanghebbende zou zijn gestuurd, wordt evenmin inzichtelijk gemaakt dat belanghebbende van de onderhavige procedure daadwerkelijk in kennis is gesteld. Deze mededeling is in algemene zin opgesteld en het is niet aannemelijk gemaakt dat deze ook naar belanghebbende is gezonden en door hem is gelezen, en evenmin is inzichtelijk gemaakt of en hoe daarop is gereageerd. Daarbij neemt het Hof nog in aanmerking dat, gelet op de omvang van het nadere stuk, het veeleer voor de hand had gelegen dat [Y] de gevraagde recente, vormvrije volmacht bij belanghebbende had opgevraagd en in het geding had gebracht.

Aangezien [Y] niet heeft aangetoond dat het bevoegd was om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen, is het door [Y] beweerdelijk namens belanghebbende ingestelde hoger beroep in deze procedure niet-ontvankelijk. Indien het hoger beroep geacht moet worden te zijn ingesteld door [Y] zelf, leidt dat ook tot een niet-ontvankelijk hoger beroep. [Y] kan immers geen hoger beroep voor zichzelf instellen, reeds omdat [Y] niet de bezwaar- en beroepsprocedure heeft doorlopen en omdat de aanslag niet aan haar is opgelegd en de beschikking niet tot haar is gericht (artikel 26a, lid 1, onderdeel a en c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verbinding met artikel 30, lid 1, Wet WOZ en artikel 236, lid 1 van de Gemeentewet).

Slotsom

Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

Proceskosten

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

Het Gerechtshof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, A. van Dongen en S.E. Bandsma, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda.

De griffier, de voorzitter

J. Azmi Shenouda H.A.J. Kroon

De beslissing is op 28 augustus 2025 in het openbaar uitgesproken.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?