ECLI:NL:GHDHA:2025:2366

ECLI:NL:GHDHA:2025:2366, Gerechtshof Den Haag, 12-11-2025, BK-24/887

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 12-11-2025
Datum publicatie 08-12-2025
Zaaknummer BK-24/887
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002320

Samenvatting

Art. 9 Wet bpm, art. 110 VWEU, art. 49 Handvest, art. 1 EP EVRM, art. 6 en 14 EVRM en art. 26 IVBPR. Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat bij de naheffingsaanslag is uitgegaan van een te hoge CO2-uitstoot. Geen schending van art. 110 VWEU. Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat sprake is van een ex-rental.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Uitspraak van 12 november 2025

[X] VOF te [Z] , belanghebbende,

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-24/887

in het geding tussen:

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 11 september 2024, nummer SGR 22/4966.

Procesverloop

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 3.039 (de naheffingsaanslag).

De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 2.975;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 643;

veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 857;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.998;

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden;

bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiseres.”

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 559 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend. Belanghebbende heeft een pleitnota met bijlagen ingediend, ingekomen bij het Hof op 9 september 2025.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 1 oktober 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 3.605 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een Mercedes-Benz GLC-klasse Coupé - 250 4Matic Premium (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 3 september 2018. De registratie is voltooid op 29 mei 2020. In de aangifte is een CO2-uitstoot vermeld van 175 g/km.

Belanghebbende heeft de volgens de aangifte verschuldigde bpm berekend aan de hand van een taxatierapport van [naam] B.V. (het taxatierapport). Hierbij is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde vóór schade van € 37.500 en een waardevermindering wegens schade van € 22.500.

In opdracht van de Inspecteur heeft een schouw van de auto plaatsgevonden door de

dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hiervan is op 4 juni 2020 een rapport opgemaakt

(het DRZ-rapport). Volgens het DRZ-rapport bedraagt de handelsinkoopwaarde in

onbeschadigde staat € 34.802 op basis van de XRAY-koerslijst voor een margeauto. DRZ

heeft geen schade aan de auto vastgesteld. In het DRZ-rapport is een CO2-uitstoot vermeld van 175 g/km.

De Inspecteur heeft op basis van de bevindingen van DRZ de verschuldigde bpm

berekend op € 6.644. Bij brief van 28 april 2021 heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat hij het voornemen heeft om een naheffingsaanslag op te leggen. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken na dagtekening van de brief op dit voornemen te reageren. Belanghebbende heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Daarna is met datum 25 juni 2021 de naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 3.039 (€ 6.644 -/- € 3.605 (het reeds op aangifte betaalde bedrag)).

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

Vooraf over de jurisprudentie van de Hoge Raad en het Unierecht

7. De rechtbank stelt voorop zij, anders dan de gemachtigde bepleit, ervan uitgaat dat

de oordelen van de Hoge Raad over de bpm in overeenstemming zijn met het Unierecht. De

rechtbank zal haar oordelen over de desbetreffende klachten van eiseres slechts motiveren

indien zij van oordeel is dat de Hoge Raad in strijd met het Unierecht heeft geoordeeld.

Voor het overige zal de rechtbank ter motivering van haar beslissingen volstaan met

verwijzingen naar de oordelen van de Hoge Raad.

Prejudiciële vragen

8. De rechtbank overweegt dat zij niet verplicht is tot het stellen van prejudiciële

vragen. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit artikel 267 van het Verdrag

betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Uit de samenhang tussen de tweede

en derde alinea van die bepaling moet worden afgeleid dat het voorleggen van prejudiciële

vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) voor een nationale

rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht vatbaar zijn voor

hoger beroep (zoals de rechtbank) een bevoegdheid vormt en niet een verplichting. Een

andersluidende rechtsopvatting kan ook niet worden gebaseerd op het arrest van het HvJ EU

van 10 januari 2006, C-344/04, IATA, ECLI:EU:C:2006:10, waarop eiseres zich heeft

beroepen, aangezien de aldaar bedoelde verwijzingsplicht slechts geldt indien de geldigheid

van een handeling van een instelling, orgaan of instantie van de Unie in het geding is. Dat is

thans niet aan de orde. De rechtbank ziet in al hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd

ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.

Naheffen na belastbaar feit

9. Eiseres stelt zich op het standpunt dat naheffen na het belastbaar feit in strijd is met

artikel 110 van het VWEU, omdat binnenlandse gebruikte voertuigen van een dergelijke

belasting/modaliteit zijn uitgesloten. De rechtbank volgt eiseres daarin niet. De bpm wordt

verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het kentekenregister en moet op

aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien

belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan

verweerder op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de te

weinig geheven belasting naheffen. Ook dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst

daarvan. Nu derhalve in alle gevallen van registratie van voertuigen te weinig betaalde

belasting ter zake van die registratie kan worden nageheven, is geen sprake van schending

van artikel 110 VWEU.[1]

Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel

10. Eiseres heeft zich beroepen op een schending van het Unierechtelijk

verdedigingsbeginsel, omdat zij weliswaar in de gelegenheid is gesteld te reageren op het

voornemen om na te heffen, maar niet is uitgenodigd om haar bezwaren daartegen

mondeling toe te lichten. De rechtbank volgt eiseres niet in dit betoog. Het in het Unierecht

verankerde recht van eenieder om te worden ‘gehoord' voordat een besluit wordt genomen

dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden, houdt in dat degene aan wie een

naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken

alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Uit het recht van de Unie vloeit niet

voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een

voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling

geschiedt. Het recht van de Unie schrijft niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk)

de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken.[2]

Verweerder heeft eiseres bij brief van 28 april 2021 op de hoogte gesteld van zijn

voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die

naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiseres de

gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Gesteld noch gebleken is dat eiseres niet in

redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid. Aldus heeft verweerder de

eisen die het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd.

Betalings- en heffingsmodaliteiten

11. Eiseres betoogt dat de bpm voor de registratie van de onderhavige auto in strijd met

het Unierecht is geheven omdat, anders dan bij binnenlandse motorvoertuigen, aangifte en

betaling van de belasting eerder plaats moet vinden dan het tijdstip waarop het belastbare

feit (de registratie in het kentekenregister) plaatsvindt. Die stelling faalt, omdat de Hoge

Raad reeds anders geoordeeld heeft.[3] Voor het rentenadeel dat eiseres stelt te ondervinden

van het moeten voldoen van de belasting voorafgaand aan de tenaamstelling van het

kenteken, dient zij zich te wenden tot de civiele rechter.

Gebreken taxatierapport/gebruik forfaitaire tabel

12. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het taxatierapport dusdanige

(formele) gebreken toont dat dit niet kan dienen ter ondersteuning van de door eiseres

bepleite van belang zijnde waarden (zoals handelsinkoopwaarde en omvang van de schade

e.d.). De gemachtigde heeft ter zitting erkend dat het taxatierapport gebrekkig is en daarbij

aangegeven dat hij zich daarop ook niet meer beroept. Eiseres meent dat moet worden

aangesloten bij de berekeningen/taxatie van verweerder, doch slechts in zoverre dat die nog

moeten aangepast conform de door eiseres in dat verband ingenomen stellingen en

standpunten (over schade en CO2-uitstoot e.d.).

13. De rechtbank stelt vast dat het dus ervoor moet worden gehouden dat het

taxatierapport dusdanig gebrekkig is dat dit niet kan dienen voor de waardevastelling(en).

Daarmee vervalt in dit geval de mogelijkheid om gebruik te maken van de taxatiemethode.

aangezien uit het DRZ-rapport volgt dat de auto niet meer dan normale gebruiksschade heeft

en wel als zodanig voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst (zie artikel

10, achtste lid, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992;

hierna: Wet bpm). Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt immers mee dat de

belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor

benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken.[4] Een

waardevermindering door schade is een zodanig feit en eiseres heeft afgezien van het

taxatierapport geen bewijs bijgebracht. De rechtbank vermag echter niet in te zien waarom

eiseres alsdan zou zijn aangewezen op de forfaitaire tabel en niet zou mogen gebruikmaken

van de koerslijstmethode, zoals bepleit door verweerder, nu de wet voor dat laatste niet een

taxatierapport vereist.

Schade en veranderingen aan auto voor registratie

14. Eiseres stelt, naar de rechtbank begrijpt, dat de bevindingen van DRZ met

betrekking tot de schade aan de auto geen grondslag kunnen vormen voor de correctie van

de verschuldigde bpm. Aan die stelling ligt het betoog ten grondslag dat in de wet niet is

vastgelegd dat de auto in ongewijzigde staat moet blijven tussen de taxatie en de aangifte en

dat de schade tussentijds kan zijn hersteld, dat dit een leemte is in de wet en aldus niet is

voldaan aan het rechtszekerheidsbeginsel, dat dus uit niets blijkt dat de auto op het moment

van de schouw door DRZ in dezelfde staat verkeert als op het moment van de fysieke

opname door de taxateur en dat eventuele afwijkingen in de staat van de auto

belastingplichtigen niet kunnen worden tegengeworpen nu niet is voldaan aan het

rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank volgt deze zienswijze niet. Het betoog van eiseres

ziet eraan voorbij dat (in gevallen als het onderhavige, waarin aangifte is gedaan vóór

1 januari 2022) het bedrag van de verschuldigde bpm moet worden bepaald aan de hand van

de heffingsgrondslagen op het tijdstip waarop het voorgenomen belastbare feit zal

plaatsvinden, dat wil zeggen naar de verwachte staat waarin het motorrijtuig verkeert op het

tijdstip van afronding van de registratie dan wel van de aanvang van het gebruik van de

weg.[5] Met schade die vóór de registratie is hersteld, kan bij de waardebepaling daarom in

beginsel geen rekening worden gehouden. Dat is slechts anders indien sprake is van een

schadeverleden dat heeft geleid tot een blijvende waardevermindering van de auto. Eiseres

heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt dat dit hier het geval is, zodat er geen

aanleiding bestaat de bevindingen van DRZ buiten beschouwing te laten, nog daargelaten

het antwoord op de vraag of eiseres daar belang bij zou hebben na de verwerping van het

taxatierapport.

Onafhankelijkheid DRZ

15. Eiseres heeft gesteld dat DRZ geen onafhankelijke deskundige is en het DRZ-rapport

daarom niet gebruikt kan worden bij de waardebepaling van de auto. Deze klacht

behoeft geen behandeling, nu is vastgesteld dat eiseres niet gebruik mag maken van de

taxatiemethode en de bevindingen van DRZ met betrekking tot de auto daardoor niet langer

van belang zijn voor de beslechting van het geschil.

72% van de schade

16. De stelling dat niet 72%, maar 100% van de reparatiekosten wegens schade in

mindering zouden moeten worden gebracht, faalt reeds nu niet aannemelijk is geworden dat

ten tijde van de registratie sprake was van schade aan de auto. Om dezelfde reden faalt de

stelling van eiseres dat DRZ te lage reparatietarieven heeft gehanteerd.

CO2-uitstoot/NEDC1/WLTP/NEDC2

17. Eiseres heeft gesteld dat als gevolg van de overgang van de NEDC1-meetmethode

naar de WLTP/NEDC2-meetmethode voor te importeren voertuigen met een datum eerste

toelating tussen 1 september 2017 en 1 juli 2020 structureel teveel belasting wordt geheven,

omdat veel buitenlandse kentekenregisters al vanaf die datum uitgaan van de

WLTP/NEDC2-methode voor het vaststellen van de CO2-uitstoot. Deze meetmethode leidt

volgens onderzoeken van KPMG en TNO tot een hogere CO2-uitstoot dan de oude NEDC1-

meetmethode en daarmee tot een hogere heffing van bpm. Volgens eiseres kan deze

discriminatie eenvoudig worden opgeheven door de op basis van de WLTP/NEDC2-

methode vastgestelde CO2-uitstoot te verminderen met 7,3 gram (het gemiddelde verschil

tussen NEDC1- en NEDC2-uitslagen zoals vastgesteld door KPMG). Dienaangaande

overweegt de rechtbank het volgende.

18. De door eiseres beschreven mogelijkheid van discriminatie is door de Hoge Raad

beoordeeld. In dat verband is - kort gezegd en voor zover hier van belang - overwogen dat

het gebruik van en de overgang tussen twee verschillende meetmethodes voor de

vaststelling van de CO2-uitstoot op zichzelf genomen kan leiden tot strijd met artikel 110

van het VWEU. Een belastingplichtige die zich daarop beroept moet aannemelijk maken (i)

dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de

periode I september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer

op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige

personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als

die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.[6] Eiseres heeft evenwel niet

eens gesteld dat in haar geval aan deze voorwaarden is voldaan.

19. Voor zover het betoog van eiseres erop berust dat het begrip ‘gelijksoortigheid'

ruim dient te worden uitgelegd, volgt de rechtbank haar daarin niet. Producten zijn in dit

verband als gelijksoortig te beschouwen wanneer zij zich door hun eigenschappen en door

de behoeften waarin zij voorzien, in een concurrentieverhouding bevinden. De mededinging

tussen twee modellen hangt af van de mate waarin zij voldoen aan een aantal vereisten op

het punt van, onder meer, prijs, afmetingen, comfort, prestaties, verbruik, duurzaamheid en

betrouwbaarheid. Het referentievoertuig moet het voertuig zijn waarvan de kenmerken het

dichtst aanleunen bij die van het ingevoerde voertuig.[7] Het is derhalve voor auto’s van

courante modellen (zoals de onderhavige) niet mogelijk een vergelijking te trekken met

auto's van een ander model waarvan de CO2-uitstoot (en dus het verbruik) in meer dan

verwaarloosbare mate verschilt. Dat geldt dus ook voor de auto met een uitstoot van 173

gram/km waarop eiseres zich heeft beroepen.

Historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde

20. Eiseres beroept zich wel terecht op het arrest van de Hoge Raad van 22 december

2013, ECLI:NL:HR:2023:1703, met het betoog dat bij de bepaling van de historische

nieuwprijs dient te worden uitgegaan van de hogere bruto bpm van de geïmporteerde auto

(€ 18.547). Dit wordt door verweerder ook erkend. De historische nieuwprijs dient derhalve

te worden vastgesteld op € 96.469.

21. Verweerder heeft betoogd dat alsdan de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde

staat van de auto naar evenredigheid dient te worden verhoogd. Immers, de hogere CO2-

uitstoot van de geïmporteerde auto houdt in dat de auto een hoger energieverbruik heeft dan

de referentieauto, hetgeen slechts kan worden verklaard door verschillen bijvoorbeeld in de

aanwezige opties.

22. Met zijn standpunt neemt verweerder gemotiveerd stelling tegen de door eiseres

verdedigde handelsinkoopwaarde. Dat een hogere CO2-uitstoot automatisch tot een hogere

handelsinkoopwaarde leidt, zoals verweerder met zijn stelling suggereert, acht de rechtbank

echter niet voor de hand liggend. Per geval zal moeten worden beoordeeld of dit zo is.

Hierbij dienen alle relevante omstandigheden van het geval in ogenschouw te worden

genomen, zoals de omvang van het verschil in CO2-uitstoot. de herkomst van het

motorvoertuig (waarbij van belang is of het beschikt over een Europese typegoedkeuring),

exclusiviteit, de courantheid van het merk en het model, de uitvoering en of het

motorvoertuig bijzondere kenmerken heeft. Met andere woorden, de prijselasticiteit speelt

een belangrijke rol. Hoewel de CO2-uitstoot als een vast gegeven kenmerk van het

motorvoertuig moet worden beschouwd, is dit niet het enige kenmerk en staat het niet vast

dat dit kenmerk bij de gemiddelde handelaar (of consument, die het motorvoertuig

uiteindelijk koopt) doorslaggevend is bij de keuze voor het motorvoertuig.[8] Nu het

algemeen geformuleerde standpunt van verweerder niet zonder meer kan worden gevolgd en

verweerder geen nadere, steekhoudende onderbouwing van zijn standpunt heeft gegeven,

ziet de rechtbank geen aanleiding om de door DRZ uit de koerslijst afgeleide

handelsinkoopwaarde naar boven bij te stellen.

23. In dit geval komt daar nog bij dat de tekst van artikel 10, zevende lid. van de Wet

bpm bij toepassing van de koerslijstmethode geen ruimte biedt voor correcties op de waarde

die is vermeld in de koerslijst, indien de desbetreffende koerslijst niet in die correcties

voorziet.[9]

24. Ter zitting heeft verweerder nog in algemene zin geponeerd dat de gehanteerde

koerslijst XRAY niet bij de auto past, zodat de juiste handelsinkoopwaarde niet kan worden

vastgesteld. De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt. Bij het DRZ-rapport is de

koerslijst XRAY gevoegd voor een Mercedes-Benz GLC-klasse Coupé 250 4Matic met de

juiste datum eerste toelating en calculatiedatum. De ’CO2 klant' is weliswaar ten onrechte

op 173 gram/km gesteld, maar naar eiseres onweersproken heeft gesteld maakt dit voor de

vaststelling van de handelsinkoopwaarde niet uit.

Leeftijdskorting en lager tussenliggend tarief

25. Eiseres heeft in haar beroepschrift geopperd dat een extra leeftijdskorting zou

moeten worden toegekend en dat een lager tussenliggend tarief zou moeten worden

toegepast. Zij heeft deze stellingen niet nader geconcretiseerd. De rechtbank ziet daarin dan

ook geen aanleiding om de naheffingsaanslag te verminderen.

Hoogte en verschuldigdheid van griffierecht

26. Eiseres heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf

griffierecht te moeten betalen. Het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het

Handvest verzet zich uitsluitend tegen de heffing van griffierecht indien dit een wezenlijke

belemmering voor de toegang tot de rechter vormt.[10] In het algemeen kan worden

aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf)

heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de

rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op

betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan

griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken

van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang.[11] Het is niet voor redelijke

twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke

doeltreffendheidsbeginsel. [12] Van strijdigheid met het beginsel van effectieve

rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van

de Europese Unie (Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake.[13] Eiseres heeft de

voor het beroep verschuldigde griffierecht voldaan en geen beroep gedaan op

betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming

in het onderhavige geval geen sprake is.

Wettelijke rente en griffierecht

27. Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding. Het

Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente.[14] Het voorgaande neemt niet weg

dat wettelijke rente verschuldigd wordt indien het griffierecht niet tijdig aan eiseres wordt

uitbetaald.

Conclusie

28. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard.

De naheffingsaanslag dient conform het meer subsidiaire standpunt van eiseres te worden

verminderd tot € 2.975.

Immateriële schadevergoeding

29. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens

overschrijding van de redelijke termijn. Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder

ontvangen op 16 juli 2021 en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 15 juli

2022. De uitspraak van de rechtbank is op 11 september 2024 gedaan. Dat is afgerond 38

maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met (afgerond) 14

maanden is overschreden. Aangezien verweerder op 15 juli 2022 uitspraak op bezwaar heeft

gedaan dient de overschrijding voor 6/14 deel aan de bezwaarfase te worden toegerekend en

voor 8/14 aan de beroepsfase.

30. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële

schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft

ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van

dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Of de

schadevergoedingen aan de gemachtigde toekomen, doet in dit verband niet ter zake.[15] Dit

betekent dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag

van € 1.500. Daarvan dient € 643 door verweerder te worden vergoed en € 857 door de

Staat.

31. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een hogere vergoeding. De verwijzing naar

het arrest Scordino van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van

29 maart 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0329JUD003681397, leidt daartoe niet. De omvang

van de vergoeding hangt volgens het EHRM af van diverse omstandigheden, zoals de

complexiteit van de zaak, de houding van de klager en de aangesproken staat en de aard en

het belang van het geschil. Uit het arrest kan niet worden afgeleid dat eiseres in dit geval

recht heeft op een hogere vergoeding dan thans toegekend. Ook het arrest van het HvJ EU

van 26 november 2013, C-58/12 P (Gascogne), ECLI:EU:C:2013:770, waarop eiseres zich

beroept, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, nu het in dit arrest een handeling van

een instelling van de Unie betreft, namelijk het HvJ EU.

Proceskosten

32. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten.

Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)

en met inachtneming van de jurisprudentie van de Hoge Raad dienaangaande voor de door

een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.248 in bezwaar (1 punt voor het

indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde

per punt van € 624 en een wegingsfactor 1) en € 1.750 in beroep (1 punt voor het indienen

van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 875 en een wegingsfactor 1).

33. Voor een integrale proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Uit de

gedingstukken en hetgeen eiseres heeft gesteld, valt niet op te maken dat verweerder

zodanig ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld dat daarin grond is gelegen om van de

forfaitaire regeling voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand af te wijken.

Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb is ook

anderszins niet gebleken. Al hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd, maakt ook niet dat

daarvan sprake is. Anders dan eiseres heeft betoogd is het enkele feit dat de vergoeding van

proceskosten waarop ingevolge het Bpb aanspraak kan worden gemaakt, de werkelijk

gemaakte kosten slechts voor een deel dekt, ook niet voldoende om te concluderen dat aan

het Unierecht aanspraak op een hogere vergoeding kan worden ontleend.[16]

34. De rechtbank zal verweerder opdragen het betaalde griffierecht aan eiseres te

vergoeden.

(…)

[1] Zie ook HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.2.

[2] Zie ook HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.1.

[3] HR 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1277. r.o. 3.4.1-3.4.7.

[4] HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63. r.o. 2.3.3.

[5] Zie HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415. r.o. 3.5.1.

[6] HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653, r.o. 5.9.2.

[7] Zie bijvoorbeeld HvJ EU 19 december 2013, C-437/12, X, ECLI:EU:C:2013:857, punt 23.

[8] Zie Gerechtshof Den Haag 29 februari 2024. ECLI:NL:GHDHA:2024:732. r.o. 5.3.3.

[9] Vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.3.2.

[10] Vgl. EHRM 20 december 2007, Paykar Yev Haghtanak Ltd tegen Armenië.

ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803 en zie ook HR 11 oktober 2019,

ECLI:NL:HR:2019:1579.

[11] Vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699.

[12] HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579. r.o. 3.1.4.

[13] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8618, r.o. 4.6.

[14] HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, r.o. 2.4.3.

[15] Vgl. HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:965, r.o. 2.3.3 en HR 31 mei 2024,

ECLI:NL:HR:2024:775, r.o. 3.2.3.

[16] Vgl. HR 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3929, r.o. 2.4.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

In hoger beroep zijn in geschil diverse Unierechtelijke vraagstukken, of het juiste bedrag aan bpm is nageheven en of de Rechtbank de proceskostenvergoeding tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Verder klaagt belanghebbende over het belemmerende effect van het griffierecht en dat de schadevergoeding onjuist is vastgesteld. Ook wil belanghebbende een passende rentevergoeding over alle bedragen waarop zij recht heeft.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. Daarnaast concludeert belanghebbende tot toekenning van een hogere (immateriële)schadevergoeding. Belanghebbende verzoekt voorts om een integrale, althans, een veel hogere proceskostenvergoeding alsmede om vergoeding van het griffierecht en om een passende rentevergoeding.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

Het Hof verenigt zich op alle punten die in beroep zijn beoordeeld en die in hoger beroep opnieuw zijn aangevoerd met de uitspraak van de Rechtbank, en maakt de gronden en de beslissingen van de Rechtbank tot de zijne. Voor een hogere vergoeding van proceskosten of immateriële schade ziet het Hof geen aanleiding. Evenmin voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). Voor zover nodig gaat het Hof hierna in op de in hoger beroep aangedragen standpunten en argumenten.

CO2-uitstoot

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur is uitgegaan van een te hoge CO2-uitstoot. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft belanghebbende de gegevens uit het kentekenregister onder het tabblad ‘Motor & Milieu’ van een aantal naar haar opvatting soortgelijke voertuigen overgelegd, waaruit een CO2-uitstoot van 170 g/km blijkt.

De heffing van bpm is gerelateerd aan de CO2-uitstoot in die zin dat voor personenauto’s het verschuldigde bedrag aan bpm hoger is naarmate de vastgestelde CO2-uitstoot van de personenauto hoger is. Dit betekent dat voor elke personenauto, nieuw of gebruikt, moet worden bepaald hoeveel CO2 deze uitstoot. De CO2-uitstoot is een objectief vast te stellen, onderscheidend criterium voor motorvoertuigen en het lijdt geen twijfel dat het Unierecht niet in de weg staat aan het hanteren van een dergelijke objectieve maatstaf van heffing, vooropgesteld dat die maatstaf gelijkelijk geldt voor uit andere lidstaten afkomstige, te registreren motorvoertuigen en voor binnenlandse (geregistreerde) motorvoertuigen. De omstandigheid dat bij een gebruikte buitenlandse personenauto een andere CO2-uitstoot voor de heffing van bpm in aanmerking wordt genomen dan het geval is of is geweest bij de registratie van een binnenlandse personenauto die wat betreft merk, type, uitvoering, slijtage, productiejaar en tijdstip van eerste toelating op de weg hetzelfde is, is niet zonder meer in strijd met artikel 110 van het VWEU, omdat niet is uitgesloten dat deze auto’s een verschillende CO2-uitstoot hebben (HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:561).

In het kentekenregister staat voor de auto vermeld dat de CO2-uitstoot is gemeten volgens NEDC. Ook heeft de auto een EG-typegoedkeuring. De CO2-uitstoot van de voertuigen die belanghebbende noemt, is eveneens gemeten volgens de NEDC-methode. Het verschil in CO2-uitstoot kan niet zijn veroorzaakt door een verschillende meetmethode. De vermelde CO2-uitstoot is de objectief, volgens de NEDC-methode gemeten uitstoot voor voertuigen van de EG-typegoedkeuring waartoe de auto behoort. Het Hof gaat ervan uit dat de CO2-uitstoot van 175 g/km juist is.

Getoetst aan het gebruikelijke criterium om de soortgelijkheid van voertuigen te beoordelen, is belanghebbende evenmin geslaagd in de op haar rustende bewijslast. Het is niet alleen van belang of de auto identiek of soortgelijk is aan in Nederland rijdende auto’s, maar ook of de auto in dezelfde behoefte voorziet. Met andere woorden: of de auto met de referentieauto’s concurreert. Hierbij worden alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen, dus ook bijvoorbeeld slijtage en de aanwezigheid van opties. Belanghebbende heeft te weinig gegevens van de referentievoertuigen overgelegd om dit te kunnen beoordelen. Opvallend is dat de milieuklasse EG en de milieuklasse EG Goedkeuring (licht) van de auto verschilt van die van de door belanghebbende aangedragen referentievoertuigen. De informatie onder de overige tabbladen in het kentekenregister is niet overgelegd. Evenmin heeft belanghebbende gegevens over de EG-typegoedkeuring van de referentievoertuigen overgelegd.

De conclusie luidt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de CO2-uitstoot te hoog is vastgesteld.

Ex-rental

Belanghebbende stelt dat de waarde van de auto in onbeschadigde staat moet worden verminderd met 10% nu moet worden aangesloten bij de waarde van een auto met een huurverleden (ex-rental). Het zijn van een ex-rental is een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van de auto; een niet ex-rental bevindt zich ten opzichte van ex-rentals dan ook niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in het arrest van het HvJ EU van 19 december 2013, C-437/12, ECLI:EU:C:2013:857. Belanghebbende heeft niets ingebracht om haar standpunt te onderbouwen, zodat het Hof dit afwijst.

Slotsom

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep. Aan hetgeen belanghebbende heeft gesteld over de hoogte van de proceskostenvergoeding komt het Hof niet toe. Hetzelfde geldt voor hetgeen de gemachtigde heeft gesteld over het griffierecht. Er bestaat geen recht op rentevergoeding over het voorschieten van het griffierecht hangende het hoger beroep.

Beslissing

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, T.A. de Hek en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.

De griffier, de voorzitter,

L. van den Bogerd A. van Dongen

De beslissing is op 12 november 2025 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?